Nieuwe biografie van omstreden politicus Hendrik de Man

11 minuten leestijd
Hendrik de Man
Hendrik de Man - detail van de boekcover

Het is uitzonderlijk dat een Belgisch politicus recht heeft op meer dan één biografie, maar van Hendrik de Man is zopas een derde biografie in het Nederlands verschenen (naast biografische artikelen, in meerdere talen). Het gaat dan ook over een boeiend en interessant persoon, die tegelijk zeer omstreden was. Een man die ooit beschouwd werd als een van de voornaamste theoretici van het moderne socialisme, maar die later veroordeeld werd wegens collaboratie.

De auteur, Mieke Van Haegendoren, was hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Hasselt en schreef al in 1972 (meer dan een halve eeuw geleden!) Hendrik De Man, een biografie. Met dit nieuw werk heeft ze naar eigen zeggen meer de vraag gesteld hoe het met de mens Hendrik de Man is vergaan. De titel Hendrik De Man, visionair of verrader? maakt duidelijk dat ze een oordeel wil geven over deze omstreden maar ook ongewone figuur.

Het leven van Hendrik de Man

Hendrik de Man
Portret van Hendrik de Man – LiberaS, uit Het Belgisch parlement 1894-1969
Hendrik de Man werd in 1885 in Antwerpen geboren in een burgerlijke, liberale, Vlaamsgezinde en artistieke familie. Al heel jong was hij sociaal geëngageerd, wat hem soms in botsing met zijn vader bracht. Op zijn zeventiende sloot hij zich aan bij de jongerenbeweging van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), zoals de socialistische partij toen heette, waar hij een tijd tot de uiterste linkervleugel behoorde.

Na een tijd in Brussel en vooral in Gent te hebben gestudeerd, waar hij ook politiek actief was, verhuisde hij naar Leipzig in Duitsland, waar hij werkte voor een sociaaldemocratische krant en tegelijk afstudeerde in de psychologie. Hij leerde er prominente marxisten kennen. Vanaf 1910 werkte hij voor de Centrale voor Arbeidersopvoeding van de BWP, maar deed vanwege zijn talenkennis ook dienst als tolk op internationale bijeenkomsten van socialistische leiders, die vaak in Brussel plaatsvonden.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde De Man zich als vrijwilliger voor het Belgisch leger. Hoewel hij een overtuigd pacifist was en bleef, toonde hij zich een uitstekend militair en bracht het tot officier. Na de oorlog vestigde hij zich in Duitsland waar hij onder meer les gaf aan de sociaaldemocratische Akademie der Arbeit en zich vooral concentreerde op de theorieën over het socialisme. Later, na een tijd in Zwitserland te hebben verbleven, werd hij docent aan de universiteit van Frankfurt.

Zum Psychologie des Sozialismus hendrik de man
 
Zijn boek Zum Psychologie des Sozialismus (1926) bezorgde hem internationale faam als politiek denker. Hierin beschouwde hij het marxisme als voorbijgestreefd: het was duidelijk dat de klassenstrijd niet vanzelf zou uitlopen in de vernietiging van het kapitalisme, zoals Marx had beweerd. De socialistische beweging moest volgens hem een meer algemene strijd voeren voor sociale rechtvaardigheid en solidariteit, en niet enkel de belangen van de arbeidersklasse verdedigen, maar die van de hele bevolking. De Man werd met dit werk een van de belangrijkste theoretici van het socialisme, hoewel lang niet alle sociaaldemocraten het met hem eens waren, ook niet in zijn eigen land.

Na de machtsovername van Hitler in Duitsland keerde De Man terug naar België. Hij legde de BWP toen een concreet plan voor om uit de toen heersende diepe economische crisis te geraken. Dit Plan van de Arbeid hield in dat de overheid fors zou ingrijpen in de economie. Hij wist hiermee de partij een nieuw elan te geven. De BWP begon een grootscheepse campagne voor het Plan van de Arbeid. De Man, die tot dan vrijwel onbekend was bij het grote publiek, werd het grote boegbeeld van de campagne.

