Zelfs wie voor het eerst Indonesië bezoekt, zal het opvallen: er staan, vooral op Java en Sumatra, nog aardig wat gebouwen uit de koloniale tijd. Wie ontwierpen ze, wat valt er verder over te vertellen? Daarover gaat het boek Architecten en hun werk in Indonesië 1860-1960 van Cor Passchier. Het is een schatkamer waarin feiten en feitjes hoog liggen opgetast, ondersteund door veel illustraties.
Heel lang waren in het door Nederland gekoloniseerde Indië architecten niet nodig. Het maatschappelijke bovenlaagje bestond uit Nederlandse en andere Europese kooplui, militairen en wat bestuurders. Als er gebouwen, bruggen of andere bouwwerken moesten komen, had het leger daarvoor wel mensen en soms de civiele overheid.
Interbellum
Dat veranderde in de tweede helft van de negentiende eeuw, zeker nadat de kolonie in 1870 was opengesteld voor particuliere ondernemers. Er kwamen meer Europeanen naar Indië, er kwamen ook vrouwen, er vestigden zich gezinnen. De verstedelijking nam langzaam toe, steeds vaker was het vakmanschap van architecten nodig. Dat Passchier zijn overzicht rond 1860 laat beginnen is logisch, maar het hoogtepunt bereikte het koloniale bouwen in de twintigste eeuw, tussen de twee wereldoorlogen. De auteur laat zijn overzicht doorlopen tot 1960 en ook dat is logisch. De eerste jaren na de Nederlandse soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië (27 december 1949) waren er immers nog maar weinig Indonesische architecten en was er genoeg werk voor de Nederlandse. Toen Indonesië eind jaren vijftig vanwege het Nieuw-Guinea-conflict alle Nederlanders de deur wees, kwam daaraan echter een einde.
Passchier (1945), zelf architect, heeft in dit boek heel veel werk gestoken. Al in 1984 begon hij in Nederland en Indonesië feiten te verzamelen. Het is uitgemond in een encyclopedisch werk boordevol feiten, uiteenlopend van kale mededelingen tot opmerkelijke gegevens. Het boek bestaat uit twee delen: eerst negen duidende hoofdstukken, daarna een omvangrijke ‘catalogus van architecten’.

De achtergronden van de personen in de catalogus variëren zeer. Tal van opleidingen komen voorbij, maar de grootste afzonderlijke groep is opgeleid aan de Technische Hoogeschool Delft (tegenwoordig Technische Universiteit Delt). Een klein groepje bezocht nog de Polytechnische Hoogeschool Delft, zoals de opleiding tot 1905 heette.
Indo-Europese architectuur
De Japanse bezetting van Indië (1942-1945) heeft ook onder architecten zijn tol geëist. In de catalogus staan zeventien mensen die in een Japans interneringskamp in Zuidoost-Azië het leven lieten, twee die door de Japanners zijn geëxecuteerd en één die in Europa in een Duits concentratiekamp aan zijn einde kwam.
Het werk dat al deze architecten in Indonesië hebben achtergelaten wordt door sommige auteurs wel samengevat als ‘Indisch bouwen’. Passchier schuift dat terzijde als ‘een postkoloniale waardetoekenning van geringe betekenis’. En:
Het draagt niet bij aan kennisvermeerdering noch aan een beter begrip van het bouwen in het voormalige Nederlands-Indië.
Wie dat leest in de afsluitende ‘Samenvatting en conclusies’ van het boek kan alleen maar instemmend knikken. In wat eraan voorafgaat schetst de auteur nu juist dat er architectonische verschillen waren én ontwikkeling. Werd aanvankelijk nog vaak gebouwd aan de hand van voorbeeldboeken, zonder enige vernieuwing, later werd dat anders. Architecten in Indië gingen bijvoorbeeld meer kijken naar het Nieuwe Bouwen in Nederland en naar ontwikkelingen op hun vakgebied in de Brits-Indische koloniën en in de Verenigde Staten.
Wel rept Passchier in zijn inleiding over ‘een Indo-Europese architectuur’. Hij tekent echter onmiddellijk aan dat dat geen ‘stijlconcept’ betreft, wel dat architecten bij hun ontwerpen rekening moesten houden met de plaatselijke omstandigheden: tropische hitte, op zijn tijd overvloedige regenval en mogelijk soms een aardbeving. Dat is terug te zien in bijvoorbeeld de aandacht voor ventilatie en niet zelden flink overtekende daken.

