‘Gewaardeerde tegenpartijder’
De anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) en de antirevolutionair Abraham Kuyper (1837-1920) waren hun leven lang verklaarde tegenstanders. Beiden legden al vroeg het predikantschap neer om in de politiek te gaan, maar waar Domela Nieuwenhuis afscheid nam van de kerk om vrijdenker te worden, werd Kuyper na zijn bekering in Beesd overtuigd calvinist.

De stakingen tegen deze ‘worgwetten’ liepen echter op een fiasco uit, terwijl Kuyper in het parlement triomfeerde. Voor Domela Nieuwenhuis was de nederlaag van de stakers een ontgoochelende ervaring, al weigerde hij zijn revolutionaire idealen op te geven:
We leggen ons bij die wetten niet neer. De beroering moet voortgaan, totdat de wetten onmogelijk gemaakt zijn. Laat ze wetten maken zooveel ze willen, maar men kan ze niet uitvoeren. Wij fluiten op al die wetten, die gemaakt zijn om onze beweging te dooden, want zij is niet te dooden! Er zullen slachtoffers zijn, als in alle oorlogen, maar het bloed der martelaren is het zaad der vrijheid.2
Enkele jaren later vierde Kuyper zijn zeventigste verjaardag, die met een uitbundig huldebetoon gepaard ging. Onder de velen die hem gelukwensten was ook zijn oude tegenstander Domela Nieuwenhuis. In een uitvoerige en curieuze brief van 29 oktober 1907 spaarde hij de jarige ARP-leider niet en hekelde hij met name diens optreden tegen de stakers van 1903.3 Des te opmerkelijker is het dat hij ook uiting gaf aan zijn respect voor Kuyper en niet alleen oog had voor de verschillen maar ook voor de overeenkomsten tussen hen beiden. Op een toon die vrij was van elke animositeit gaf Domela Nieuwenhuis een afgewogen oordeel over zijn ‘gewaardeerde tegenpartijder’, die hem enkele jaren tevoren nog zo’n bittere nederlaag had bezorgd. Ook dat maakt de brief tot een klein document van historische en psychologische betekenis.
Misschien, ja waarschijnlijk zult gij vreemd opzien onder de vele brieven, die gij ontvangt, er ook een van mij te ontvangen, want sinds jaren staan wij vlak tegenover elkander. En dat is er niet beter op geworden sinds het jaar 1903, toen gij als minister de werkstaking hebt verpletterd op een alles behalve christelijke manier, of liever juist op een christelijke wijze, want het was op eenzelfde wijze dat de christelijke kerk altijd optrad tegen haar vijanden. Maar ik bedoelde in strijd met de leer van Jezus, dien gij zegt uw Heer en Heiland te zijn. Intusschen, men heeft u de schuld gegeven van hetgeen allen tezamen hebben gedaan. Immers, in die dagen waart gij de held der liberalen en deze maakten het u ook mogelijk uw wetten erdoor te krijgen. Ja, de eigenlijke schuld zit nog dieper, want het is het gezag dat u en elk gezagsman dwingt tot dergelijke stappen.

Ik heb het betreurd dat gij u hebt laten verleiden om de regeering in handen te nemen, want mij dunkt als gij zelf uw leven nagaat, dan moet deze periode voor u de treurigste zijn geweest uit uw geheele leven, een periode die er voorwaar niet toe heeft bijgedragen om uw naam te vereeuwigen. Ik durf u zelfs te zeggen dat gij in die jaren meer hebt bedorven dan gij in al die andere jaren hebt gewrocht. Gij zult en gij kunt geen voldoening hebben voor uzelven over dat tijdvak, dat gij mocht wenschen uitgewischt te zien uit uw leven.
Overigens, uw en mijn leven hebben te veel trekken van verwantschap dan dat men niet daarop de aandacht zou vestigen. Gij en ik, wij zijn beiden buitengemeen geliefd en buitengemeen gehaat. Nog herinner ik mij, hoe ten jare 1888 een bekend Hagenaar zei, dat de rust van ons land pas hersteld zou worden, als men drie mannen een kop kleiner had gemaakt: Schaepman, Kuyper en Domela Nieuwenhuis. Zoo stonden wij op hetzelfde lijstje van de wenschen van velen in den lande. Ik kan mij dus zoo best in uw leven indenken. Maar uw weg liep niet zoozeer over Golgotha als de mijne, integendeel, gij beklomt het gestoelte der eer en in den regel kan men zien dat het lijden meer loutert dan de roem en grootheid.