Hoewel het Plan van de Arbeid nooit als zodanig zou worden gerealiseerd, traden de socialisten in 1935 toe tot een regeringscoalitie die bepaalde aspecten van het Plan zou uitvoeren. De Man werd hierin minister van Openbare Werken en Werkverschaffing. Na de verkiezingen van 1936 werd hij minister van Financiën. Nog geen twee jaar later nam hij echter ontslag, na verzet tegen zijn belastingvoorstellen. Intussen had hij – in 1937 – tevergeefs geprobeerd zelf een regering te vormen.

Hij werd daarna nog voorzitter van de BWP en bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (september 1939) voor enkele maanden minister zonder portefeuille. Een echte politicus was hij volgens Van Haegendoren evenwel niet. Hij zag zichzelf als een technicus. Hij was nooit kandidaat bij verkiezingen en besteedde geen tijd aan bijeenkomsten van de partij of contacten met gewone partijleden en kiezers.

Zijn ministerschap zorgde wel voor een persoonlijke relatie met koning Leopold III. Vanwege hun gemeenschappelijke belangstelling, onder meer voor de natuur, ontstond tussen beide mannen een ongewone vriendschap, die politieke gevolgen zou hebben. De Man steunde Leopolds opvatting dat België zich bij een komende oorlog strikt neutraal moest houden. Daarin verschilde hij van de meeste socialisten, die omwille van hun antifascistische houding Duitsland als het grote gevaar zagen.

Hendrik de Man ca. 1935
Hendrik de Man, ca. 1935
De Man was officier in het Belgisch leger toen het Duitse leger op 10 mei 1940 België binnenviel. Leopold III gaf hem toen de opdracht zijn moeder, koningin Elisabeth, te begeleiden. In die hoedanigheid had hij tijdens die cruciale meidagen veel contact met de koning. Toen het Belgisch leger op 28 mei moest capituleren, raadde hij de koning aan om in België te blijven, wat deze ook deed, terwijl de regering naar Frankrijk was uitgeweken om de strijd voort te zetten.

De Man werd even een belangrijk adviseur van Leopold III toen deze na de capitulatie als krijgsgevangene naar zijn residentie in Laken was overgebracht. De koning heeft er toen ernstig aan gedacht hem aan het hoofd te plaatsen van een nieuwe regering, die met Duitsland over vrede zou onderhandelen. Dat voornemen ging niet door omdat de Duitse bezetter de gevangen koning verbood om nog politieke daden te stellen. De Man zelf verloor kort daarop alle contacten met Leopold.

Intussen richtte hij als partijvoorzitter op 28 juni een “manifest” aan de leden van de BWP dat hem zeer kwalijk zou worden genomen. Hij zei hierin dat door de Duitse overwinning de rol van de partij was uitgespeeld en riep op om hieruit lessen te trekken en geen weerstand te bieden tegen de bezetter want…

…De oorlog is uitgeloopen op de ineenstorting van het parlementaire stelsel en van de kapitalistische geldheerschappij in de zoogenaamde demokratische landen. Verre van een ramp te zijn, is deze ineenstorting van een vermolmde wereld voor de werkende klassen en voor het socialisme een verlossing.

Deze oproep kreeg in het begin de steun van een beperkt aantal socialisten. Net als De Man waren velen er immers van overtuigd dat Duitsland de oorlog gewonnen had en dat iedereen zich daarnaar moest schikken. Maar uiteindelijk zette de socialistische partij haar activiteiten clandestien voort, zonder De Man.

Hij speelde nog een rol in de poging om bij het begin van de bezetting een eenheidsvakbond op te richten. De vakbonden van diverse strekking probeerden hun werking zoveel mogelijk voort te zetten, maar de bezetter wilde maar met één vakbond onderhandelen. Die eenheidsvakbond kwam er inderdaad eind 1940, maar kort daarna beslisten de christelijke, socialistische en liberale vakbonden de boot af te houden. De nieuwe Unie voor Hand- en Geestesarbeiders kwam in handen van collaborerende Vlaams-nationalisten, waarmee De Man niets te maken wilde hebben. Toen hij daartegen bij de bezettende overheid protesteerde, werd hem een spreekverbod opgelegd.

