Op dinsdag 24 maart presenteert Sieger Vreeling zijn nieuwe boek School zonder tranen. Het geeft een intiem inkijkje in het verstoorde gezinsleven van twee bekende Nederlanders rond 1900: de socialistische politicus Pieter Jelles Troelstra en zijn vrouw Sjoukje Bokma de Boer, beter bekend onder haar schrijverspseudoniem Nynke van Hichtum.
Sjoukje leed aan een mysterieuze ziekte en in 1903 besloten zij en haar man dat ze hun beide kinderen niet meer zelf konden opvoeden; Dieuwke en Jelle moesten het huis uit. Sjoukje had goede dingen gelezen over het Landerziehungsheim, een stelsel van kostscholen in Duitsland waar leren werd afgewisseld met veel sport en praktisch werk.

Sjoukje is eenmaal in Haubinda geweest. In 1905 volgde ze een maandenlange kuur bij natuurarts Anna Fischer-Dückelmann in Dresden. Daarna voelde Sjoukje zich goed genoeg om op de terugweg Haubinda te bezoeken. Eindelijk ontmoette ze Paul Geheeb in persoon. Ze werden vrienden; Sjoukje noemde Paul haar zoon en ondertekende haar brieven voortaan met ‘je mem’.
Maar ondertussen ging het helemaal niet goed met Jelle. Hij voelde zich niet thuis tussen al die jongens en had ontzettende heimwee. Een schietincident gaf de doorslag. Eind 1905 mochten de knapen met revolvers spelen en Jelle schoot zichzelf in zijn hand. Zijn ouders, die alles per brief moesten vernemen, maakten zich doodongerust. In de kerstvakantie besloten Pieter Jelles en Sjoukje hun zoon definitief thuis te houden.
Hieronder volgen drie van de zestig brieven die Sieger Vreeling uit het Duits heeft vertaald.
Brief van Pieter Jelles Troelstra aan Paul Geheeb
Scheveningen, maandag 30 mei 1904
Geehrter Herr,
Ik zag mij vandaag genoodzaakt om telegrafisch navraag te doen, waarom we geen bericht van Jelle hebben ontvangen. Mijn vrouw is zeer zwak. De hartkloppingen zijn het ergste en iedere vorm van spanning kan ze veroorzaken of verergeren.

Denk niet dat mijn vrouw overdrijft; zij maalt niet om kleinigheden, maar ze houdt zoveel van de jongen en alleen al de gedachte dat hij zijn ouders dermate kan verwaarlozen is ergerlijk. Maar de hoofdzaak is dat zelfs de kleinste spanning haar lichamelijk verzwakt en dat zou Jelle moeten weten en hij heeft zich ernaar te gedragen door nooit te verzuimen om zijn wekelijkse brief te schrijven.
Voor hemzelf is het, in pedagogisch opzicht, ook noodzakelijk om zichzelf de lichte plicht op te leggen om regelmatig te schrijven. Hij houdt veel van ons, daar zijn we zeker van, maar hij is te vatbaar voor wat er om hem heen gebeurt, beheerst zijn neigingen te weinig, stelt zichzelf te weinig regels, leeft niet genoeg van binnenuit. Ik hoop van harte dat u ons in dit opzicht een beetje wilt helpen, zowel voor hem als voor ons. […]
Met hartelijke groet,
uw toegewijde Troelstra
Doet u die vermaledijde deugniet de hartelijke groeten van mij.
Brief van Sjoukje Troelstra aan Paul Geheeb
Dresden-Loschwitz, zaterdag 5 augustus 1905
Lieber Freund!
