Van Stalinallee naar Karl-Marx-Allee – geschiedenis van de eerste straat van het socialisme

Een verrassing in de vroege ochtend
11 minuten leestijd
Zicht op de huidige Karl-Marx-Allee in Berlijn
Zicht op de huidige Karl-Marx-Allee in Berlijn (CC BY-SA 4.0 - Marek Śliwecki - wiki)

Op 3 februari 1952 legde de Oost-Duitse premier Otto Grotewohl ferm de eerste steen voor de eerste flat aan de Stalinallee in Oost-Berlijn. Deze Stalinallee moest een prachtige boulevard worden: ruim twee kilometer lang en negentig meter breed. Er was een zesbaansweg gepland, die niet alleen zou worden gebruikt voor parades en optochten, maar ook als promenade met brede trottoirs en bomen.

Machtige en pompeuze woongebouwen van zes tot negen verdiepingen in neoklassieke Sovjetstijl moesten aan de Stalinallee verrijzen. De gebouwen met gevels van keramische tegels, zouden ‘paleizen voor het volk’ worden. Ze waren gemaakt van het puin van de Tweede Wereldoorlog en elke Berlijner werd opgeroepen om een jaar vrijwilligerswerk te doen. Iedereen moest kunnen zeggen: ‘Ik heb meegeholpen aan de aanleg van de eerste socialistische straat in Berlijn’. De bouwwerkzaamheden betroffen verschillende fasen en duurden tot eind jaren vijftig.

Stalinallee in BerlijnStalinallee in Berlijn
Stalinallee in Berlijn op een DDR-postzegel
Op 21 december 1949 had ze de naam Stalinallee gekregen. Twaalf jaar later werd ze in een geheime nachtelijke operatie omgedoopt tot “Karl-Marx-Allee”. In dit artikel een blik op haar geschiedenis en het plotselinge einde van de Stalin-cultus.

De Stalinallee

Op de laatste dag voordat in oktober 1990 de Duitse Democratische Republiek (DDR) ten grave werd gedragen, wist het stadsbestuur van Berlijn de Karl-Marx-Allee op de Europese monumentenlijst te plaatsen. In haar boek Berlin, Die Neue Hauptstadt. Architectur und Kunst, Geschichte und Literatur weet Ingrid Nowel het beeld van de straat treffend te karakteriseren:

Daar ligt de kaarsrechte ‘Eerste straat van het Socialisme’, in haar monumentale gezwollenheid en sombere uitgestrektheid. Pronkstuk van politieke hoop en idealen uit het verleden. Het is een overblijfsel van een andere, verdwenen architectonische ideologie en een indrukwekkende getuigenis van de Duitse naoorlogse bouwgeschiedenis.

Volgens Nowel is het de enige Europese boulevard die na de oorlog werd aangelegd.

Eind 1949, kort na de oprichting van de DDR, moesten van de nieuwe socialistische regering talrijke straten en pleinen in het nieuwe land worden vernoemd naar de “helden” van het communisme en het socialisme. Straten en pleinen met de namen van Lenin, Karl Marx en Ernst Thälmann verschenen in het stadsbeeld. En dat gold natuurlijk ook voor Jozef Stalin. Het was niet gebruikelijk een ​​levend persoon te eren met een straatnaam, maar voor de ‘man van staal’ werd toch wel snel een uitzondering gemaakt. Sinds eind jaren twintig was hij de leider van de Sovjet-Unie en in de communistische wereld verheven tot het stralende licht van het socialisme, mede door een verregaande persoonlijkheidscultus. Het was vanzelfsprekend dat in Oost-Berlijn, de nieuwe hoofdstad van de DDR, een straat naar Stalin moest worden vernoemd. Maar welke?

Het oog viel op de Frankfurter Allee, een oude middeleeuwse handelsweg van Berlijn richting Polen en Rusland. Van hieruit marcheerde Napoleon met zijn troepen richting Moskou. Als overwinnaar en bevrijder marcheerde het Rode Leger in 1945 tussen de ruïnes door, over de in puin geschoten straat richting het regeringscentrum van Berlijn. Toen in december 1949 de Frankfurter Allee werd omgedoopt tot Stalinallee werd ze hiermee ook symbool voor de ideologische verbinding tussen Moskou en Oost-Berlijn.

