Vier slaven en de geboorte van de islam
En God heeft sommigen van jullie in weelde en eigendommen boven anderen bevoorrecht, maar zij die bevoorrecht zijn delen hun rijkdom niet met degenen die hun rechterhand bezit (hun slaven), zodat zij daarin gelijk kunnen worden. Verwerpen zij dan Gods genade? Koran, 16:71
Laten we beginnen met het verhaal van Bilaal. We schrijven het Arabisch Schiereiland, een armzalige, stenige uithoek in de woestijn van de Hidjaz, ergens na 610. De zon boven Mekka had zijn hoogste punt bereikt. De hitte was verzengend, het licht oogverblindend. De lucht lag als een smoorhete deken over de tussen twee steile bergen ingeklemde woestijnvallei. Er bewoog niets buiten de vliegen, die gek werden in deze verstikkende bakoven. Geen bomen, geen rivier: er was niets wat de desolaatheid verzachtte. Het was een landschap zonder regen en zonder mededogen, een uitstekend oefenterrein voor vervolging en marteling.

Een vroege volgeling
Bilaal ibn Rabah, een Ethiopische slaaf en kind van slaafgemaakte ouders, lag aan staken vastgebonden op de grond. Hij onderging dit wrede lot omdat hij zich het hoofd op hol had laten brengen door Mohammed, een omhooggevallen, zelfbenoemde profeet. Bilaal had in het openbaar het eeuwenoude veelgodendom afgezworen en was een van Mohammeds eerste volgelingen geworden, en daarmee een van de eerste moslims: ‘zij die zich aan God hebben onderworpen’ (islam betekent onderwerping).*
Mohammed, de oproerige prediker, verstoorde de openbare orde. Hij had jonge mannen en vrouwen allerlei gevaarlijke onzin in het hoofd geplant: dat iedereen, rijk of arm en ongeacht gezindte, kleur of klasse, gelijk was in de ogen van God. Uit dit revolutionaire idee dreigde een beweging te zullen groeien. Er ontstond verdeeldheid, waardoor buren en families tegenover elkaar kwamen te staan. Dat kon zo niet langer: er moest streng worden gestraft om erger te voorkomen. De maatregelen tegen de rijke bekeerlingen waren nog beperkt tot openbare belediging, bedrijfsboycots en het dreigement dat het daar niet bij zou blijven. Maar de armste Mekkanen, bij wie Mohammeds prediking met name was aangeslagen, werden mishandeld, zonder eten of drinken gevangengezet, gemarteld en de woestijn in gedreven.

Eén!
Bilaals eigenaar was een stamhoofd van de Quraish, een Mekkaanse stam die in hoog aanzien stond en waarvan ook Mohammed lid was. Deze Umayya ibn Khalaf, een hooghartige, weldoorvoede man, wierp een minachtende blik op de halfnaakte slaaf op de grond, haalde zijn lange leren zweep tevoorschijn en begon hem te geselen. Steeds opnieuw liet hij de zweep neerdalen, tot een vlechtwerk van striemen Bilaals gezicht en borst tekende. ‘Zweer de islam af,’ schreeuwde hij, ‘of ik vermoord je!’
‘Ahad! Ahad!’ gilde Bilaal met van pijn dichtgeknepen ogen: ‘Eén! Eén!’ Wat hij bedoelde, en wat Mohammed zijn groeiende schare volgelingen had geleerd, was dat er één God was, niet de vele afgoden die de Mekkanen vereerden.
Uit woede zo getart te worden liet Umayya een groot, heet rotsblok op de voor hem uitgestrekte slaaf rollen om hem zo te dwingen zijn nieuwe geloof op te geven. ‘Zeg dat jouw goden Al-Lat, Al-Uzza en Manat zijn!’ beval hij. Bilaal kreeg nauwelijks adem, het enorme gewicht beknelde zijn longen. Maar de halfgesmoorde kreten ‘Ahad! Ahad!’ bleven komen. Hij leefde nog, maar zijn einde naderde.
Vrijgekocht door Aboe Bakr
Aboe Bakr, een succesvolle koopman en naaste Metgezel van Mohammed, hoorde van de foltering en haastte zich erheen. Toen hij zag wat er aan de hand was, wist hij dat hij maar één ding kon doen. Hij appelleerde aan een van Umayya’s slechtste eigenschappen en deed een aanbod dat de hebberige Mekkaan niet kon weigeren: 400 dirham voor Bilaal. Vanuit Umayya bezien was dat een enorm bedrag voor een nutteloze, recalcitrante slaaf. En als hij hem doodde, kreeg hij niets. De koop werd ter plekke gesloten, en even snel als onverwacht kreeg Bilaals leven een nieuwe wending: Aboe Bakr liet de halfdode Bilaal vrij.
Hoewel Bilaal dat toen onmogelijk kon weten, zou de vrijheid hem meer brengen dan hij ooit had kunnen dromen. Hij zou grote daden verrichten en eeuwige roem vergaren in de annalen van de islam. In de tweeëntwintig jaar na zijn vrijmaking zou hij geen moment van Mohammeds zijde wijken, en elke gebeurtenis in het leven van de Profeet, vrolijk of treurig, van strijd of van gebed, was ook een belangrijk moment in het leven van Bilaal. Hij stond Mohammed altijd bij en was een van zijn favoriete sahaba, de geëerde Metgezellen van de Profeet. Hij maakte hem ’s ochtends wakker met een ontbijt van dadels en kamelenmelk, zadelde zijn paarden en dromedarissen en trok ten strijde tegen de vijanden van de moslims, schouder aan schouder met de man die de wereld voorgoed zou veranderen. Bilaals naam wordt al veertienhonderd jaar geëerd.
Een nieuwe tijd

