Boejiden en Seltsjoeken en het verval van het Abbasidische kalifaat (946-1225)

20 minuten leestijd
Jorjir-moskee in Isfahan
Restant van de Jorjir-moskee in Isfahan, Iran, gebouwd onder de Boejiden rond 1000 (CC BY-SA 4.0 - Ehsantaebi - wiki)

Vanaf het midden van de tiende eeuw komt de politieke en militaire macht in het Abbasidische kalifaat steeds meer in handen van uit het noorden afkomstige indringers: de Boejiden en Seltsjoeken. De kaliefs behouden hun positie als religieus leider, maar zijn doorgaans niet meer dan een marionet in handen van deze tot de islam bekeerde vreemdelingen.

De reikwijdte van de islam rond 946

Vanaf het begin van de islamitische jaartelling in 622 verspreidt in nog geen drie en een halve eeuw deze godsdienst zich over een gebied dat in het westen grenst aan de Atlantische Oceaan en in het oosten reikt tot de Indus. In sommige gebieden wordt de sjiitische variant van de islam beleden en weerstand geboden aan de soennitische Abbasidische kalief in Bagdad. Deze is overigens niet de enige die zich tooit met de titel van kalief. In het Iberische Schiereiland wordt in 929 het kalifaat van Córdoba uitgeroepen door Abd al-Rahman III, een telg uit de dynastie der Omajjaden dat overwegend soennitisch is, terwijl het derde kalifaat, dat van de Fatimiden gesticht in 910 door Abd Allah al-Mahdi Billah (ook bekend als Ubaydalla al-Mahdi), sjiitisch is.

Gouden kan uit de Boejidische periode
Gouden kan uit de Boejidische periode met inscriptie van emir Izz al-Dawla (10e eeuw)
De Fatimiden beweren af te stammen van een dochter van de profeet Mohammed, Fatima Zahra (vandaar de naam Fatimiden), en vrouw van de vierde kalief, Ali. Het kalifaat der Fatimiden is gevestigd in Noord-Afrika met als hoofdstad Caïro en bezig zijn invloed uit te breiden over Egypte, Palestina en Syrië.

De toenmalige Kalief al-Mustakfi tooit zich zoals te doen gebruikelijk met de titel van Bevelvoerder der Gelovigen, wat hem nog altijd tot de gezagsdrager maakt van de islamitische geloofsgemeenschap, maar in politiek opzicht is zijn macht beperkt. In feite wordt deze al decennialang uitgeoefend door de Turkse militaire elite die rond het midden van de tiende eeuw verdrongen worden door de Boejiden. Elders in het imperium worden de lakens uitgedeeld door lokale leiders.

Zo zijn er de Hamdaniden in Noord Syrië en Irak, de Samaniden in Transoxanië en Khorasan, diverse gebieden in de Kaukasus en de Indusvallei die geïslamiseerd zijn en schatplichtig aan de kalief in Bagdad. En behalve deze politieke fragmentatie heeft de soennitische kalief in Bagdad binnen zijn kalifaat te maken met sjiitische bewegingen die zijn gezag aanvechten. Het zijn de Hamdaniden in het oosten die formeel soennitisch zijn, maar dikwijls steun verlenen aan sjiitische opstanden, de Aliden in Noord-Iran en in Arabië de Qarmaten en Zayditen.

Opkomst van de Boejiden

Daylam is een bergachtige streek in Perzië ten zuidwesten van de Kaspische Zee waar de inwoners al voor het begin van onze jaartelling er een onafhankelijk bestaan leiden. Dat doen zij onder het gezag van de Sassaniden en later, als de moslimlegers oprukken, ook onder de Arabieren die er overigens geen nederzettingen stichten. De Daylamieten beschikken over bijzondere talenten als infanterist en lenen hun diensten als huurlingen aan opeenvolgende Sassanidische en islamitische vorsten. Zij hechten – net als Bedoeïenen – sterk aan familiebanden, verdelen hun land onder hun zonen en veroveren gebieden om een erfenis op te bouwen. Huwelijken worden gesloten ter versterking van allianties tussen diverse groepen. Tot aan het moment van de islamitische veroveringen heersen lokale koningen over kleine gebiedjes en hun macht reikt niet ver. Velen van hen bekeren zich tot de islam.

