Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland bezetten, nam de regering (inclusief koningin) snel de benen naar het relatief veilige Londen, maar de ministers lieten het land niet helemaal onbeheerd achter. Ze vroegen hun hoogste ambtenaren, de secretarissen-generaal, hun taken zo goed als mogelijk waar te nemen. Aanvankelijk onder leiding van generaal Henri Winkelman, de vaderlandse opperbevelhebber, en na diens vertrek van anderen.
Grondwettelijk gezien was dat wellicht niet helemaal in de haak, maar het was op zich niet ongebruikelijk dat secretarissen-generaal hun minister vervingen. Bovendien drukte het kabinet hun op het hart ‘geen stap te ver’ te gaan, zonder dit te preciseren.
Gezelschap
Waarom hebben de Tien van Den Haag, zoals auteur Stephan Steinmetz het gezelschap van topambtenaren noemt, ermee ingestemd? In het gelijknamige boek van zijn hand beschouwt hij de club van secretarissen-generaal kritisch, zij het niet zonder begrip en mededogen.
Zoals te verwachten was, gingen de hoogste ambtelijke medewerkers al snel over de schreef. Ze stelden zich pragmatisch, dus opportunistisch op. Wat geen verbazing mag wekken, want topambtenaren zijn gewend hun oren te laten hangen naar de regering van het moment. En die wisselt nogal eens van politieke kleur. Daar kwam bij dat de sg’s wisten dat ze vervangen zouden worden door NSB’ers of andere Duitsgezinden als ze opstapten. Hun belangrijkste motivatie was dus waarschijnlijk: erger voorkomen. Al heeft dat wel zijn grenzen.
De democratie werd trouwens door de Duitsers meteen afgeschaft: Tweede en Eerste Kamer bestonden niet langer en de Duitsers waren heer en meester. In dit geval kun je beter spreken van de Oostenrijkers, want de Duitse alleenheerser Adolf Hitler stuurde een ploegje uit zijn geboorteland om ons land te besturen. Hij meende ons hiermee een plezier te doen. Onder leiding van de Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart stelde de vijand zich inderdaad aanvankelijk gematigd op, al werd hun houding vrij snel barser.

Jodenvervolging
Dat gebeurde ook, zij het niet vanwege de Jodenvervolging. Steinmetz laat als in een ouderwetse detectiveroman van Agatha Christie weten: ‘Toen waren er nog negen’, ‘Toen waren er nog acht’, ‘Nog zeven’, enzovoort. Uiteindelijk bleven nog drie secretarissen-generaal over: Hans Hirschfeld (Economische Zaken), Karel Frederiks (Binnenlandse Zaken) en Otto Six (Koloniën). Eerstgenoemde (die nota bene een Joodse vader had) gold als de voorzitter.
Maar geen van de afhakers ging weg vanwege de ‘evident ongrondwettelijke discriminatie en deportatie van de Joden’. Ze namen ontslag omdat ze er geen zin meer in hadden, om de vrede in hun gezin te bewaren of omdat ze geen ruimte zagen om hun taak uit te voeren zoals zij dat wilden.
Steinmetz heeft zijn verhaal, zeker het begin, opgeschreven als een thriller. Maar het werkelijke leven is geen spannend verhaal waarin het goede beloond en het kwade gestraft wordt. Na de bevrijding werden de secretarissen-generaal vrijwel allemaal herbenoemd, al gingen sommigen (onder wie Six, die ‘altijd onder de radar bleef’) al snel met pensioen.

Steinmetz zet het gedrag van de topambtenaren neer als onderdeel uitmakend van de ‘elite van Den Haag’. Die leefde volgens hem ‘onder een stolp, las vooral Het Vaderland, dineerde met elkaar en had nog nooit een arbeiderswijk betreden’.
Te weinig compassie – De Heidemaatschappij en de Tweede Wereldoorlog
Gevork Vartanian (1924-2012) – Sovjet-spion
De olympische groet (die een beetje lijkt op de Hitlergroet)
Grafstenen confronteren met de bijna-vernietiging van Joden in Rotterdam