‘Alles’ over architecten en hun werk in Indië in één boek

8 minuten leestijd
Gedung Sate
Gedung Sate (Saté-Gebouw) in 2024. Die bijnaam kreeg het in 1920 door Johan Gerber ontworpen gebouw van de Gouvernementsbedrijven in Bandung vanwege de pinakel op de toren die wel iets wegheeft van een satéstokje. Inmiddels is het al vele tientallen jaren in gebruik bij het provinciebestuur van West-Java. (CC BY-SA 4.0 - Rahmatdenas - wiki)

Zelfs wie voor het eerst Indonesië bezoekt, zal het opvallen: er staan, vooral op Java en Sumatra, nog aardig wat gebouwen uit de koloniale tijd. Wie ontwierpen ze, wat valt er verder over te vertellen? Daarover gaat het boek Architecten en hun werk in Indonesië 1860-1960 van Cor Passchier. Het is een schatkamer waarin feiten en feitjes hoog liggen opgetast, ondersteund door veel illustraties.

Heel lang waren in het door Nederland gekoloniseerde Indië architecten niet nodig. Het maatschappelijke bovenlaagje bestond uit Nederlandse en andere Europese kooplui, militairen en wat bestuurders. Als er gebouwen, bruggen of andere bouwwerken moesten komen, had het leger daarvoor wel mensen en soms de civiele overheid.

Interbellum

Dat veranderde in de tweede helft van de negentiende eeuw, zeker nadat de kolonie in 1870 was opengesteld voor particuliere ondernemers. Er kwamen meer Europeanen naar Indië, er kwamen ook vrouwen, er vestigden zich gezinnen. De verstedelijking nam langzaam toe, steeds vaker was het vakmanschap van architecten nodig. Dat Passchier zijn overzicht rond 1860 laat beginnen is logisch, maar het hoogtepunt bereikte het koloniale bouwen in de twintigste eeuw, tussen de twee wereldoorlogen. De auteur laat zijn overzicht doorlopen tot 1960 en ook dat is logisch. De eerste jaren na de Nederlandse soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië (27 december 1949) waren er immers nog maar weinig Indonesische architecten en was er genoeg werk voor de Nederlandse. Toen Indonesië eind jaren vijftig vanwege het Nieuw-Guinea-conflict alle Nederlanders de deur wees, kwam daaraan echter een einde.

Passchier (1945), zelf architect, heeft in dit boek heel veel werk gestoken. Al in 1984 begon hij in Nederland en Indonesië feiten te verzamelen. Het is uitgemond in een encyclopedisch werk boordevol feiten, uiteenlopend van kale mededelingen tot opmerkelijke gegevens. Het boek bestaat uit twee delen: eerst negen duidende hoofdstukken, daarna een omvangrijke ‘catalogus van architecten’.

Technische Hoogeschool Delft
Oude Delft 95, ooit het hoofdgebouw van de Technische Hoogeschool Delft die tal van architecten leverde die in Indië actief waren. (CC BY-SA 3.0 – Michiel1972 – wiki)
Kenmerken turvend van de personen in de catalogus komt een voor de Indische architectuur typerend beeld naar voren. In Passchiers catalogus staan 175 Nederlanders, negen Indonesiërs, drie Oostenrijkers en een Duitser. Van de Nederlanders werden er 39 in Indië geboren. Het gezelschap telt slecht één vrouw: Rona Uilkens (1899-1965). Opgeleid als biologe verwierf ze in en rond Malang (Oost-Java) bekendheid als tuin- en landschapsarchitecte.

De achtergronden van de personen in de catalogus variëren zeer. Tal van opleidingen komen voorbij, maar de grootste afzonderlijke groep is opgeleid aan de Technische Hoogeschool Delft (tegenwoordig Technische Universiteit Delt). Een klein groepje bezocht nog de Polytechnische Hoogeschool Delft, zoals de opleiding tot 1905 heette.

Indo-Europese architectuur

De Japanse bezetting van Indië (1942-1945) heeft ook onder architecten zijn tol geëist. In de catalogus staan zeventien mensen die in een Japans interneringskamp in Zuidoost-Azië het leven lieten, twee die door de Japanners zijn geëxecuteerd en één die in Europa in een Duits concentratiekamp aan zijn einde kwam.

Het werk dat al deze architecten in Indonesië hebben achtergelaten wordt door sommige auteurs wel samengevat als ‘Indisch bouwen’. Passchier schuift dat terzijde als ‘een postkoloniale waardetoekenning van geringe betekenis’. En:

Het draagt niet bij aan kennisvermeerdering noch aan een beter begrip van het bouwen in het voormalige Nederlands-Indië.

Wie dat leest in de afsluitende ‘Samenvatting en conclusies’ van het boek kan alleen maar instemmend knikken. In wat eraan voorafgaat schetst de auteur nu juist dat er architectonische verschillen waren én ontwikkeling. Werd aanvankelijk nog vaak gebouwd aan de hand van voorbeeldboeken, zonder enige vernieuwing, later werd dat anders. Architecten in Indië gingen bijvoorbeeld meer kijken naar het Nieuwe Bouwen in Nederland en naar ontwikkelingen op hun vakgebied in de Brits-Indische koloniën en in de Verenigde Staten.

