Pieter Corneliszn van der Morsch, een burger dartelend tussen luim en geldgewin
Een ernstige burger en een guitige medemens, zo liet Pieter van der Morsch zichzelf portretteren. Eenmaal, een ‘statieportret’ door Frans Hals en andermaal geschilderd als een schalkse zotskap door Cornelis Corneliszn van Haarlem. In die zestiende eeuw vertolkt ‘Piero’, de stadsambtenaar in Leiden, beide ‘rollen’ want ‘Morsch’ laat zich niet kerkeren in een zwart-wit leven en als nar reveleert hij de tweezijdigheid van elk wezen.
Er ontbreekt parmantig één voortand bij de malicieus glimlachende harlekijn. Zijn pover baardje is wat pluizig. Op zijn hoofd prijkt een gele kap met (ezels)oren en belletjes. Geel, de kleur van narren, wordt gebruikt naar de gele gal, een van de vier humoren. Die ‘levenssappen’ kenmerken de menselijke gemoedstoestanden in de oud-Griekse ‘gezondheidsleer’. Te veel gele gal wees – volgens de Griekse ‘arts’ Galenus – op een koleriek en geagiteerd karakter. Zoals een opgehitste nar van jetje kon geven.

Zijn hoofddeksel heeft soms ook een hanenkam. En de luidruchtige bellen die aandacht trekken om te luisteren naar welke (alternatieve) waarheid of schijnbare dwaasheden de nar zal brallen en zo een spiegel voorhouden. Vanaf die ‘humanistische’ zestiende eeuw dartelen narren op het voorplan. Zelfs Erasmus wijst in zijn boek Lof der Zotheid op het belang van die potsenmakers:
De grootste koningen zijn zo verzot op hofnarren dat menig vorst zonder hen niet aan tafel zou kunnen gaan zitten of een stap zou kunnen zetten, noch ook maar één uur zonder hen zou kunnen. Ze waarderen de narren meer dan de gestrenge wijzen, die ze gewoonlijk uit pronkzucht in dienst houden. De zotskappen daarentegen bieden wat de vorsten overal en tegen elke prijs zoeken: vermaak, een glimlach, een schaterlach, het plezier.
Onderaan een van het viertal versies van het guitige portret van Piero door Cornelis Corneliszn van Haarlem prijkt de vermelding:
Gerechts Bood’ van myn stadt, en Rederykers Sot: / Een lid der Akoley’ daar Liefd’ is ’t Fondament: / Een Vryer Tachtig oud, die ’t misdryf heeft bespot / ‘k Ben Piero, LX.N.tyt God weet myn levensent.
‘Piero’ was dus Pieter Cornelisz van der Morsch (1543-1628), de stads- en gerechtsbode in Leiden, maar als ambtenaar blijkt hij soms omstreden. Al zou in de Leidse stadsarchieven een gedichtenbundeltje van hem bewaard zijn… Mogelijks had hij zijn welvaart niet aan zijn beroep als bode te danken maar aan zijn activiteiten als… vishandelaar.
Liefde als basis
Zijn hart haalde Piero op als Kameraar bij de Leidse rederijkerskamer De Witte Ackoleyen. Hun leuze was Liefd’ is ’t Fondament. Die rederijkerskamers waren niet enkel gemoedelijke socialiteiten van (ge)goede burgers die zich amuseerden met theateropvoeringen, woordspelletjes en rijmelarijen. Vaak debiteerden ze tersluiks ook maatschappijkritiek. De Witte Ackoleyen kregen het meermaals aan de stok met de (religieuze) overheid. In 1590 al vroeg de kerkenraad een verbod op de sotternieën. Er volgen jaren van verboden, klachten en controles. Uiteindelijk deemsteren zowat alle rederijkerskamers in de Nederlanden (en al zeker de Zuidelijke) weg.
Elk sijn tijt, het was – merkwaardig – de lijfspreuk van Pieter van der Morsch. Als hoofdman organiseerde hij het landjuweel van Leiden in 1596 en daarbij nodigde hij narren van andere vrolijke gezelschappen uit op zijn ‘rederijkersbruiloft’. Zijn Lusthof van Rhetorica klonk toen zo:
Cort verhael van t Principael, in Leyden bedreven, by Sotten meest, die op Vrou Lors Feest waren verschreven, toen Joncker Mors troude vrou Lors op ’t Leydsche tonneel
Epitaaf
‘Mors’ of Piero, die in het echte leven nooit trouwde, pende behalve meerdere verzen zelf zijn eigen grafschrift:
Hier Leyt Piero
Die deelde Bucken
En was hier Bo
Van In te Rucken
Bucken is bokking of geroosterde haring die langer dan verse vis kon bewaard worden.

Op het statige en toch ook schelmse portret door Frans Hals (1616) met het enigmatische opschrift ‘Wie Begeert’, houdt deftig in het zwart geklede Pieter van der Morsch een haring tegen de borst en heeft hij ook een bussel stro met haringen onder de arm. Er zijn meerdere betekenislagen. In de traditie van de rederkijkerskamer staat ‘Bucken’ voor het leveren van spottende opmerkingen en/of iemand in de maling nemen. Het kan ook iemand grinnikend een spiegel van zijn tekortkomingen voorhouden opdat de man zichzelf zou bijschaven.
Maar de haring kan eveneens verwijzen naar het Leidens Ontzet (1574). Tijdens het beleg van de stad (door de Spanjaarden) werden de opstandige en terugvechtende Watergeuzen voorzien van haring als overlevingsvoedsel.
Als haringen in een ton
Die voedselbedeling was enkel mogelijk als de etenswaren én een langere ‘houdbaarheidsdatum’ én een compacte verpakking kregen. Daarbij was de ontdekking in de veertiende eeuw door Willem… Beukelszoon essentieel. Hij bedacht het kaken, ofwel het wegnemen van kieuwen en ingewanden. De haring werd nadien op het schip in zee bereid, gezouten en (vaak) in tonnetjes ingelegd.
Vergaarde Piero hiermee zijn fortuin en zijn bezittingen? En kwam hierdoor zijn officiële taak als stadsbeambte in het gedrang?
Het taalspelletje in zijn epitaaf gewaagt van ‘bo’, voor ‘bode’ en als gerechtsambtenaar moest hij rucken, boosdoeners vatten. Maar (in)rucken, betekent ook iemand zeer dubbelzinnig plagen of voor de… zot houden.
Pierrot de clown!
– Arjan van Dixhoorn, Repertorium van rederijkerskamers in de Noordelijke Nederlanden 1400-1650, een uitgave van 2004.
– P. J. J. Van Thiel, Frans Hals’ portret van de Leidse rederijkersnar Pieter Cornelisz. van der Morsch, alias Piero (1543-1628) in Oud Holland, Vol. 76, 1961, pp. 153-172.

Hals, de vrolijk schilderende Frans
Het Leidens Ontzet (1574) – Hutspot, haring en wittebrood
Rederijkers – Literaire kunstenaars uit de late Middeleeuwen
Frans Hals – Hollandse meester uit de Gouden Eeuw
Vierhonderd jaar Jan Steen: kind van een bloeiende kunstenaarsstad
Frans Hals: natekeningen onthullen verdwenen details