In 926 draagt kalief al-Muktadir de heerser van Azerbeidzjan, Yusuf ibn Abi’l-Saj, op om zuidwaarts te trekken en opstandige sjiitische Qarmaten tot de orde te roepen. Deze versterkt zijn leger met huurlingen uit Daylam. Onder hen bevindt zich Ali ibn Buya, zoon van een visser aan de Kaspische kust, die zijn broers al-Hasan en Ahmad uitnodigt zich bij hem aan te sluiten. Zij groeien uit tot competente bevelhebbers die een eigen legermacht opbouwen en in 934 grote delen van Iran in handen weten te krijgen. Uiteindelijk slaagt Ahmad erin om in 945 Bagdad te veroveren, waar hij door kalief al-Mustakfi tot grootvizier (emir) wordt benoemd.

Gebied onder controle van de Boejiden en andere staten in het Midden-Oosten rond 970 (CC BY-SA 4.0 – Goran_tek-en – wiki)

De kalief verleent de broers eervolle titels onder welke zij heersen over diverse regio’s. Ahmad, die regeert over Irak wordt aangeduid als Muizz al-Dawla (Verheerlijker van het Rijk), al-Hasan als Rukn al-Dawla (Steunpilaar van het Rijk) heerst over Jibal en Ali, die Fars in handen neemt, als Imad al-Dawla (Handhaver van het Rijk).1 Daarmee zijn de Boejiden in feite oppermachtig geworden en krijgt het kalifaat het karakter van een confederale staat.

Het kalifaat als dekmantel

De broers vertonen traditiegetrouw een hoge mate van eensgezindheid en laten het Abbasidische kalifaat intact om reden dat deze de erfenis vertegenwoordigt van de islamitische geschiedenis die nog altijd respect afdwingt en als dekmantel kan worden gebruikt voor hun machtsuitoefening. De kalief is niet meer dan een marionet die van de Boejiden een dagelijks salaris krijgt uitbetaald en op elk moment vervangbaar is.

Gouden dinar van kalief al-Muqtadir waarop naast zijn naam ook die van zijn erfgenaam en vizier is vermeld
Gouden dinar van kalief al-Muqtadir waarop naast zijn naam ook die van zijn erfgenaam en vizier is vermeld
Dat overkomt al-Mustakfi in 946 als hij probeert meer macht naar zich toe te trekken en vervangen wordt door zijn zoon die al-Muti wordt genoemd. Letterlijk betekent dit de gehoorzame aan God, maar hij is natuurlijk onderhorig aan de Boejiden. Al-Muti vervult deze rol tot 974. Ofschoon het de Boejiden niet ontbreekt aan politiek en militair gezag, genieten zij in sociaal opzicht weinig vertrouwen vanwege hun afkomst die afsteekt tegen die van families zoals die van de Tahiriden die kunnen bogen op hun hoge Perzische afstamming. De Boejiden trachten dit te compenseren door veel aandacht te besteden aan de pracht en praal van het hof en door enorme sommen geld te steken in de bouw van hun paleis aan de Tigris.

De Boejiden staan formeel achter het door de Abbasiden aangehangen soennisme, maar geven in Bagdad ook wel steun aan sjiieten die zich gevestigd hebben in de hoofdstad. Halverwege de jaren zestig van de tiende eeuw leidt dit tot wrijvingen als beide geloofsrichtingen festivals en parades organiseren wat sektarisch geweld uitlokt en de stabiliteit van het kalifaat in gevaar brengt. Ondanks deze strubbelingen floreert daar de islamitische cultuur die zich verspreidt over het gehele rijk. De geograaf al-Muqadasi munt de term mamlakat – al-islam (het Koninkrijk van de islam) waarmee hij het gebied aanduidt waarbinnen deze cultuur – en de daarmee verbonden Arabische taal – gedeeld wordt.

Moderne historici geven dit aan met de term ‘Islamitisch Gemenebest’. En ondanks dat Bagdad heeft ingeboet als politieke machtsfactor, dwingt de stad in veler ogen respect af. Door islamieten wordt het met dezelfde ogen bekeken als de christenen dat doen met Constantinopel, een stad waarmee men zich identificeert.2

Cilicische Poort
Cilicische Poort, 2007

Steeds is er druk geweest vanuit het Byzantijnse Rijk op de grenzen met het kalifaat, een druk die toeneemt in de tweede helft van de tiende eeuw en uitloopt op diverse heroveringen. Kreta valt in Byzantijnse handen in 961, gevolgd door de annexatie van Cyprus. In 965 valt Tarsus, een belangrijke stad van waaruit de zogeheten Cilicische Poort – een pas in het Taurusgebergte die de verbinding vormt van Cilicië met Klein-Azië – kan worden overzien. Vier jaar later wordt na een lang beleg Antiochië veroverd op de moslims.