Als er niets tussen komt, zal ik eindelijk Haubinda eens bezoeken. Als het u schikt en als u nog een plaatsje vrij heeft, komen Dieuwke en ik volgende week, op zaterdagavond, zondag of maandag. De dag en de tijd van aankomst laat ik u nog weten. Hoewel ik de laatste tijd grote vorderingen gemaakt heb, blijft deze reis toch een waagstuk. U neemt het me vast niet kwalijk als ik gelijk na aankomst mijn slaapkamer opzoek, nietwaar? Door mijn levendige temperament zou ik gemakkelijk in de verleiding komen om Haubinda en zijn bevolking te leren kennen, maar dat zou onverstandig zijn. Juist nu ik opnieuw een mens word, heb ik een dubbele portie zelfbeheersing nodig, omdat er zoveel van mijn heropleving afhangt voor mijn lieve man en voor de kinderen. Ze hebben allemaal al genoeg geleden onder mijn ziekte!
Gelukkig klaart mijn geest ook wat op, al is hij nog niet de oude. Toch heb ik veel met u te bespreken. Het lijkt me vooral noodzakelijk om eens goed met u te spreken over onze jongen. Mijn man schreef me namelijk dat hij niet in alle opzichten tevreden over de jongen was in de vakantie. Jelle was weliswaar erg lief en braaf en over het algemeen rustig en onbevangen-vrolijk, maar mijn man vond hem, net als veel andere knapen op deze kritische leeftijd, niet bescheiden genoeg tegenover oudere en vaak hoogstaande personen. Jelle denkt dat hij alles weet en heeft overal een mening over.

Maar dat is niet het ergste. Wat me vooral heeft aangegrepen is datgene waarvoor ik al bang was, de onanie. Aan het begin van de vakantie bekende hij zich daar tussen Kerstmis en Pasen vaak zo’n tweemaal per week aan te hebben bezondigd. Toen hij met Pasen bij mij was, had hij zich voorgenomen het voortaan niet meer te doen (maar hij had niet de moed om dat tegen mij te zeggen). Daarna was het toch weer enkele malen voorgekomen, maar niet zo vaak als eerst en hij hoopte het helemaal te overwinnen. Op eigen initiatief beloofde hij mijn man om het iedere keer meteen op te biechten als het weer gebeurde. Dat is al heel wat en mijn man wil niet dat ik er met de jongen over spreek, opdat deze de frisse onbevangenheid, die weer terug is, niet opnieuw verliest en niet nodeloos aan de geschiedenis wordt herinnerd. Ik zal al naar gelang de omstandigheden handelen; misschien houd ik me aan de wens van mijn man, misschien ook niet.
Maar u moet ervan weten, vooral omdat het niet alleen om Jelle gaat, maar ook om Ferdi van Kol [de zoon van Tweede Kamerlid Henri van Kol en schrijfster Nellie van Kol-Porreij] en vele andere knapen. Jelle vertelde mijn man dat enkele leraren er vast en zeker van weten. Ook zei hij dat u nog nooit met hem over zulke dingen heeft gesproken. Ik zeg dit alles in vertrouwen. Als u er met andere leraren over spreekt, noem dan alstublieft Jelles naam niet. Dat is nergens voor nodig en als hij door zijn bekentenis in de problemen raakt, zou dat onrechtvaardig zijn tegenover een van de weinigen die eerlijk is. Bovendien is zijn wilskracht nog zo zwak, waardoor de kans bestaat dat hij in de toekomst terughoudender wordt. En juist zijn openheid is ons zo ontzettend veel waard!
Nu u weet dat het gebeurt, zult u wel snel sporen van het kwaad ontdekken. Ik ben erg benieuwd hoe u dit gevaar gaat bestrijden. Het moet toch uit te roeien zijn bij knapen als Jelle, die van binnen onbedorven zijn en in dit opzicht erfelijk onbelast zijn, denkt u ook niet? Ik begrijp niet hoe hij, met zijn zuivere innerlijke wezen, daartoe komt. Mijn man denkt dat het de puberteit is, die zijn invloed begint uit te oefenen. Moet zich dat op deze manier uiten? Dat is toch verschrikkelijk! Ik hoop zozeer dat het ons lukt om deze slechte neiging volledig uit te bannen! Het kan niet erfelijk zijn. Voor zover ik weet, zijn zulke morele excessen nooit voorgekomen in de familie van mijn man en die van mij. Mijn man dronk in zijn studententijd wel vrij veel wijn. Zou dat de oorzaak zijn? Zelf heeft hij nooit de aandrang tot onanie gehad. Hij probeerde het eens nadat een andere knaap het hem had laten zien, maar dacht er later nooit meer aan. […]
Met een handdruk en een ‘tot volgende week!’, blijf ik
uw Sj. Tr.