Voorbeelden
De materie hier uitvoerig behandelen is ondoenlijk en onnodig. Wel zinvol is de lezer een indruk te geven van het boek door – te hooi en te gras, in willekeurige volgorde bovendien – wat architectonische voorbeelden langs te lopen. En dat met voorbijgaan aan wel erg bekende voorbeelden in Jakarta als de Willemskerk (Gereja Immanuel) en het gebouw van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (nu Museum Nasional).
Laten we ook niet geijkt beginnen in Jakarta, maar in Semarang (Midden-Java), waar het volgens Passchier ‘eerste moderne kantoorgebouw’ in Nederlands-Indië in 1907 werd opgeleverd: het hoofdkantoor van de Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij aan het toenmalige Wilhelminaplein (huidig adres Jalan Pemuda). Eén blik op het gebouw maakt begrijpelijk waarom het in het Javaans bekend staat als ‘Lawang Sewu’ en in het Indonesisch als ‘Seribu Pintu’; beide betekenen: duizend deuren. Bert Johan Ouëndag (1861-1932) ontwierp het met hulp van Cosman Citroen (1881-1935). Ze leverden hun ontwerp in 1902, begin 1904 ging de eerste spade de grond in en medio 1907 werd het imposante gebouw opgeleverd. In Semarang staat het, tegenwoordig als museum, nog altijd te pronken.

Dat Nederlandse architecten in Indië ook kerkgebouwen ontwierpen zal niemand verbazen, dat ze tevens tekenden voor belangrijke moskeeën wellicht wel. Maar geschoolde Indonesische architecten waren er in die tijd nog niet. Neem de Masjid Raya (grote moskee) Baiturrahman in Banda Aceh (voorheen Kota Radja) op Sumatra. Die is ontworpen door Gerrit Bruins (1834-1922). Het gebouw werd opgeleverd in 1881, midden in de Atjeh-oorlog. Atjehse moslims beschouwen de moskee als zo heilig dat ondergetekende begin jaren negentig werd tegengehouden toen hij nietsvermoedend een voet zette op de onderste van de paar treden die leiden naar het platform waarop de moskee staat. In de jaren dertig van de twintigste eeuw is het godshuis aanzienlijk uitgebreid.

Voor wat de reusachtige Istiqlal-moskee in Jakarta zou worden, werd een prijsvraag uitgeschreven, maar in 1955 kwam er geen winnaar uit de bus. Tweede werd de Indonesische architect Friedrich Silaban (1912-1984), derde de Nederlander Johannes Martinus (Han) Groenewegen (1888-1980). In 1959 werd besloten met het plan van Silaban verder te gaan. Bij de uitwerking trad Groenewegen op als mede-architect. Anders dan andere Nederlanders had hij Indonesië niet hoeven verlaten, waarschijnlijk omdat hij had gekozen voor het Indonesische staatsburgerschap. In de jaren 1956-1966 werkten Silaban en hij nauw samen.
Simon Snuijf (1880-1944) ontwierp in 1909 het post- en telegraafkantoor voor de Noord-Sumatraanse plantershoofdstad Medan. Kenmerkend is het grote, halfronde glas-in-lood-raam in de voorgevel. Het glas-in-lood kwam van atelier Gips in Den Haag, de keramische tegels voor het gebouw werden gemaakte door de Porceleyne Fles in Delft. Rond de opening van het gebouw in 1913 was er veel kritiek: de plek zou niet deugen, het ontwerp evenmin. Anno 2026 staat het gebouw nog steeds als prominent herkenningspunt in het centrum van Medan en het fungeert nog altijd als postkantoor.