Dit brengt een enorme vluchtelingenstroom op gang richting Bagdad waar noch de toenmalige Boejidische emir Izz al-Dawla – de zoon van Muizz al-Dawla – noch de kalief zich veel bekommeren om hun lot. Als Izz al-Dawla, die zijn positie bedreigt ziet door de aanvallers, de kalief verzoekt om geld te doneren voor een offensief tegen de Byzantijnen, reageert deze geagiteerd, omdat hij van mening is dat hij als geestelijk leider daarmee niets van doen heeft.3

Al-Muti overlijdt in 974 en wordt opgevolgd door zijn zoon al-Tai, die net als zijn vader een louter ceremoniële rol vervult. Inmiddels is het duidelijk geworden voor de Boejiden dat onder het bewind van Izz al-Dawla het verval van het kalifaat ernstige vormen begint aan te nemen. Vandaar dat hij in 978 door Adud al-Dawla, de zoon van Rukn al-Dawla, aan de kant wordt geschoven. Adud al-Dawla is een bekwaam bestuurder die rust brengt en de welvaart van zijn onderdanen probeert te vergroten. Hij laat irrigatiesystemen aanleggen in het gebied van de Vruchtbare Sikkel (de sawad), reconstrueert grote delen van Bagdad en bouwt er een nieuw hospitaal.

Adud al-Dawla tracht zijn status te vergoten, wat hem lukt als hem in 979 door kalief al-Tai de eretitel wordt verleend van Taj al-Milla (kroon van het geloof). In datzelfde jaar trachten de Boejiden hun kansen op het kaliefschap te vergroten door de dochter van Abu al-Dawla uit te huwelijken aan de kalief, maar die poging leidt schipbreuk, de kalief vermijdt echtelijke omgang met haar.4

Abbasidische kaliefen van de tiende tot de dertiende eeuw
Abbasidische kaliefen van de tiende tot de dertiende eeuw

Versterking van het religieus gezag onder al-Qadir

In 991 begint al-Tai in de ogen van de Boejiden te recalcitrant te worden en zetten zij hem opzij ten faveure van een neef van hem, de dan al vijfenveertig jaar oude al-Qadir waarmee deze de oudste Abbasidische troonbestijger is. Van meet af aan realiseert al-Qadir zich dat zijn macht beperkt is en dat de enige manier om zich te kunnen doen laten gelden gelegen is in het versterken van zijn religieus gezag. In tegenstelling tot veel van zijn voorgangers meet de nieuwe kalief zich een eenvoudige levenswijze aan wat hem de bijnaam oplevert van rahib bani al-Abbas, oftewel de Monnik onder de Abbasiden5 en omdat hij de hadith (islamitische overleveringen over het doen en laten en de uitspraken van Mohammed) goed bestudeerd heeft, wordt hij beschouwd als de gelijke van de professionele geleerden van de ulama wat hem een zekere autoriteit oplevert die hij gedurende zijn lange regeringsperiode tot 1031 verder uitbouwt. Leden van de ulama die voorheen niet erg geïnteresseerd waren in contacten met het hof, bezoeken al-Qadir regelmatig en gaandeweg ontwikkelen zij zich als een soort van lobby-groep ter ondersteuning van de kalief.

Daarmee oogst al-Qadir respect onder de moslimbevolking en versterkt hij zijn positie langzaam maar zeker ten opzichte van de Boejiden. Met name krijgt dat vorm door zijn krachtig optreden als soenniet tegen openlijk verzet van sjiieten, niet alleen in Bagdad, maar vooral dat van de opdringende Fatimiden uit Egypte, die een claim leggen op het algehele leiderschap van de moslimgemeenschap. In 1018 publiceert al-Qadir een document waarin hij afrekent met alle in zijn ogen vormen van ketterij en de ware soennitische orthodoxie uiteenzet, het zogeheten Qadiri Credo dat breed verspreid wordt in de moskeeën.

Hiermee verwerft al-Qadir zich de status als officiële woordvoerder van het soennisme. Het is de veelzijdige geleerde al-Mawardi die in zijn werk de legitimiteit van de kalief verdedigt en hem neerzet als de imam, de onfeilbare religieuze leider. De titel die de sjiieten hanteren om daarmee de persoon aan te duiden die rechtstreeks afstamt van de Profeet. Vanaf dat moment tooien de Abbasidische kaliefs met deze tweede titel naast die van Bevelvoerder der Gelovigen.