Korte video over de Karl-Marx-Allee:

Opgestaan uit ruïnes

Met een geweldige inzet van de bevolking trad men het schitterende socialistische licht tegemoet, maar wel volgens de regels van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED), de allesbeheersende socialistische partij in de DDR. Nowel:

De partij verzette zich tegen ‘internationalisme en modernisme’, tegen ‘kosmopolitische luchtfietserij’. ‘We willen in Berlijn geen Amerikaanse dozen zien’. De ‘internationale stijl’ mocht het niet worden, dat was te veel Anglo-Amerikaans en te veel te zien in West-Duitsland en West-Berlijn.

Karl Friedrich Schinkel
Karl Friedrich Schinkel
De SED eiste een wederopbouw die het tegenovergestelde van het kapitalisme vertegenwoordigde. Per slot van rekening zou op de puinhopen van de tot ondergang gedoemde kapitalistische maatschappij, de dictatuur van het proletariaat de uiteindelijke overwinning behalen, althans volgens de marxistische ideologie. Partijleider Walter Ulbricht eiste een architectuur naar het Sovjet-voorbeeld. Richtsnoer voor de stadsontwikkeling werd het beginselprogramma uit 1950, Die 16 Grundsätze des Städtebaus, dat na een bezoek van Oost-Duitse partijfunctionarissen aan de Sovjet-Unie werd opgesteld.

Een architectuur die zich wat inhoud op het socialisme en wat vorm betreft op het nationale richtte. Het werd een terugvallen op het classicisme van de Pruisische architect en stadsplanoloog Karl Friedrich Schinkel (1781-1841) en op de architectuur van het Stalinisme, het socialistisch realisme, aldus Nowel. Het socialistisch realisme was de enige kunststijl die in de Sovjet-Unie sinds 1934 was toegestaan. Representatieve, vorstelijke gebouwen met veel ornamenten, zuilen en torens zijn de kenmerken van deze architectuur. Deze architectuur diende de paradijselijke toestand te weerspiegelen waartoe het socialisme uiteindelijk zou leiden.

In de DDR werd het vooral de stijl van Schinkel, die de Oudheid als model had, het classicisme. In de DDR sprak men daarom van socialistisch classicisme. Deze architectuurvorm wordt ook wel de “suikertaartenstijl” genoemd. Net zoals een taart waren de gebouwen vaak hoog en versierd. Het project moest daadkracht en macht uitstralen en het land aanzien verschaffen in de economische en psychologische strijd met de Bondsrepubliek. Dit werd vaak op een overdreven manier gedaan. De gebouwen aan de Karl-Marx-Allee zijn sprekende voorbeelden. Ook in voormalige DDR-steden als Maagdenburg, Rostock, Leipzig en Dresden is deze stijl te zien.

Ruines aan de Stalinallee, 1950
Ruines aan de Stalinallee, 1950 (Bundesarchiv, Bild 183-S94985 / CC-BY-SA 3.0)

In 1952 werd door het Centraal Comité van de SED het ‘Nationale Opbouwprogramma voor de hoofdstad Berlijn’ in het leven geroepen met een omvangrijke puinruim-actie en de herbouw van de Stalinallee. In het boek 100x Deutschland. Die 100 wichtigsten Kulturdenkmäler, beschrijft auteur Detlef Arens de inspanningen daarbij:

In het licht van schijnwerpers en bij muziek uit luidsprekers zwoegden de opbouwers – ambachtslieden, leraren, verpleegsters, secretaresses etc.

Er werd een soort loterij voor de zwoegers georganiseerd waarmee men een huurwoning kon bemachtigen. Duizenden arbeiders kwamen na hun normale werkdag nog enkele uren werken. Onderscheidingen werden uitgereikt en na driehonderd uur werken kwam men in aanmerking voor een op naam gesteld lot. Veertig procent van de woningen in de Stalinallee en aanpalende gebieden werd verloot. Op 30 januari 1952 werd de eerste loting verricht. De winnaars waren volgens Arens naaisters, arbeiders, productiemedewerkers, ambachtslieden, een leraar, een arts en een politieman. Daarnaast kregen vele zogenaamde anti-fascisten de begeerde woning voor hun verdiensten. Later hielp vooral het partijlidmaatschap. Het oorspronkelijke idee van een afspiegeling van de Oost-Duitse maatschappij is eigenlijk nooit bewaarheid.