Wel rept Passchier in zijn inleiding over ‘een Indo-Europese architectuur’. Hij tekent echter onmiddellijk aan dat dat geen ‘stijlconcept’ betreft, wel dat architecten bij hun ontwerpen rekening moesten houden met de plaatselijke omstandigheden: tropische hitte, op zijn tijd overvloedige regenval en mogelijk soms een aardbeving. Dat is terug te zien in bijvoorbeeld de aandacht voor ventilatie en niet zelden flink overtekende daken.

Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij
Hoofdkantoor van de Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij in Semarang. (Leiden University Libraries, KITLV)

Voorbeelden

De materie hier uitvoerig behandelen is ondoenlijk en onnodig. Wel zinvol is de lezer een indruk te geven van het boek door – te hooi en te gras, in willekeurige volgorde bovendien – wat architectonische voorbeelden langs te lopen. En dat met voorbijgaan aan wel erg bekende voorbeelden in Jakarta als de Willemskerk (Gereja Immanuel) en het gebouw van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (nu Museum Nasional).

Laten we ook niet geijkt beginnen in Jakarta, maar in Semarang (Midden-Java), waar het volgens Passchier ‘eerste moderne kantoorgebouw’ in Nederlands-Indië in 1907 werd opgeleverd: het hoofdkantoor van de Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij aan het toenmalige Wilhelminaplein (huidig adres Jalan Pemuda). Eén blik op het gebouw maakt begrijpelijk waarom het in het Javaans bekend staat als ‘Lawang Sewu’ en in het Indonesisch als ‘Seribu Pintu’; beide betekenen: duizend deuren. Bert Johan Ouëndag (1861-1932) ontwierp het met hulp van Cosman Citroen (1881-1935). Ze leverden hun ontwerp in 1902, begin 1904 ging de eerste spade de grond in en medio 1907 werd het imposante gebouw opgeleverd. In Semarang staat het, tegenwoordig als museum, nog altijd te pronken.

Moskee te Kota Radja, Atjeh
De Grote Moskee in Kota Radja in 1925. (Leiden University Libraries, KITLV)

Dat Nederlandse architecten in Indië ook kerkgebouwen ontwierpen zal niemand verbazen, dat ze tevens tekenden voor belangrijke moskeeën wellicht wel. Maar geschoolde Indonesische architecten waren er in die tijd nog niet. Neem de Masjid Raya (grote moskee) Baiturrahman in Banda Aceh (voorheen Kota Radja) op Sumatra. Die is ontworpen door Gerrit Bruins (1834-1922). Het gebouw werd opgeleverd in 1881, midden in de Atjeh-oorlog. Atjehse moslims beschouwen de moskee als zo heilig dat ondergetekende begin jaren negentig werd tegengehouden toen hij nietsvermoedend een voet zette op de onderste van de paar treden die leiden naar het platform waarop de moskee staat. In de jaren dertig van de twintigste eeuw is het godshuis aanzienlijk uitgebreid.

Istiqlal-moskee in Jakarta
Istiqlal-moskee in Jakarta (CC BY 3.0 – musnahterinjak – wiki)

Voor wat de reusachtige Istiqlal-moskee in Jakarta zou worden, werd een prijsvraag uitgeschreven, maar in 1955 kwam er geen winnaar uit de bus. Tweede werd de Indonesische architect Friedrich Silaban (1912-1984), derde de Nederlander Johannes Martinus (Han) Groenewegen (1888-1980). In 1959 werd besloten met het plan van Silaban verder te gaan. Bij de uitwerking trad Groenewegen op als mede-architect. Anders dan andere Nederlanders had hij Indonesië niet hoeven verlaten, waarschijnlijk omdat hij had gekozen voor het Indonesische staatsburgerschap. In de jaren 1956-1966 werkten Silaban en hij nauw samen.

Simon Snuijf (1880-1944) ontwierp in 1909 het post- en telegraafkantoor voor de Noord-Sumatraanse plantershoofdstad Medan. Kenmerkend is het grote, halfronde glas-in-lood-raam in de voorgevel. Het glas-in-lood kwam van atelier Gips in Den Haag, de keramische tegels voor het gebouw werden gemaakte door de Porceleyne Fles in Delft. Rond de opening van het gebouw in 1913 was er veel kritiek: de plek zou niet deugen, het ontwerp evenmin. Anno 2026 staat het gebouw nog steeds als prominent herkenningspunt in het centrum van Medan en het fungeert nog altijd als postkantoor.