Al-Qadir geeft met dit alles een krachtig signaal af aan opdringende bewegingen in het westen zoals die van de Fatimidische kalief al-Hakim en wordt in het oosten gesteund door de opkomende dynastie van de Ghaznaviden die als voormalige soldaten in dienst van het Samanidische leger erkenning zoeken en de macht overnemen in Khorasan. Hun leider, Sebük Tegin, vestigt zich in hun hoofdstad Ghazna, iets ten zuiden van Kabul. De Ghaznaviden zijn net als hun voormalige meesters, de Samaniden, overtuigde soennieten maar waar de Samaniden de titel van emir voerden meten zij zich die van sultan aan en beginnen een krachtig offensief richting India, wat de verspreiding van de islam ten goed komt. Maar ook richten zij de blik naar het westen waar Sebüks zoon Mahmud in 939 de belangrijke stad Ray weet te ontfutselen aan de Boejiden.6

De Seltsjoeken nemen de macht over

Vanaf het moment dat de moslims diep doordringen tot in de wat voorheen het Perzische rijk was en zij de provincie Khorasan veroveren, hebben zij te maken met bedreigingen vanuit het noordoosten waar al sinds mensenheugenis nomadische stammen verblijven die doorgaans worden aangeduid als Turken. Tot aan het begin van de elfde eeuw weten de Arabieren hen op afstand te houden en tal van hen, geharde krijgers, worden opgenomen in de Arabische legers. Gaandeweg vormen zij een politieke machtsfactor van formaat binnen het kalifaat.

Maar wat er gebeurt gedurende de elfde eeuw is van een andere orde. Onder invloed van een klimaatverandering die wel de Big Chill7 wordt genoemd, trekken Turkse nomadenfamilies zuidwaarts op zoek naar weidegronden. Het is een totaal nieuwe etnische groep die zich aandient, de zogeheten Turkmenen, afkomstig uit de Centraal-Aziatische stam der Ogoezen.

Onder de Turkmenen bevinden zich de Seltsjoeken die zich verspreiden over Iran tot aan Noord-Irak en Klein-Azië en, ondanks hun nomadische achtergrond, de levenswijze aannemen van geürbaniseerde Iraniërs. Zij bekeren zich massaal tot de islam in de wetenschap dat zij alleen macht kunnen verwerven als zij zich in religieus opzicht aanpassen. Het feit dat zij daarbij kiezen voor het soennisme is eerder ingegeven door politiek opportunisme dan door persoonlijke voorkeur.8

Prominente leden van de Seltsjoeken zijn Toghrul Beg en Chagri Beg, twee kleinzonen van stamvader Seltsjoek die veel macht vergaren en de legers van de Ghaznavidische vorst Mahsud weten te verslaan in 1040 in de slag bij Dandanaqan, een vesting ten zuiden van Merv. Toghrul zet zijn opmars voort, vormt een bedreiging voor de sjiitische Fatimiden in Syrië en dringt rond het midden van de eeuw door tot in Klein-Azië.

Toghrul-toren in Ray (Iran)
De Toghrul-toren in Ray (Iran), een Seltsjoeks grafmonument dat wordt toegeschreven aan sultan Toghrul Beg
Intussen overlijdt kalief al-Qadir in 1031 en wordt opgevolgd door zijn dertigjarige zoon al-Qa’im die het beleid van zijn vader voortzet en net als zijn voorganger een lange regeringsperiode tegemoet gaat tot 1075. In 1055 bereikt Toghrul met zijn legers Bagdad. Zijn nomadische volgelingen willen zich graag vestigen in het uitgestrekte Iran en vandaar dat Toghrul dit gebied opeist. Onder de indruk van diens kracht, tooit al-Qa’im hem met de titels van Malik al-Dawla (Koning van de Staat) en Rukn al-Din (Steunpilaar van het geloof) en prijst hij zich gelukkig met de Seltsjoek die het aanzien van het kalifaat aanzienlijk kan versterken. Hij voldoet aan het verzoek van Toghrul om de band met de Seltsjoeken te verstevigen door te trouwen met zijn nicht, Arslan Khatun Khadija.

