1955, Pretoria
Na twee jaar verhuisde de familie Van Dijk naar een andere wijk, Rietfontein. Een kleiner huis en een iets mindere buurt, vonden vader en moeder, maar wel dichter bij de kerk. Elke zondag liepen ze namelijk twee keer met het hele gezin naar de kerk en weer terug. De kerk was inmiddels al twee keer verhuisd. Naar de vorige plek moest de familie een uur lopen. Dat zorgde elke keer al voor geklaag van de kinderen, maar de nieuwe kerkzaal was nóg een paar kilometer verder weg. En op zondag de bus pakken, dat deed je niet zomaar – zondag was een rustdag. Dan hoefde je zelf niet te werken, maar dan moest je anderen ook niet voor je laten werken.
Inmiddels had de kerkenraad toestemming gegeven om voortaan toch op zondag met de bus te reizen. Het ging er tenslotte om dat ze ‘onder Gods woord’ kwamen. Maar verhuizen naar de 14e Laan in Rietfontein vonden vader en moeder Van Dijk een nog beter idee: hun nieuwe huis was maar vier deuren bij de kerk vandaan. Het was alleen nóg kleiner, voortaan moesten ze met alle kinderen op één kamer. En de wc was wéér een huisje in de tuin.

Vaak ging Adri met haar broers en zusje spelen in de tuin of in het park vlakbij. Daar was het altijd druk met kinderen. Moeders zaten op bankjes te kletsen en te kijken naar hun spelende kroost. Op aparte bankjes zaten ook zwarte bedienden, die op kinderen uit de buurt pasten. Het viel Adri niet op dat die twee groepen nooit bij elkaar zaten.
Nederlandse kinderen bleven ‘kaaskoppen’
Door de verhuizing kon Adri een nieuwe start maken op de Eben Swemmer Laerskool, maar 200 meter lopen vanaf hun huis. Ze kreeg een bruin uniform. Wel een gebruikt exemplaar, anders werd het te duur. Ze sloot ook vriendschappen in de klas: uitsluitend met kinderen uit haar kerk, voor de Afrikaner klasgenoten bleven zij toch allemaal ‘kaaskoppen’.

Julle kom net hierheen om geld te maak en dan gaan julle weg! (Jullie komen hier alleen maar om geld te verdienen en dan gaan jullie weer weg!)
Ze hadden tegen haar tas geschopt en haar in het rond gesleurd – het meisje had flink uitgehaald naar de pesters.
Wennen aan de Afrikaner cultuur
Ook de volwassenen moesten hun draai vinden. Het was een flinke omschakeling: ze waren vertrokken uit een land dat nog in puin lag door de oorlog. Voor vrouwen die huisvrouw waren, was het extra lastig. Zij zaten thuis, terwijl hun man ging werken en de kinderen op school nieuwe contacten legden. En het was nu eenmaal een andere cultuur, het kostte tijd om je daaraan aan te passen. Alleen al het praten met Afrikaners: zo beleefd waren ze het in Nederland niet gewend, met ‘ja, mevrouw’ of ‘nee, mevrouw’ elke keer als je een antwoord gaf. En iedereen die een jaar of tien ouder was, noemde je zomaar ‘oom’ of ‘tannie’, terwijl het geen ooms en tantes waren. Ze moesten allemaal aarden in het nieuwe land.
De Zuid-Afrikaanse regering had haar best gedaan om Nederlandse arbeidskrachten naar Zuid-Afrika te halen en het was duidelijk dat de verbondenheid tussen Afrikaners en Nederlanders nog steeds werd gevoeld aan beide kanten. Toch voelden de migranten soms ook een beetje argwaan bij de Afrikaners.
Die had vooral te maken met het onafhankelijkheidsgevoel dat de Afrikaners in het bloed zat. Hun eigen cultuur zouden ze koste wat het kost beschermen. De afkeer die vanuit Nederland had geklonken nadat de Nasionale Party in 1948 aan de macht was gekomen stond nog in het geheugen gegrift. Waren die Hollanders niet gewoon arrogante betweters? Afrikaners hadden gevochten voor hun vrijheid en zelfstandigheid, ze waren bedreigd en verslagen door anderen, maar ze hadden zich nooit laten verdrijven. En als kroon op dit alles hadden ze hun eigen taal: in 1925 was het Afrikaans een officiële taal geworden. Op bemoeienis van anderen zaten ze niet te wachten. De Nederlanders waren welkom, maar ze moesten ook laten zien dat ze hier pasten.
Hard werken
Adri werkte hard op school. Als ze er niet bij kon horen, wilde ze in elk geval de beste van de klas zijn. Het hielp niets. Ze hoorde het aan de opmerkingen, ze voelde het als een klasgenoot aan haar lange vlechten trok. Ze wisten een migrantenkind er feilloos uit te pikken. Adri kon al een beetje Afrikaans, maar haar uitspraak verraadde haar. Zelfs al hield je je mond, dan nog hadden ze het door. Een Afrikaner kind kon de achternaam ‘Van Dyk’ hebben, maar als je ‘Van Dijk’ heette, was meteen duidelijk waar je vandaan kwam. Ook haar tweedehandsje verlinkte haar. Net als veel andere Nederlandse kinderen kwam ze uit een gezin dat het zuinig aan moest doen.
Thuis en in de kerk kon ze weer gewoon Nederlands zijn. Naar de zaterdagschool van de kerk hoefde ze niet, daar was vader op tegen. De kerk was daarmee begonnen omdat de kinderen op school te weinig zouden leren. Op de zaterdagschool oefenden ze psalmen en liederen van Valerius en kregen ze extra lessen Bijbelse geschiedenis en kerkgeschiedenis. Vader vond het onzin – en niet alleen omdat de zaterdagse lessen geld kostten. Zijn kinderen leerden op school alles wat nodig was, net als alle andere scholieren in Zuid-Afrika. Adri was blij toe, ze zat niet te wachten op nóg een schooldag.

