Voorzichtig pleidooi voor invoering van een gemeentelijke kiesdrempel

2 minuten leestijd
stembiljet met rood stempotlood
Een Nederlands stembiljet met rood stempotlood (CC BY 2.5 nl - J.M. Luijt - wiki)

Bij formaties, zowel landelijke als in gemeenten, is het de gewoonte het coalitieakkoord heel serieus te nemen. Dat gebeurt al geruime tijd zo. Het is de vraag of die dichtgetimmerde afspraken leiden tot een coherent bestuur. In de praktijk blijkt ‘geduldig papier’ meestal onwerkbaar.

Die stelling betrekt J.Th J. (Joop) van den Berg in zijn boekje dat niet toevallig Geduldig papier. Formeren in stad en land heet. Van den Berg is onder meer hoogleraar geweest in Maastricht en Leiden en hoofddirecteur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Ook zat hij een tijdje in de Eerste Kamer namens de PvdA (toen die partij nog bestond). Hij maakte verder naam als journalist en columnist. Daarnaast was hij als (in)formateur betrokken bij het tot stand komen van gemeentebesturen in Wassenaar en Maastricht.

Historisch overzicht

Van den Berg begint zijn boek met een historisch overzicht. De eerste formateur was iemand van heel lang geleden, Gerrit Schimmelpenninck, die in 1848 door koning Willem II werd benoemd. Hij werd ook premier, zij het niet voor lang.

De eerste premier met een eigen ministerie (dat van Algemene Zaken) was Willem Schermerhorn, die in 1946 een noodkabinet leidde. Overigens kwamen (in)formateurs na lokale verkiezingen pas na het jaar 2000 in beeld. Collegevorming was tot ver in de vorige eeuw nog eenvoudig.

De gang van zaken tijdens een kabinetsformatie (of de formatie van een college van B en W, dat daar steeds meer op is gaan lijken) is stroperig geworden. De vraag is of alle moeite niet vergeefs is. Vrijwel geen landelijke coalitie blijft vier jaar aan de macht. Ook veel gemeentelijke colleges overleven die periode niet. Het specifiek lokaal probleem is dat er dan geen verkiezingen plaatsvinden. Aan de hand van dezelfde uitslag moet getracht worden een nieuw college tot stand te brengen.

Een van de oplossingen die Van den Berg aandraagt is de invoering van een gemeentelijke kiesdrempel. Een bijzonder probleem in gemeenten is namelijk de lokale minipartij, die zeer frequent voorkomt.

In bosjes raden vallen vier tot zes partijen te tellen – in de stad Utrecht zelfs tien – die slechts één zetel bezetten. Van intern overleg kan er per definitie geen sprake zijn, hoewel dat voor het functioneren van een fractie van groot belang is.

Nationaal niveau

Geduldig papier
 
Van den Berg sluit zelfs een kiesdrempel op nationaal niveau niet uit, hoewel hij zich geen illusies maakt over het effect daarvan. ‘De versnippering van het politieke bestel zou er niet door worden bestreden, want die maakt grote partijen te klein en dat lost een kiesdrempel niet op.’ De auteur denkt overigens wel dat ‘het functioneren van beide Kamers van ons parlement’ door een kiesdrempel wordt verbeterd. ‘De vele spreektijd, door dwergfracties gevuld, zou erdoor tot beter te verdragen proporties worden teruggebracht.’

Helaas zal zijn voorstel wel papier blijven. ‘Een van de weinige daden waartoe de vorige minister van BZK, Judith Uitermark, in staat bleek, was de indiening van een voorstel tot invoering van een kiesdrempel gelijk aan de kiesdeler in alle gemeenten.’ Van den Berg bespot het ministerie omdat het ‘gelet op de negatieve reacties’ niet meer zou durven.

Het probleem van de lijvige coalitieakkoorden zou trouwens niet worden opgelost met de invoering van een kiesdrempel. Zoals het ernaar uitziet blijven de kiezers nog lange tijd getrakteerd worden op lange, onleesbare stukken en gemeente- en landelijke besturen die doen of hun laatste uur geslagen heeft als een coalitiepartij daarvan wil afwijken.

×