De mislukte machtsgreep van de Fatimiden

Als Toghruls broer Ibrahim Yinal hem het leiderschap van de Seltsjoekse gemeenschap betwist, ziet Toghrul zich genoodzaakt zijn in Bagdad gelegerde manschappen terug te trekken uit de stad om dit gevaar af te wenden. Van dit tijdelijke machtsvacuüm trachten de Fatimiden gebruik te maken. Zij sporen al-Basasiri, een voormalige Turkse generaal in dienst van de Abbasiden die de opkomst van de Seltsjoeken met lede ogen aanziet, aan om de macht in Bagdad over te nemen en de kalief te kidnappen. Bedoeling is om hem in Caïro onder huisarrest te plaatsen, een plan dat mislukt, de kidnappers weigeren de kalief uit te leveren. Maar al-Basasiri neemt in Bagdad wel de touwtjes in handen. In 1058 komt aan deze situatie een einde.

Toghrul, die uiteindelijk zijn broer de voet weet dwars te zetten, keert terug en bevrijdt de kalief. Al-Basasiri vlucht, wordt opgespoord en geëxecuteerd. Al-Qa’im beloont Toghrul voor zijn inspanningen door hem op grootse manier te onthalen in Bagdad en geeft de Seltsjoek opdracht alle gebieden die God de kalief geschonken heeft te besturen. Vanaf die tijd tooien de Seltsjoekse heersers zich met de titel van sultan. Aan de opmerkelijke afloop van de Fatimidische poging on de Abbasiden van de troon te stoten – het heeft maar weinig gescheeld of het Abbasidische kalifaat had opgehouden te bestaan – ontleent al-Qa’im veel populariteit die hij op een andere manier nog weet te vergroten en wel door zich een ascetische levenswandel aan te meten.

Op het slagveld wordt succes geboekt als de volgende Seltsjoekse sultan Alp Arslan – een zoon van Chagri Beg – de Byzantijnen weet te verslaan in 1071 bij Manzikert aan de oostgrens van hun rijk gelegen in het huidige Turkije. De Byzantijnse keizer Romanus IV Diogenes wordt gevangen genomen en tegen betaling van losgeld weer vrijgelaten, waarna de Seltsjoeken grote delen van Anatolië veroveren. Een van hun bevelvoerders verdrijft de Fatimiden uit Jeruzalem en laat opnieuw vermeldingen van Abbasidische vorsten aanbrengen op de kansels en moskeeën van de stad.9

Alp Arslan verstevigt zijn greep op het staatsbestel en verplaatst de residentie van het sultanaat naar Isfahan waar zijn vizier Nizam al-Malik een prominente rol speelt en die zich vooral onder de volgende sultan, Malik Sjah I, ontpopt als een zeer bekwaam bestuurder. Nizam al-Malik bevordert de handel en landbouw en bestrijdt de fanatieke tak van het sjiisme, de zogeheten Assassijnen ook bekend als de Nizari’s. Hij schrijft een invloedrijk traktaat, de Siyasatnama, een handboek over staatsbestuur waarin hij pleit voor decentralisatie, maar zijn grootste prestatie is de uitvinding van de madrassa, de onderwijsinstelling welke de ruggengraat wordt van het kalifaat en vestigt het soennitische recht als grondslag van latere rijken als dat van de Ottomanen.

Burgeroorlog onder de Seltsjoeken

Meer dan onder de Boejiden worden er persoonlijke banden gesmeed tussen de Abbasiden en Seltsjoeken, een en ander georkestreerd door Nizam al-Malik. Dat begint al met het huwelijk van al-Qa’im met de nicht van Toghrul in 1056, waarna in 1062 Toghrul wenst te trouwen met de de dochter van de kalief, hetgeen indruist tegen de Abbasidische traditie om geen huwelijk toe te staan van een prinses met een buitenstaander. Het overlijden van Toghrul maakt een eind aan dit dilemma.

Dan stelt al-Qa’im voor om zijn kleinzoon en opvolger al-Muktadi te laten huwen met Sifri Katun, de dochter van Alp Arslan, hetgeen geschiedt. Een decennium later huwt al-Muktadi een tweede vrouw, prinses Mah-i Mulk Khatun, de dochter van Terken Khatun, de meest invloedrijke vrouw ten tijde van het Seltsjoekse sultanaat, wier vreugde geen grenzen kent als een jaar na het huwelijk er een zoon wordt geboren – Abu’l-Fadl – die wellicht al-Muktadi zou kunnen opvolgen in plaats van al-Mustazhir, een eerder geboren kind uit een relatie van al-Muktadi met een concubine. Sultan Malik Sjah I eist van de kalief om Abu’l-Fadl tot opvolger te benoemen en Bagdad te verlaten. Als dat gebeurt zou het een totale overname inhouden van het kalifaat der Abbasiden door de Seltsjoeken.