Brief van Sjoukje Troelstra aan Paul Geheeb
Scheveningen, donderdag 12 oktober 1905
Lieber Paul!
Als mijn zoon en vriend ben je mij niets verplicht, maar als opvoeder van onze jongen wel. Daarom wil ik je dringend verzoeken om ons zo snel mogelijk jouw indrukken van het schietincident en van Jelles verwonding mee te delen. Heeft zijn zenuwgestel er ook onder geleden? Zo ja, gun hem dan alsjeblieft een beetje rust.
Ik schreef hem al een strenge, ernstige brief, hoewel ik toen niets meer wist dan ‘dat hij zich in de hand geschoten’ had. Eigenlijk vind ik dat we eerder en uitvoeriger op de hoogte hadden moeten worden gebracht. Hoe moeten wij, de ouders, anders een oordeel vellen en onze invloed doen gelden op Jelle? Men weet ook niet hoever men, in verband met zijn zenuwen, kan gaan, dus als afsluiting heb ik hem nog wat vrolijks verteld.
Toen ik hem vanochtend schreef, wist ik ook niet dat de wond gevaarlijk zou kunnen zijn. Daarvoor waarschuwde Frau Dr. Fischer-Dückelmann me, die alles van [haar zoon] Harold heeft gehoord. Ze schreef me zelfs dat Harold bijna was geraakt – wat verschrikkelijk! Als men alleen al bedenkt wat er had kunnen gebeuren! Als Jelle zichzelf [dodelijk?] had getroffen was dat natuurlijk beter dan als hij een ander had getroffen, maar stel je eens voor hoe wij ons voelen, als we daarover nadenken! Wat als hij – met zijn heimwee – nooit meer was thuisgekomen?

Ik heb deze gedachte van me af proberen te schudden, maar zij keert voortdurend terug. Ik schreef zo vrolijk als ik kon aan de kinderen […]. Ik probeerde ook mijn man en mezelf wijs te maken dat ik me geen zorgen maakte, maar de gedachte keert steeds nadrukkelijker terug en laat zich niet afschudden. Steeds luider hoor ik de waarschuwing: ‘Wat zouden jullie voelen als er nu iets met hem zou gebeuren en hij zijn thuis niet terug zou zien, het huis waarin jullie hem inmiddels wel kunnen, maar niet willen opnemen!† Ik vrees, mijn beste, dat ik er nooit weer van afkom en mijn man denkt er hetzelfde over. En als deze stem in ons niet wil zwijgen, dan zit er voor ons niets anders op dan onze lieveling vanaf kerst weer in huis te nemen, hoe goed we de bezwaren ook zien die daaraan verbonden zijn! […]
Ik vroeg Jelle al hoe hij aan een vuurwapen was gekomen, omdat jij immers zorgvuldig de sleutel van de wapenkast bewaart. En nu hoor ik van Frau Doktor dat het een revolver was. Hoe komt hij daar nu weer aan? En je laat me ook weten hoe zijn zenuwen eraan toe zijn, nietwaar?
Met hartelijke handdruk,
je ‘mem’
† Ach, pas toch alsjeblieft een beetje extra op hem! Dat hem niets overkomt!
De vergissing van Troelstra: revolutiepoging in 1918
Ferdinand Domela Nieuwenhuis, van dominee tot anarchist
Wat neutraliteit ook was, het had gewerkt