Intusschen, dit alles neemt niet weg, dat men kan waardeeren de groote geestesgaven ook van den principieelen tegenstander, ja soms heb ik bij het genieten uwer geschriften meermalen gedacht, dat wij in den grond der zaak zoo ver niet van elkander afstonden. Er zijn heele stukken uit uw geschriften die ik zoo kon overnemen en die ik ook gebruikte in mijn redevoeringen. Alleen de klove des geloofs lag tusschen u en mij. Maar juist daarom betreurde ik uw val – veroorloof mij dat woord, dat ik zonder kwade bedoeling gebruik – want zoo zettet gij niet de kroon op uw werk, integendeel gij haaldet die er zelf af. Vooral in de geschiedenis van dezen onzen tijd zal dit eenmaal blijken, als zij onpartijdig wordt geschreven.
Met uw talenten hebt gij gewoekerd op een zelden geëvenaarde wijze, maar helaas! niet altijd ten zegen. Eigenaardig dat wij elkander nooit persoonlijk ontmoet hebben, maar wees verzekerd dat ik u in die lange rij van levensjaren steeds met de grootste belangstelling heb gevolgd. En zou ik nu achterwege blijven, om tegenover u uit te spreken dat ik in u steeds heb gezien den eminenten leider eener partij, die in beginsel lijnrecht tegenover mij stond maar die er een beginsel op nahoudt. Wie uw toelichting op het antirevolutionair program heeft gelezen, die moet een onvergetelijken indruk krijgen van den man, die zoo’n meesterlijke toelichting gaf.5 In dat opzicht staat gij hemelhoog in vergelijking met de liberalen en wanneer het u gelukt is de liberalen een gevoeligen slag toe te brengen – en ik heb daartoe het mijne ook bijgedragen – dan geloof ik dat daardoor het terrein zuiverder is geworden en nog meer zal worden. Want de eindstrijd zal gestreden moeten worden tusschen u en mij, niet als personen, want dan zijn wij beiden reeds lang van het wereldtooneel verdwenen, maar als vertegenwoordigers van twee beginselen, namelijk het geloof en de anarchie.
Reeds vroeg ik te veel van uw geduld in dagen, die u zeker overstelpen met brieven, maar waar ik u een bewijs van waardeering bracht op dezen dag, daar meende ik dit eenigszins te moeten omschrijven.
Geloof mij intusschen, met den eerbied, dien men verschuldigd is aan een man van groote talenten, uw dienstwillige F. Domela Nieuwenhuis.
2 – A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland (E.J. Brill, Leiden 1935) 519.
3 – Kuyper-Archief, inv.nr. 132.
4 – De sociale en vooruitstrevende reputatie van de Franse radicale politicus Georges Clemenceau kreeg een geduchte knauw, toen hij als minister van Binnenlandse Zaken en premier (1906-1909) hard optrad tegen stakingen en sociale onlusten. Evenals Kuyper enkele jaren eerder voerde hij een wettelijk stakingsverbod voor ambtenaren in. Het maakte hem gehaat bij zijn vroegere bondgenoten, de socialisten.
5 – Kuypers uitvoerige en gedetailleerde toelichting op het program van beginselen van de Antirevolutionaire Partij beslaat ruim 1250 pagina’s in druk. Het verscheen in maart 1879 bij J.H. Kruyt te Amsterdam in boekvorm onder de titel ‘Ons Program’, met Bijlagen.
Ferdinand Domela Nieuwenhuis, van dominee tot anarchist
De ‘apostel der arbeiders’ betrok in 1903 een fraaie villa in Hilversum
Geen lont in het kruitvat – Vrij-socialisten en anarchisten in Noord-Nederland
Abraham Kuyper – ‘Klokkenist der kleine luyden’Blijf op de hoogte van nieuwe artikelen
Abraham Kuyper en de eerste politieke partij
Het dodenmasker van Abraham Kuyper
Ex-premier Kuyper en hoogleraar Schillebeeckx naakt betrapt