Het waren de begindagen van de islam, en ook voor Bilaal was het nog maar net begonnen. In 624 streed hij aan Mohammeds zijde in de Slag bij Badr, in het eerste islamitische leger ooit. Het behaalde natuurlijk de overwinning – het vocht immers in naam van Allah en met Zijn zegen – op een groter contingent Mekkanen, een voorafschaduwing van de nog veel grotere triomfen die zouden volgen. Na de slag genoot Bilaal het langverwachte genoegen tegenover zijn oude kwelgeest Umayya te staan. De man kromp doodsbang ineen. ‘Ahad! Ahad!’ donderde Bilaal, en hij doorstak hem met zijn zwaard.

Buiten het slagveld wachtte hem een nog grotere eer. Mohammed benoemde hem tot de eerste muezzin (gebedsoproeper) van de islam: wanneer de Profeet zijn volgelingen vijf keer per dag opriep tot de gebeden van het nieuwe geloof, voerden alle wegen naar de voormalige slaaf, wiens diepe stem en eerbiedige woorden de hemel vervulden. Bilaal was nu de stem van de islam.
Ashhadu an la ilaha illa Allah. Ashhadu an la ilaha illa Allah.
Ashhadu anna Muhammadan Rasul Allah. Ashhadu anna Muhammadan
Rasul Allah.
Hayya aalas salah. Hayya aalas salah.
Hayya aalal falah. Hayya aalal falah.
Allahu Akbar! Allahu Akbar!
La ilaha illa Allah.
(Ik getuig dat er geen godheid is dan God.
Ik getuig dat er geen godheid is dan God.
Ik getuig dat Mohammed Gods boodschapper is.
Ik getuig dat Mohammed Gods boodschapper is.
Haast u naar het gebed. Haast u naar het gebed.
Haast u naar het welslagen. Haast u naar het welslagen.
God is de Grootste! God is de Grootste!
Er is geen godheid dan God.)
Dit is de azan, de islamitische oproep tot het gebed. Deze woorden, die Bilaal als eerste sprak, zouden klinken boven de hoofden van de honderden, duizenden, miljoenen en mettertijd – het is bijna niet te bevatten – zelfs miljarden leden van de wereldwijde moslimgemeenschap.

In 630 trok hij opnieuw zij aan zij met Mohammed ten strijde toen die met een leger van tienduizend moslims optrok tegen Mekka. Het was een beslissend moment in de islamitische geschiedenis. Na jaren van bloedige, wanhopige strijd triomfeerde de Profeet: Mekka werd ondanks alle tegenslagen met minimale verliezen ingenomen. De eerste verovering door de moslims was daarmee een feit: Mohammed en zijn volgelingen hadden nu een hoofdstad van groot spiritueel belang, waarvan de naam door de millennia zou weerklinken.
Mohammed leidde zijn strijders rechtstreeks naar de Kaäba, het door Abraham en Ismaël gebouwde Huis van God, de heilige kubus van zwart graniet waar Mekkaanse gelovigen al sinds mensenheugenis omheen trokken. Nadat hij er op zijn dromedaris zeven keer omheen was gereden, ging hij naar binnen, sloeg alle afgodsbeelden stuk (twee, van Jezus en Maria, uitgezonderd), alsook de 360 met lood versterkte godenbeeldjes. Toen vroeg hij Bilaal de azan uit te spreken.

Mohammed en het ontstaan van de islam
De Hidjra en de verovering van Mekka door de profeet Mohammed
Hoe Aboe Bakr de fundamenten legde voor het islamitische kalifaat
De bijzondere ondergrondse kerken van Lalibela
Haile Selassie, de laatste keizer van Ethiopië
De vele gezichten én namen van Ethiopië