De kalief heeft geluk, de sultan overlijdt, waarna er een burgeroorlog uitbreekt tussen diens kinderen over de opvolging die in elk geval de troonbestijging van al-Mustazhir na de dood van zijn vader in 1094 niet belemmert. Uiteindelijk wordt in 1105 Mohammed Tapar, de tweede zoon van Malik Sjah I benoemd tot sultan, terwijl zijn broer Sanjar de belangrijke provincie Khorasan onder zijn hoede krijgt. Kalief al-Mustazhir onderhoudt goede contacten met de nieuwe sultan en huwt diens zuster, Terken Khatun II.

De oppermachtige Seltsjoeken

Al-Mustazhir
Perzische miniatuur van kalief al-Mustarshid (12e eeuw, latere voorstelling)
Al-Mustazhir overlijdt in 1118 en zijn zoon al-Mustarshid volgt hem op. Ook sultan Mohammed Tapar sterf in dat jaar en Sanjar neemt het stokje over als opperheer van de Seltsjoeken. Hij verhuist niet naar Bagdad, maar kiest ervoor om zijn domicilie te houden in de Khorasaanse hoofdstad Merv, waarmee de centrale macht van het sultanaat verschuift naar het oosten. Sanjar gaat een zeer lange regeringsperiode tegemoet tot aan zijn dood in 1157. Vanaf 1119 wordt Irak beschouwd als een apart Seltsjoeks koninkrijk wat een interne twist doet ontstaan onder de Seltsjoekse prinsen. In 1127 poogt een van hen, Mahmud, Bagdad onder controle te krijgen, maar overlijdt, waarna zijn broer Ma’sud een gooi doet naar de macht over de hoofdstad.

In het besef dat zijn militaire macht beperkt is, waagt al-Mustarshid zich aan een zoektocht naar steun in de regio en verlaat met zijn leger de stad. Maar tal van Turkse krijgers laten hem in de steek en sluiten zich aan bij prins Ma’sud die vervolgens weinig moeite heeft om de kalief tot staan te brengen en hem te dwingen tot overgave. Een overgave die al-Mustarshid duur te staan komt, want hij voert tal van schatten met zich mee – bedoeld om steun te kopen – zoals veertig miljoen dinars gedragen door tientallen muildieren en nog vele andere goederen op de rug van enkele duizenden kamelen.10

Ma’sud neemt de kalief onder zijn hoede als gevangene op zijn tocht om af te rekenen met zijn broederlijke concurrenten, maar wordt door Sanjar op de vingers getikt die hem beveelt de kalief onmiddellijk in vrijheid te stellen en hem eervol te behandelen. In 1035 wordt de kalief vermoord, een daad waarover tal van interpretaties bestaan. Zijn het de Assassijnen geweest, of heeft Sanjar er de hand in gehad? Hoe dan ook, het is duidelijk dat de Seltsjoeken bevreesd zijn voor de populariteit van al-Mustarshid en hem de pas wilden afsnijden.

De volgende kalief, al-Mustarshids zoon al-Rashid, bevindt zich direct in een netelige situatie. Hij wil wraak nemen op de moordenaars van zijn vader, maar Ma’sud zet hem het mes op de keel door een betaling te eisen van vierhonderdduizend dinars die zijn vader hem schuldig zou zijn. Al-Rashid waagt een wanhoopspoging door de wapenen op te nemen tegen de Seltsjoek en verlaat, net als zijn voorganger, Bagdad om steun te zoeken. Van die gelegenheid maakt Ma’sud gebruik door de hoofdstad binnen te trekken waar hij de religieuze geleerden bijeenroept en hen onder het uiten van beschuldigingen van wangedrag van de kalief dwingt al-Rashid af te zetten. Vervreemd van zijn machtsbasis zet al-Rashid koers richting Isfahan waar hij om het leven komt als slachtoffer van een overval. Ma’sud benoemt in 1136 al-Muktafi, een broer van al-Mustarshid tot kalief, waarmee hij hoopt iemand op de troon te hebben gezet die volgzaam is. Hij verbiedt hem er een eigen leger op na te houden en drukt hem op het hart zich uitsluitend bezig te houden met zaken van religieuze aard.