Ondertussen moest haar vader hard werken. ’s Avonds, als ze aan de aardappels en groente zaten, vertelde hij weleens over zijn dag. ’s Ochtends haalde het bouwbedrijf hem altijd op, want een eigen auto had de familie Van Dijk niet. In zijn kakikleurige werkkleren vertrok hij dan, met een trommel brood onder de arm. Nu eens werkte vader aan een kerk, dan weer aan een middelbare school of een bankgebouw. Zwarte arbeiders gaven de stenen aan, hij metselde er een stevige muur mee. Hij was goed in zijn werk, de jonge jongens konden hem maar net bijbenen. Als het lukte om op één dag meer dan duizend bakstenen te metselen, kreeg je een bonus. En vader had die bonus al een paar keer gekregen.
Zuinigheid en doorzettingsvermogen
Ook andere migranten hadden het zwaar, iedereen moest zijn plek veroveren. Veel Nederlandse migranten werkten voor een bouwbedrijf of waren er zelf een begonnen. Als aannemer kon je geld verdienen, wisten ze, want er werd flink gebouwd in Pretoria. De Nederlanders bouwden met zo’n voortvarendheid dat de Afrikaners soms klaagden, wist vader: dat die Hollanders hun banen inpikten, dat ze hooghartig waren, dat ze niet snapten hoe het hier werkte.
Maar vader, die vooral voor Nederlandse aannemers werkte, was trots op wat ze voor elkaar kregen. Ze deden het allemaal maar gewoon als migranten. En, vond hij, je was Nederlander of je was het niet: dan wist je van aanpakken. Voor Afrikaners was het wennen, al die witte vaklui die klussen deden die zij zelf door zwarte bouwers zouden laten doen.

Af en toe was er geen werk. Dan bracht hij minder of geen loon mee naar huis. Moeder raakte daar niet van in paniek, zij was nog net zo ijverig als in Lutten. Ze had het druk met haar gezin en met alle bezoekjes die ze aflegde aan zieke kerkgenoten of mensen die in de problemen zaten. Ze naaide ook kleding voor anderen en deed herstelwerk om wat bij te verdienen. En ze was zuinig. Als een van de kinderen nieuwe schoenen nodig had, spaarde ze daar eerst voor. ‘Het geld groeit niet aan de bomen’, zei ze dan. Zo wist ze het elke keer net te redden. Elke week loste ze een deel van de lening voor de emigratie af, zoals het was afgesproken met de aannemer. Het was hard werken, dat mooie nieuwe leven dat hun was beloofd.
Apartheid (1948-1990)
Cor van Gogh en de meisjes Kwak: avonturiers in Zuid-Afrika
De Boerenoorlogen: strijd tussen Boeren en Britten (1880-1902)
Hoe Jacobse en Van Es de apartheid op de hak namen
D.F. Malan. Profeet van de apartheid