Bericht in 'Het Vrije Volk' over de veroordeling van Hendrik de Man, 13 september 1946
Bericht in ‘Het Vrije Volk’ over de veroordeling van Hendrik de Man, 13 september 1946 (Delpher)
De Man begreep toen dat zijn rol was uitgespeeld. Eind 1941 verhuisde hij naar de Franse Alpen, waar hij als een kluizenaar in een afgelegen berghut leefde en zijn tijd besteedde aan wandelen en boeken schrijven, hoewel hij af en toe nog een bezoek bracht aan België. Toen de geallieerde legers in augustus 1944 door Frankrijk oprukten, vluchtte hij te voet naar Zwitserland, waar hij asiel kreeg, mede door de steun van een bevriend Zwitsers socialist.

De Man vestigde zich voorgoed in Zwitserland. In 1946 veroordeelde een Belgische krijgsraad hem bij verstek tot twintig jaar gevangenisstraf en een forse schadevergoeding wegens collaboratie. Als gevolg daarvan mochten zijn boeken in België niet meer gepubliceerd worden. Hij bracht zijn laatste jaren in moeilijke omstandigheden door, zonder vast inkomen. In 1953 kwam hij om toen zijn auto op een Zwitserse spoorovergang werd aangereden door een trein.

Controverse

Deze nieuwe biografie kan niet los gezien worden van de controverse die rond Hendrik de Man is blijven woeden, zeker binnen Vlaamse socialistische kringen. Voor de enen was hij een collaborateur, een al dan niet verkapte fascist, voor de anderen heeft hij alleen korte tijd de verkeerde kant gekozen en blijft hij belangrijk als theoreticus van het socialisme. Van Haegendoren staat duidelijk in het tweede kamp.

Dit werk lijkt een reactie te zijn op de biografie van de Nederlandse historicus Jan Willem Stutje uit 2018.1 Hierin gaf Stutje een bijzonder negatief beeld van De Man, als politicus en als privé-persoon. Stutjes boek leidde tot een reactie van onder meer het Belgische socialistische oud-parlementslid Lode Hancké, gewezen voorzitter van de Vereniging voor de studie van het werk van Hendrik de Man. In haar nieuwe boek dankt Van Haegendoren uitdrukkelijk dezelfde Lode Hancké voor zijn hulp bij de totstandkoming ervan.

Hancké verweet Stutje een gebrek aan belangstelling voor het theoretische werk van De Man, terwijl deze anderzijds zowat overal fascistische en antidemocratische trekken in zijn geschriften meende te vinden. Volgens Hancké interpreteerde Stutje bovendien bepaalde aspecten van het privéleven van De Man op een heel subjectieve wijze.

Het boek van Jan Willem Stutje over Hendrik de Man
Het boek van Jan Willem Stutje over Hendrik de Man
Van Haegendoren formuleert in een nawoord van haar boek soortgelijke kritiek. Zo merkt ze op dat Stutje De Man als een antisemiet bestempelt omdat hij in zijn memoires niets vermeldde over zijn joodse (tweede) echtgenote, alsof hij daarover beschaamd zou zijn geweest. Maar, zo voegt ze eraan toe, dat deed hij ook niet over zijn niet-joodse (eerste) echtgenote!

Deze nieuwe biografie waarschuwt ervoor dat het werk van De Man in de juiste historische context moet worden geïnterpreteerd. Zo pleitte hij voor “corporatisme”, een stokpaardje van het (vooral Italiaanse) fascisme. Maar dat begrip is niet door fascisten uitgevonden en bestond al veel langer. Wat De Man met corporatisme bedoelde was volgen Van Haegendoren niet veel meer dan een geregeld sociaal overleg tussen werknemers en werkgevers zoals we dat nu kennen. Ook was de sceptische houding van De Man tegenover de parlementaire democratie – waarin hij in zijn tijd lang niet de enige was – niet hetzelfde als met een antidemocratische opstelling. Al in 1920 schreef hij dat men democratie niet moet verwarren met parlementarisme.