Nieuwe machtsverhoudingen

De macht van het kalifaat lijkt op een dieptepunt te zijn beland, maar er is verandering op komst. Een nieuwe golf van Turkse migranten, de zogeheten Qara-Khitan, nomaden uit Centraal-Azië, verdreven door koude en gebrek aan voedsel, overspoelt het oosten van het moslimrijk en verslaat de legers van Sanjar in de slag bij Qatwan nabij Samarkand in 1141. Als Ma’sud in 1153 overlijdt en Sanjar het jaar daarop een tweede slag wordt toegebracht door de Qara-Khitan, is de macht der Seltsjoeken tanende en keren de kansen voor al-Muktafi. De kalief bouwt, tegen de wens van Ma’suds zoon en opvolger Mohammed, een eigen leger op bestaande uit Grieken en Armeniërs. Hij rekruteert geen Turken die hij onbetrouwbaar acht.

Een beleg van Bagdad door Mohammeds troepen weet de kalief te doorstaan, niet in het minst geholpen door diverse Seltsjoekse prinsen die bij afwezigheid van de sultan zijn residentie Hamadan, gelegen in West-Iran, in handen proberen te krijgen, wat de sultan noopt tot terugtrekking. Kalief al-Muktafi maakt niet de fout van zijn voorgangers door Bagdad te verlaten en laat het gevecht met de Seltsjoeken over aan zijn minister Awn al-Din ibn Hubayra die de Seltsjoeken van hun macht berooft en vervolgens zelf benoemd wordt tot sultan van Irak. Dit is van grote betekenis voor de Abbasiden omdat vanaf dat moment hun religieuze autoriteit, net als in de hoogtijdagen van het kalifaat, zich uitstrekt tot in het wereldlijke domein.

Ten tijde van het bewind van al-Muktafi’s zoon, al-Mustandjid, die aantreedt bij de dood van zijn vader in 1160, zet deze tendens zich voort. De nieuwe kalief voert een mild belastingbeleid, wat zijn populariteit goed doet. Enkele jaren later laat hij de vermelding van de Seltsjoeken op munten verwijderen, een teken van de toenemende autoriteit van de kalief. Maar al-Mustandjid, die eigenlijk meer geïnteresseerd is in literatuur en wetenschap dan in bestuurlijke aangelegenheden, kiest zijn paleiselijk personeel niet al te zorgvuldig, hetgeen hem duur te staan komt. Hij wordt door zijn Turkse kamerheer en diens coterie, die zo hun eigen belangen nastreven, in 1070 om het leven gebracht. Zijn opvolger, al-Mustadi, maakt een einde aan deze interne bedreiging door in te spelen op de publieke sentimenten. Het volk draagt hem op handen, wat de kalief in staat stelt om zich van alle onbetrouwbare elementen in zijn directe omgeving te ontdoen.

In 1171 maakt de door zijn latere verovering van Jeruzalem bekend geworden Koerdische soenniet Saladin – voluit Al-Nasir Salah ad-Din Yusuf ibn Ayyub – een einde aan het kalifaat van de Fatimiden, waarmee hij de titel verwerft van sultan van Egypte en de dynastie van de Ayyubiden sticht. Het biedt kalief al-Mustadi de gelegenheid om de aldaar officiële sjiitische staatsreligie te vervangen door het soennisme, wat zijn status als leider van de moslimgemeenschap aanzienlijk versterkt. Als Saladin in 1187 het leger van kruisridders verslaat, stuurt hij de kalief een bijzondere trofee: het Heilige Kruis dat hij verovert op de christenen tijdens de definitieve slag bij Hattin. Met dit alles verheft de kalief zich tot de islamitische pendant van de paus.11

Tezelfdertijd vindt de kalief een nieuwe bondgenoot in Qilij Arslan II, de Seltsjoekse leider van het in Anatolië gelegen rijk van Rum, die in 1176 de Byzantijnse keizer Manuel Komnenos een gevoelige nederlaag toebrengt in de slag van Myriocephalon. Vanaf dat moment tooit deze zich met de titel sultan van Rum, wat erop wijst dat dit de goedkeuring had van de kalief die daarmee opnieuw diens autoriteit bevestigd ziet. Datzelfde betreft Shahabuddin Muhammad Ghowri die heerst als door de Abbasiden erkend sultan over het Ghowridenrijk dat zich uitstrekt over het huidige Afghanistan, Pakistan en het noordelijk deel van India met de hoofdstad Delhi waar de beroemde Quwwat al-Islam moskee wordt gebouwd.