Het postkantoor in Medan in 1920.
Het postkantoor in Medan in 1920. (Leiden University Libraries, KITLV)

Architect Willem Marinus Dudok (1884-1974) verzorgde geen enkel ontwerp voor een gebouw in Indië. Wel is zijn invloed hier en daar goed te zien. In het Oost-Javaanse gouvernementsgebouw in Surabaya bijvoorbeeld. Een foto van dat gebouw en een van Dudoks beroemde raadhuis in Hilversum maken de invloed van de Nederlandse bouwmeester in één oogopslag duidelijk. Het bouwwerk in Surabaya kan volgens Passchier worden beschouwd als het ‘magnum opus’ van Wijnand Lemei (1892-1945). Hij ontwierp het in 1927, in 1931 werd het opgeleverd. Anno 2026 zetelt de gouverneur van de Indonesische provincie Oost-Java er nog steeds.

raadhuis dudok en indie
Het gouvernementsgebouw in Surabaya in 1951. (CC BY-SA 3.0 – Wereldmuseum – wiki) en rechts Dudoks raadhuis in Hilversum. (Foto Ronald Frisart)

Dudok mag voor Indië dan geen enkel gebouw hebben ontworpen, iets anders staat wel op zijn naam: het monument in de Europese wijk Menteng in Batavia voor de in zijn eigen tijd nog zeer gewaardeerde luitenant-generaal, later gouverneur-generaal Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924). Het twaalf meter hoge, twintig meter lange monument, waarvoor Hendrik van den Eynde (1869-1939) het beeldhouwwerk verzorgde, werd in 1932 onthuld. In het onafhankelijke Indonesië werd met de sloop begonnen in januari 1953. Drie maanden later was er niets meer van te bekennen.

Het Van Heutsz-monument in Batavia
Het Van Heutsz-monument in Batavia, ca. 1940 (KITLV 45053)

Watertoren te Palembang
Stadhuis en watertoren in Palembang rond de oplevering. (Leiden University Libraries, KITLV)
Een hoogst eigenaardige combinatie, in de woorden van Passchier ‘misschien wel het merkwaardigste gebouw uit de koloniale nadagen’, zijn het stadhuis en de watertoren in Palembang (Zuid-Sumatra). Ook deze zijn ontsproten aan het brein van de al genoemde Simon Snuijf. Kort na het besluit in 1928 om hem de opdracht te geven voor een watertoren in het centrum ontstond in de gemeenteraad een nieuw debat. Het oude stadhuis werd vergeleken met een oude schuur, gevonden werd dat het volstrekt niet meer voldeed aan de eisen van de tijd. De opdracht aan Snuijf werd bijgesteld. Hij moest een watertoren ontwerpen met daaronder ruimte voor de gemeentelijke secretarie. Het eindresultaat, aan de toenmalige Stadhuisweg (nu Jalan Merdeka) was bij oplevering in 1931 een nieuw stadhuis van twee verdiepingen met daar bovenop een 37 meter hoge watertoren. Inmiddels is de watertoren buiten gebruik en fungeert het voormalige stadhuis als het kantoor van de burgemeester. Het gebouw is aangemerkt als nationaal erfgoed.

Als laatste voorbeeld van architectuur in Indië een gebouw dat op zichzelf niet zo bijzonder is, maar wel bijzondere historische betekenis heeft gekregen. Toen Indonesië en Nederland in 1946 onderhandelden over een akkoord tijdens hun oorlog (1945-1950) deden ze dat in het Javaanse bergdorp Liggarjati, ten noorden van de stad Cirebon en op de flanken van vulkaan Ciremai. Plaats van samenkomst was het zeer ruime huis (nu een museum) van de etnisch-Chinese Indonesische familie Kwee. Oorspronkelijk was het pand eigendom van architect Jacobus Johannes (Koos) van Os (1894-1934).

Linggajati huis
Het grote huis waar in Linggarjati werd onderhandeld. (Wiki, Jie73, CC-BY-SA 3.0)

Hij ontwierp in Linggarjati in 1928 zeven villa’s, waarvan hij die ene hield voor eigen gebruik. Van Os overleed in 1934 waarna het pand kennelijk is verkocht. Het daar gesloten akkoord leidde tot niets. In de Tweede Kamer werd het door de motie Romme-Van der Goes van Naters ‘aangekleed’. Dat viel in Indonesië slecht, maar er waren meer redenen waarom de Republiek Indonesië het akkoord naar de prullenbak verwees, net als het Nederlandse parlement in feite had gedaan met de voor Indonesië onaanvaardbare bijstelling via die motie.

Tamelijk compleet

Architecten en hun werk in Indonesië 1860-1960Ter afronding nog dit. Passchier is verstandig genoeg om te noteren dat hij niet pretendeert dat zijn inventarisatie van feiten compleet is. Er zijn nog zaken onbekend, al is het maar iemands geboorteplaats of -datum. Mogelijk komen later nog aanvullende gegevens op tafel, er zullen ook feiten zijn die voor altijd verloren zijn gegaan.

Toch wijst veel erop dat dit boek wel zo’n beetje alles bevat wat er, althans bij de huidige stand van zaken, te weten valt over de Indische architectenwereld in de periode 1860-1960. Om de lezer te helpen wordt het geheel gelukkig ontsloten door twee registers: een met de namen van personen, instellingen en bedrijven en een met die van plaatsen en projecten.

×