Sinds 1848 zijn er al heel wat premiers geweest, maar pas in 1983 wordt de functie genoemd in de Nederlandse grondwet. Voor die tijd, zeker tot 1945, bestond ze ook, maar ze had een tamelijk low profile karakter. De premier was zelden meer dan een primus inter pares (eerste onder gelijken). Hij – tot op heden zijn er geen vrouwen geweest die de post bezetten – vervulde doorgaans alleen het technisch voorzitterschap van de ministerraad.
In de negentiende eeuw bestond zelfs de gewoonte de post te laten rouleren: elk jaar was een andere minister voorzitter van de ministerraad. Dat kon ook omdat een ministerraad betrekkelijk kleurloos was. “De meeste kabinetten vanaf 1848 tot begin twintigste eeuw hadden geen duidelijke politieke kleur (…). Ze zaten zelden langer dan twee jaar en er was een regelmatig verloop van ministers.”
Historicus Remieg Aerts schrijft dat in het boek De minister-president. Een ambt in ontwikkeling, waarin een aantal geschiedkundigen, politicologen en staatsrechtgeleerden zijn licht laat schijnen over deze functie.
Volgens Aerts is de situatie na de oorlog wel veranderd. Maar dat ging langzaam. “De enige vooroorlogse minister-president die de premiersrol al bijna op de tegenwoordige manier vervulde, is Hendrikus Colijn geweest,” schrijft de auteur over de ARP-leider die in de jaren twintig en dertig de post een tijdlang bezette.

Aparte positie
Maar pas na de oorlog werd de ‘aparte positie’ van de premier vastgelegd, aldus Henk te Velde, een andere historicus die ook aan het boek heeft meegewerkt. “De minister-president werd opgenomen in het Reglement van Orde voor de ministerraad; pas toen bestond er officieel een permanente premier.”

Dat de minister-president zich – zij het informeel – ontwikkeld heeft tot ‘de baas van het spul’ komt vooral door zijn positie in de EU. Als enig lid van de regering heeft hij in Brussel zitting in de Algemene Raad van staatshoofden en regeringsleiders. Dat geeft hem een forse informatievoorsprong, want de beraadslagingen in dit orgaan zijn in beginsel vertrouwelijk. In de Tweede Kamer is zijn rol hierdoor belangrijker geworden. Bij de gemiddelde Nederlander geldt de premier als de meest gezaghebbende politicus.
Status
Het zal vooral zijn status als ‘de baas’ zijn geweest die het gewezen Kamerlid Sylvana Simons (Bij1) ertoe bracht een motie in te dienen om de zittingstermijn van de premier tot acht jaar te beperken. Daarna zou hij moeten aftreden.
Hoewel de motie werd verworpen, blijft Te Velde een groot voorstander van deze constructie, zo blijkt uit zijn bijdrage. Het is onduidelijk welk probleem ermee zou worden opgelost. Premiers die langer dan acht jaar zitten zijn betrekkelijk zeldzaam. Bovendien is het de vraag hoe blij ze bijvoorbeeld bij de VVD zouden zijn geweest als Mark Rutte al aan het begin van zijn derde termijn had moeten aftreden, want toen zaten de acht jaar er op.
Over Rutte gesproken: zijn naam duikt wel erg vaak op in dit boek. Natuurlijk is hij de langstzittende premier ooit geweest en ook nog recent, maar dan nog.
Vrouw

De minister-president is een interessant boek. Helaas wordt het regelmatig ontsierd door ‘deskundologenproza’ als: “De realisatie van partij-programmatisch gearticuleerd beleid bracht de versmelting van politiek en bestuurlijk leiderschap dichterbij.” Zoiets moet toch ook op een begrijpelijker manier te zeggen zijn?
Het Torentje in Den Haag – Werkplek van de minister-president
Lijst van alle Nederlandse premiers (1848-heden)
Bonn of Berlijn, de strijd om de Duitse hoofdstad
De broedertwist tussen Helmut Kohl en Franz Joseph Strauß
Jimmy Carter verwierf de bijnaam “The Great Peacemaker”