Van Haegendoren kiest dan ook helemaal partij voor De Man en beëindigt haar boek met een waar pleidooi, waarin ze wil aantonen dat de vroeger BWP-voorzitter ten onrechte schuldig werd bevonden aan collaboratie. Sterker, ze ziet hierin een gevolg van een ware lastercampagne van zijn vroegere kameraden die tijdens de oorlog in Londen verbleven. Achter zijn veroordeling ziet ze zelfs een complot.

Haar argumenten houden mijns inziens niet altijd steek. Zo wijst ze er meermaals op dat sommige prominente socialisten in 1940 een tijdlang zijn kant kozen, maar later in het verzet zijn gegaan. Onder hen Achille Van Acker, die op het einde van de oorlog premier werd. Feit is dat De Man niet dezelfde keuze heeft gemaakt en aan de “foute” kant is blijven staan. Zelfs toen hij al een tijd in zijn Franse berghut woonde, ging hij een lezing houden in de exclusieve Cercle Européen in het bezette Parijs: hij had het daar – in 1942 – over Frans-Duitse verzoening en samenwerking binnen een Europa onder Duitse overheersing! Hij deed dit op uitnodiging van de bekende Franse neo-socialist Marcel Déat, die soortgelijke ideeën als De Man koesterde, maar wel zwaar collaboreerde en minister in de Vichy-regering zou worden. Van Haegendoren toont vrij overtuigend aan dat de nazi’s hem niet vertrouwden, maar is dat een excuus? Dat wantrouwen lijkt hem net te hebben behoed dieper in de collaboratie weg te zakken.

Deze biografie geeft wel een boeiend beeld van Hendrik de Man, als politicus en mens. De lezer krijgt veel uitleg over de politieke en sociale omstandigheden van de tijd waarin hij actief was. Dat maakt het boek zeker interessant voor wie de Belgische historische context niet goed kent. Van Haegendoren geeft ook interessante uitleg over de wortels van het Plan van de Arbeid en de economische denkers bij wie De Man inspiratie vond, maar nu ten onrechte zijn vergeten, terwijl hun ideeën nu meestal aan de Brit John Maynard Keynes worden toegeschreven.

Eerdere publicatie van Mieke Claeys-Van Haegendoren, uit 1972
Eerdere publicatie van Mieke Claeys-Van Haegendoren, uit 1972
Helaas bevat het boek veel onjuistheden en storende fouten, zoals af en toe een foute spelling van eigennamen, lapsussen met de gebruikte termen en een verkeerde chronologie, maar ook regelrechte verzinsels. Zo lezen we dat de Centrale voor Arbeidersopvoeding, waar De Man ooit de leiding had, kon bestaan door de financiële steun van de bekende grootindustrieel en filantroop Ernest Solvay en die steun kwam er volgens Van Haegendoren omdat Solvay en de socialistische partijleider Émile Vandervelde elkaar regelmatig ontmoetten in een Brusselse vrijmetselaarsloge. Zo zal het wel niet zijn gegaan, want Solvay was geen vrijmetselaar. Ook vindt ze het nodig bij het begin van de Eerste Wereldoorlog de “slag bij Langemark” te vermelden, waar in november 1914 een “Kindermord” plaatsvond, met “korporaal Adolf Hitler” als “een van de ooggetuigen”. Dat ze de Duitse propaganda over de Langemark-mythe overneemt (piepjonge soldaten die zingend de heldendood zouden zijn gestorven), is bedenkelijk, maar Hitler (die toen nog geen korporaal was) hiervan een ooggetuige noemen, is onzin.