Architect Willem Marinus Dudok (1884-1974) verzorgde geen enkel ontwerp voor een gebouw in Indië. Wel is zijn invloed hier en daar goed te zien. In het Oost-Javaanse gouvernementsgebouw in Surabaya bijvoorbeeld. Een foto van dat gebouw en een van Dudoks beroemde raadhuis in Hilversum maken de invloed van de Nederlandse bouwmeester in één oogopslag duidelijk. Het bouwwerk in Surabaya kan volgens Passchier worden beschouwd als het ‘magnum opus’ van Wijnand Lemei (1892-1945). Hij ontwierp het in 1927, in 1931 werd het opgeleverd. Anno 2026 zetelt de gouverneur van de Indonesische provincie Oost-Java er nog steeds.

Dudok mag voor Indië dan geen enkel gebouw hebben ontworpen, iets anders staat wel op zijn naam: het monument in de Europese wijk Menteng in Batavia voor de in zijn eigen tijd nog zeer gewaardeerde luitenant-generaal, later gouverneur-generaal Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924). Het twaalf meter hoge, twintig meter lange monument, waarvoor Hendrik van den Eynde (1869-1939) het beeldhouwwerk verzorgde, werd in 1932 onthuld. In het onafhankelijke Indonesië werd met de sloop begonnen in januari 1953. Drie maanden later was er niets meer van te bekennen.


Als laatste voorbeeld van architectuur in Indië een gebouw dat op zichzelf niet zo bijzonder is, maar wel bijzondere historische betekenis heeft gekregen. Toen Indonesië en Nederland in 1946 onderhandelden over een akkoord tijdens hun oorlog (1945-1950) deden ze dat in het Javaanse bergdorp Liggarjati, ten noorden van de stad Cirebon en op de flanken van vulkaan Ciremai. Plaats van samenkomst was het zeer ruime huis (nu een museum) van de etnisch-Chinese Indonesische familie Kwee. Oorspronkelijk was het pand eigendom van architect Jacobus Johannes (Koos) van Os (1894-1934).

Hij ontwierp in Linggarjati in 1928 zeven villa’s, waarvan hij die ene hield voor eigen gebruik. Van Os overleed in 1934 waarna het pand kennelijk is verkocht. Het daar gesloten akkoord leidde tot niets. In de Tweede Kamer werd het door de motie Romme-Van der Goes van Naters ‘aangekleed’. Dat viel in Indonesië slecht, maar er waren meer redenen waarom de Republiek Indonesië het akkoord naar de prullenbak verwees, net als het Nederlandse parlement in feite had gedaan met de voor Indonesië onaanvaardbare bijstelling via die motie.
Tamelijk compleet
Ter afronding nog dit. Passchier is verstandig genoeg om te noteren dat hij niet pretendeert dat zijn inventarisatie van feiten compleet is. Er zijn nog zaken onbekend, al is het maar iemands geboorteplaats of -datum. Mogelijk komen later nog aanvullende gegevens op tafel, er zullen ook feiten zijn die voor altijd verloren zijn gegaan.
Toch wijst veel erop dat dit boek wel zo’n beetje alles bevat wat er, althans bij de huidige stand van zaken, te weten valt over de Indische architectenwereld in de periode 1860-1960. Om de lezer te helpen wordt het geheel gelukkig ontsloten door twee registers: een met de namen van personen, instellingen en bedrijven en een met die van plaatsen en projecten.
De gevangenneming van prins Diponegoro door generaal De Kock
De Birma-spoorlijn – Spoorlijn van de dood
Eindelijk biografie van laatste gouverneur-generaal Nederlands-Indië
De worsteling met de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog vanaf 1950