Er bestond massale belangstelling voor de woningen. Volgens Nowel moesten de bewoners hun huis een jaar lang openstellen voor kijkers. Huisbewoners herinnerden zich wat er zoal op 2 juli 1952 bij hen op bezoek kwam. Zo noteerde Nowel 20 Polen, 14 Engelsen, 64 Hongaren, 68 Tsjechen, 46 Grieken, 112 Fransen, 80 West-Duitsers, 465 Oost-Duitsers, 263 West-Berlijners, 24 Finnen en 31 Nederlanders.

Voor de maatstaven van die tijd werd veel luxe en comfort geboden. Voor een huur van 96 Pfennig per vierkante meter beschikten de woonblokken over een gemeenschappelijk dakterras, vuilstortkoker, lift, centrale verwarming, telefoonaansluiting en warm en koud stromend water. De woningen waren van buiten bekleed met keramiek uit Meissen.

Cafe Moskau, 2021
Cafe Moskau, 2021 (CC BY-SA 4.0 – Matthias Süßen – wiki)

In 1952 werd de DDR in het economisch systeem van het Oostblok (Comecon) opgenomen. Hiermee kwam ook de vriendschap der volkeren op de agenda te staan. Zo zorgden restaurants, dansgelegenheden, nachtbars en cultuurcentra van de socialistische broederstaten voor bedrijvigheid op de Allee. Zo was er het beroemde café Moskau met de Natascha-Bar, met kamers in Russische en Oekraïense stijl en een replica van de Spoetnik in de hal. Zo was er het café Warschau met de beroemde Warschauer taart, alsmede het Huis Praag en het Huis Boedapest met hun specifieke gerechten. De bioscopen ‘Kosmos’ en ‘Kino International’ werden druk bezocht. De ‘Mokka Milch Eisbar’ serveerde decadente milkshakes. Ook vonden op deze boulevard de jaarlijkse militaire parades van de Nationale Volksarmee en andere optochten plaats.

Mokka-Milch-und-Eis-Bar, 1964
Mokka-Milch-und-Eis-Bar, 1964 (Bundesarchiv, Bild 183-C0325-0007-003 / Kohls, Ulrich / CC-BY-SA 3.0)

De ‘Frankfurter Tor’, waarvoor als voorbeeld de koepels op de Gendarmenmarkt in Berlijn werden genomen, vormen het einde van de pronkboulevard en daarmee ook het einde van de ‘suikertaartenstijl’ in 1960. Toen waren ook al de eerste ernstige onvolkomenheden aan de bouwwerken zichtbaar. De keramische tegels uit Meissen viel bij tonnen naar beneden en de platte daken vertoonden grote schade. Sommige delen van de gebouwen moesten daarom worden gesloten.

Geschiedenis heeft soms iets ironisch in zich. Na de val van de Berlijnse Muur in november 1989 werd de ‘Eerste straat van het Socialisme’ door een banken-consortium uit het Westen opgekocht, inclusief 50.000 vierkante meter afbrokkelende gevels. De sanering was een miljardenproject, gefinancierd door een fonds van privé-beleggers.

Een bewogen leven

De Frankfurter Allee/Stalinallee/Karl-Marx-Allee heeft een bewogen leven achter de rug. Reeds eerder werden de troepen van Napoleon en het Rode Leger genoemd. Na de Tweede Wereldoorlog vonden nog twee opzienbarende gebeurtenissen plaats, te weten de arbeidersopstand van 17 juni 1953 en het herbenoemen van de Stalinallee.

De arbeidersopstand van 17 juni 1953

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw dreigde het politieke leven van de SED-leiding in de DDR regelmatig ten onder te gaan. In 1953 leidde een hervorming van de economie tot een massale volksopstand. De hoge vluchtelingencijfers, de slechte economische situatie en de talrijke arrestaties leidden begin 1953 tot grote onrust en ontevredenheid onder de bevolking. Desondanks verhoogde de SED-partijleiding de winkelprijzen en de productienormen voor arbeiders aanzienlijk. Veel gezinnen konden nauwelijks meer rond komen.