Over de Tweede Wereldoorlog doet ze het niet beter. Volgens haar betekende het einde van de Slag om Engeland (31 oktober 1940) dat Duitsland stopte met bombardementen op de Britse steden, maar in werkelijkheid bleven die tot in mei 1941 voortduren. Vreemd is ook dat ze beweert dat Leopold III zich op de eerste dag van de Duitse invasie “via de radio rechtstreeks tot de bevolking (had) gericht”. Dat is zonder meer onjuist.2 Soms is het onbegrijpelijk waar die fouten vandaan komen, zeker daar de tekst geen bronvermeldingen bevat.

Erger wordt het wanneer Van Haegendoren de Belgische context van de Tweede Wereldoorlog nogal verdraaid voorstelt. Zo vergelijkt ze de (omstreden) keuze van Leopold III om in België te blijven met die van de Nederlandse koningin Wilhelmina, die volgens haar “zwaar tegen haar wil – quasi ontvoerd” haar regering volgde, en die van de Deense koning Christiaan X, die in zijn land bleef en dagelijks een ritje te paard in Kopenhagen kon maken. De bewering over Wilhelmina klopt niet en wat Christiaan X betreft, Denemarken was formeel niet in oorlog met Duitsland: koning, regering en parlement konden de eerste jaren van de Duitse bezetting vrijwel normaal functioneren. Leopold III wist dat hij als opperbevelhebber van een verslagen leger krijgsgevangene zou worden en koos daar bewust voor.

Hendrik De Man - Visionair of verrader?
 
Van Haegendoren vermeldt niet dat de Belgische regering onder leiding van Hubert Pierlot op 28 mei 1940, de dag waarop Leopold III Duits krijgsgevangene werd, de koning in de ‘onmogelijkheid tot regeren’ verklaarde en daarmee diens grondwettelijke bevoegdheden overnam. Pierlot deelde dit diezelfde dag mee in een toespraak op de Franse radio. Van Haegendoren vermeldt die rede wel, maar lijkt die te situeren rond het moment dat het Franse leger capituleerde, zo’n drie weken later. Dit is belangrijk, want door die onmogelijkheid tot regeren kon Leopold sinds 28 mei formeel niet meer als koning optreden, hoewel hij toch een nieuwe regering wilde vormen.

Later merkt ze dan op dat vijf ministers van de regering-Pierlot ‘aangespoeld’ raakten in Londen, waar vier van hen de regering voortzetten. Daarbij schrijft ze “acht ministers bleven in Frankrijk, aanvaardden de Duitse overwinning, en stelden zich neutraal op”. Neutraal? Deze acht ministers behielden contact met hun collega’s, de meesten onder hen kregen later wel zin om naar Londen te gaan en twee hebben dat inderdaad gedaan (plus één minister die in België was gebleven). Dit alles geeft een verkeerd beeld van de Belgische regering in Londen, die internationaal erkend was, beschikte over de Belgische goudvoorraad en het gezag behield over de Belgische kolonie.

Op deze wijze lijkt Van Haegendoren de indruk te wekken dat er geen duidelijke redenen waren om de kant van de regering in Londen te kiezen. Toch hebben velen, de enen iets later dan de anderen, ingezien dat er van het naziregime niets goeds te verwachten was en dat het enige alternatief was de strijd voort te zetten, ook in gevaarlijke omstandigheden. Daaronder veel partijgenoten van Hendrik de Man, die hem daarom zijn oproep om dat niet te doen niet vergeven hebben.

Noten

1 – Stutje, Jan Willem: Hendrik De Man, Een man met een plan. Polis (2018)
2 – Men kan zich afvragen of de auteur zich op een AI-hallucinatie heeft gebaseerd. Een vraag (op 5 mei 2026) over een radiotoespraak van Leopold III op 10 mei 1940 aan de AI-modus van Google gaf een gedetailleerd overzicht van de inhoud! Toch heeft hij toen en ook de rest van de oorlog geen toespraak gehouden.
×