De Quwwat al-Islam moskee in Delhi
De Quwwat al-Islam moskee in Delhi (CC BY 2.0 – stevekc – wiki)

Keerpunt

In 1180 komt de zoon van al-Mustadi, al-Nasir, aan de macht, die veel aandacht besteedt aan het bewaken van de stabiliteit van het kalifaat. De eeuwenoude tegenstellingen tussen soennieten en sjiieten weet hij te overbruggen door de benoeming van een vizier van sjiitische huize. Ook de toenemende belangstelling voor het soefisme aan het hof, dat meer focust op spirituele eenheid dan op dogmatische haarkloverijen, speelt een rol. In dit opzicht is de allang bestaande futuwwa voor de kalief van betekenis.

Het is een beweging die eigenschappen als ridderlijkheid, broederschap en sociale solidariteit hoog in het vaandel heeft en een kader biedt voor praktische samenwerking. Futawwa-gemeenschappen in Bagdad en elders worden opgeroepen om de kalief als centrale figuur van deze beweging te erkennen. De futuwwa, als omvangrijk gezelschap rond de kalief, vormt een soort van supportersvereniging die bevorderlijk is voor het bewaren van de sociale cohesie binnen het kalifaat.12

Met al-Nasirs komst als kalief begint een periode waarin de Abbasiden zich ontworstelen uit de greep van de Seltsjoeken met wie zij intussen door onderlinge huwelijken stevig zijn verknoopt. Al-Nasir maakt een einde aan deze verhouding met de Seltsjoeken en slaagt erin hun macht te breken in Irak en Iran door controle te verwerven over het Zagrosgebergte dat zich uitstrekt vanaf Oost Irak tot in het zuidwestelijk deel van Iran. In eerste instantie doet hij dat met hulp van Tekish, de sjah van het Perzische Khwarazm oftewel Chorasmië, een rijk dat zich onder Seltsjoeks vazalschap bevindt. Nadat de Seltsjoeken in 1194 zijn verslagen, keert Tekish zich tegen al-Nasir omdat hij, net als de kalief, het beheer over de veroverde gebieden opeist.

In zijn strijd tegen de Khwarazm weet de kalief zich gesteund door voornoemde Ghworiden, maar het is een onbeslist gevecht dat voor beide partijen de totale uitputting betekent. Uiteindelijk keert de bevolking zich tegen de opvolger van Tekish, Ala al-Din Mohammed, die niet alleen hun weerzin heeft gewekt door een alliantie aan te gaan met de heidense Qara-Khitan, maar zich tevens beijvert voor de vervanging van al-Nasir door een sjiietische kalief.

Al-Nasir overlijdt in 1225 na een langdurige regeringsperiode van vijfenveertig jaar tijdens welke, zo wordt beweerd, hij niet alleen enorme goudschatten verzamelt als appel voor de dorst, maar zich eveneens een weldoener toont, wat blijkt uit zijn donatie van zijn persoonlijke boekencollectie aan de Nizamiyya bibliotheek die in omvang die van de Andalusische kalief al-Hakam II, bestaande uit een verzameling van vierhonderdduizend boeken, overtreft. Zijn zoon al-Zahir volgt hem op, maar regeert slechts negen maanden. Al-Mustansir, kleinzoon van al-Nasir, wordt de nieuwe kalief. Met het aantreden van al-Mustansir treedt de neergang in van het kalifaat van Bagdad. De Mongolen verschijnen op het Abbasidische toneel.

Noten

1 – Kennedy, H., The Prophet and the Age of the Caliphates, The Islamic Near East from the six to the eleventh century, Longman New York 1986 p. 218.
2 – El-Hibri, T., The Abbasid Caliphate, Cambridge University Press 2021 p. 182.
3 – Op. cit., p. 184.
4 – Op. cit., p. 178.
5 – Op. cit., p. 193.
6 – Ray maakt nu deel uit van de metropool Teheran.
7 – Ellenblum, R., The Collapse of the Eastern Mediterranean, Climate Change and the Decline of the East, 950 – 1072, Cambridge University Press 2012 p. 61 e.v.
8 – Op. cit., p. 76.
9 – El-Hibri, op. cit., p. 206.
10 – Op. cit., p. 222.
11 – Op. cit., p. 229.
12 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 2 The Expansion of Islam in the Middle Periods, The University of Chicago Press 1977 p. 238. Zie ook El-Hibri, op. cit., p. 238.
×