Voor de nieuwe leiders – Stalin overleed in maart 1953 – in het Kremlin ontstond een onwenselijke situatie in de DDR en bekritiseerden daarop de politiek van de SED. De Oost-Duitse communisten zwakten daarom begin juni hun beleid iets af, maar hielden star vast aan de hoge productienormen. De arbeiders namen geen genoegen meer met halfhartige maatregelen.

Vanaf 12 juni 1953 werd het onrustiger rond de Stalinallee. Er werden vergaderingen van arbeiders belegd en een staking werd aangekondigd. Op 16 juni brak de staking uit onder Berlijnse bouwvakkers op de Stalinallee, hét symbool van de wederopbouw van Duitsland en van de grote plannen van de communistische partij. Juist hier, op de plek die moest duidelijk maken dat de DDR superieur was aan de kapitalistische Bondsrepubliek, moest tot woede van de autoriteiten, zo nodig een staking worden uitgeroepen. De staking breidde zich razendsnel uit naar alle andere grote steden in de DDR en kreeg onmiddellijk een politiek karakter.

Arbeidersopstand in Oost-Berlijn, juni 1953 (Publiek Domein - wiki - CIA)
Arbeidersopstand in Oost-Berlijn, juni 1953 (Publiek Domein – wiki – CIA)

Op 17 juni 1953 werd in de gehele DDR gedemonstreerd. De stakers eisten vrije verkiezingen. De partijleiding wist zich geen raad. Moesten zij, de leiders van de Arbeiders- en Boerenstaat, geweld gebruiken tegen de eigen arbeiders en boeren? De Russische commandant in Berlijn maakte resoluut een einde aan de aarzelingen en hij stuurde tanks op de demonstranten af. Meldingen over het aantal dodelijke slachtoffers liepen uiteen. Volgens officiële DDR-lezing vielen er vijfentwintig doden, maar waarschijnlijk waren het er volgens West-Duitse bronnen circa vijfhonderd. Duizenden mensen werden gevangen gezet. Het was duidelijk dat Sovjet-Unie bereid was geweld te gebruiken om het SED-regime in het zadel te houden. De Stalinallee had naam gemaakt als kristallisatiepunt van de opstand. De 17e juni 1953 zou voor de SED-leiders altijd een trauma blijven, angstig dat zo’n situatie zich zou herhalen.

De dood van Stalin en de rede van Chroesjtsjov

Stalin overleed op 5 maart 1953. De communistische wereld was in diepe rouw om het heengaan van deze ‘geniale leider’. Op de dag van zijn begrafenis in Moskou op 9 maart werd langs het standbeeld van Stalin in Oost-Berlijn een rouwstoet gehouden die meer dan zeven uur duurde. Maar drie jaar later keek de communistische wereld er heel anders tegenaan. De massamoordenaar Stalin werd ontmaskerd.

Sovjet-partijleider Nikita Chroesjtsjov sprak vijf uur lang aan het einde van het 20e partijcongres van de Communistische Partij op 25 februari 1956. De toespraak van Chroesjtsjov was getiteld ‘Over de persoonlijkheidscultus en de gevolgen daarvan’. Daarin rekende Chroesjtsjov met Stalin en zijn daden af. Chroesjtsjov sprak ronduit over de dictatuur van Stalin, over zijn onderdrukking, zijn misdaden en fysieke vernietiging. Die golden niet alleen de echte vijanden, maar ook voor mensen die geen misdaden tegen de partij en de Sovjet-regering hadden begaan.

Beeld van Stalin aan de Stalinallee in Berlijn, 1951
Beeld van Stalin aan de Stalinallee in Berlijn, 1951 (Bundesarchiv, Bild 183-11500-0497 / Quaschinsky, Hans-Günter / CC-BY-SA 3.0)
Toen Chroesjtsjov eindigde was er geen jubelstemming, in tegendeel, er was volop afschuw. Het was een belangrijke rede die de destalinisatie en daarmee een zekere ontspanning in het hele Oostblok op gang bracht. Het jaar 1956 veroorzaakte schokken in de socialistische ‘broederlanden’ van Europa. Hun partijleiders moesten altijd in afstemming met Moskou optreden. Het stalinisme bepaalde ook in de “broederlanden” het openbare leven. In Polen, waar de toespraak bijzonder wijd verspreid werd, groeide de publiekelijk uitgesproken vijandigheid jegens de Sovjet-Unie. In Hongarije was er een gewelddadige opstand van arbeiders en studenten. De regering kwam zo onder druk te staan dat alleen gewapenderhand de rust door de Sovjets kon worden hersteld.

In de DDR leidde de destalinisatie tot een zekere rust in het land en vooral tot de vrijlating van circa 21.000 politieke gevangenen. De arbeidersopstand van 1953 lag nog vers in het geheugen. Na de toespraak van Chroesjtsjov kwamen ook binnen de SED-partijleiding discussies op gang en werden vraagtekens gezet bij de persoonlijkheidscultus rond de eigen partijleider, Walter Ulbricht. SED-functionarissen, intellectuelen en studenten voerden nu ook campagne voor een soort ‘menselijk socialisme’, een ‘derde weg’ tussen het kapitalisme en het stalinistische socialisme van de DDR. De aandacht ging vooral uit naar het recht op vrijheid van meningsuiting.

Tegen de achtergrond van de opstand van 17 juni 1953 drukte de SED-leiding dit streven snel de kop in door intimidaties van leger en geheime dienst. In de herfst van 1956, na de Hongaarse opstand, begon in de DDR de anti-revisionistische campagne. SED-leden, intellectuelen, kunstenaars en schrijvers werden gearresteerd en veroordeeld tot lange gevangenisstraffen wegens ‘verraad tegen de staat’. Hiermee kwam een ​​einde aan de destalinisatie in de DDR.

Pas eind oktober 1961 besloot de Communistische Partij van de Sovjet Unie op haar 22e partijcongres de aanbidding van Stalin volledig los te laten. Zijn gebalsemde lichaam werd uit het mausoleum in Moskou verwijderd en bij de muur van het Kremlin begraven.

Karl-Marx-Allee
Karl-Marx-Allee (CC BY-SA 3.0 – Rjh1962 – wiki)
Twee weken later reageerde de DDR-regering. Plotseling kwam er een einde aan de verering van Stalin. Zonder de bevolking te informeren trokken soldaten van het leger in de nacht van 13 op 14 november 1961 met een bulldozer het vijf meter hoge Stalin-monument op de gelijknamige straat, van zijn voetstuk. Het werd met een dieplader naar een bouwbedrijf vervoerd en daar onherkenbaar versnipperd. Toen de bewoners ’s ochtends op pad gingen, was niet alleen het monument verdwenen, maar waren ook alle straatnaamborden vervangen: een deel heette ineens ‘Karl-Marx-Allee’, een ander deel ‘Frankfurter Allee’.

Duitse documentaire over de Karl-Marx-Allee:

Bronnen

– Arens, D. e.a. 100x Deutschland, Die wichtigsten Kulturdenkmäler. In: Dumont Reiseverlag, Ostfildern, 2008, blz 71-73.
– Nowel, I. Berlin, Die neue Hauptstadt. Architektur und Kunst, Geschichte und Literatur. In: DuMont Reiseverlag, Hamburg, 2004, blz 159-164.
– De Karl-Marx-Allee ‘Europa’s laatste grote straat’ In: duitslandinstituut.nl, 12 november 2007.
– Sozialistischer Klassizismus. In: zeitklicks.de
– Lange, R. Von der “Stalinallee” zur “Karl-Marx-Allee” in Berlin. In: mdr.de 3 februari 2022.
– 3. Februar 1952 – Grundsteinlegung für Stalin-Allee in Ost-Berlin. In: www1.wdr.de, 3 februari 2017.
– Enders, E. Die geheime Rede Chruschtschows, die Geschichte schrieb. In: mdr.de, 25 februari 2021.
– Peters, G. “Nationale, klassizistische und fortschrittliche” Bautradition, Zur Baugeschichte der Berliner Stalinallee 1949-1955. In: Edition Luisenstadt, Berlinische Monatsschrift Heft 3/2001.
– Volksaufstand des 17. Juni 1953. In: stasi-unterlagen-archiv.de. Das Bundesarchiv.
– Sozialistischer Klassizismus. In: de.wikipedia.org
– Mählert, U. Kleine Geschichte der DDR. München, 2007.
×