David Brenner was tien jaar oud toen de Duitse autoriteiten hem, zijn zus Sara, zijn moeder en 16.000 andere Duits-Poolse joden in oktober 1938 de grens met Polen over dreven. Kort daarvoor was zijn vader naar de Verenigde Staten vertrokken en had zijn oudere zus Rachel onderdak gezocht bij familie in België. David kon het niet weten, maar er stond hem een helse tocht te wachten, een uitputtende reis die hem tot in Iran en Palestina zou brengen.
Noch zijn moeder, noch zijn zus zouden de tocht overleven. In De vlucht van David Brenner, reconstrueert de Zuid-Hollandse schrijfster Nicolette Knobbe in een meeslepende romanstijl vijf jaar uit het leven van een tienerjongen, wiens ontsnappingsroute naar het leven over drie verschillende continenten liep.
Van Keulen tot Atlit
Davids werkelijke naam was Joseph Rosenbaum, en hij was geen tien maar zeven jaar oud toen de eerste dramatische gebeurtenissen uit het boek zich afspeelden. Zijn ouders waren orthodoxe joden van Pools-Russische origine, die zich al lang in Keulen hadden gevestigd. Joden maakten in die tijd nog geen 2,5% van de Keulse bevolking uit, en zelfs binnen de joodse gemeenschap was de orthodoxe gemeente een kleine minderheid.

Toen de Duitsers in september 1939 Polen binnenvielen, vluchtten de Brenners verder oostwaarts. Ze sliepen onder de blote hemel, op de koude grond, trokken de San over en werden per trein dieper het Russische territorium in gevoerd, tot het noordelijke Archangelsk, van waar ze per vrachtwagen naar werkplekken werden gebracht. Het is daar dat Davids moeder en grootvader van ontbering stierven. “Door alle slechte omstandigheden waren moeder en opa overleden. Alles, alles was de schuld van de nazi’s.”
In juni 1941 viel de Duitse Wehrmacht de Sovjet-Unie binnen. Halsoverkop trokken David en zijn familie naar het zuiden, naar Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan, waar ze na een treinrit van tien dagen arriveerden. Ze kwamen van de regen in de drop terecht: barakken zonder verwarming of bedden, bijtende kou en knagende honger. David ging uit stelen om te overleven.
De Brenners/Rosenbaums vluchtten verder, naar Kazachstan, waar ze in een kolchoz terechtkwamen, in armoedige hutten. Hun eten bestond uit wat meel en pap. “Het vulde hun magen, al stilde het de honger nauwelijks.” Davids vertwijfelde speurtocht naar voedsel volstond niet om zijn zus in leven de houden – ze stierf in erbarmelijke omstandigheden. “Met zijn tweeën droegen ze Sara naar buiten. Nu had hij echt niemand meer.” Ook David ontsnapte op wonderbaarlijke wijze aan de dood. In het ziekenhuis waar hij werd verzorgd hoorde hij voor het eerst over Teheran, waar eenheden van het Poolse leger de Duitsers bestreden, en waar joodse kinderen onderdak kregen. David besloot te vertrekken. Via een katholiek weeshuis, waar antisemitische priesters hem het leven zuur maakten, nam hij de wijk naar Perzië, waar hij na een zoveelste slopende voet-, trein- en boottocht in de zomer van 1942 aankwam.
Davids calvarieweg stopte niet in Teheran. In februari 1943 bracht een schip hem via India naar Egypte, een reis van achtendertig dagen, van waar hij verder spoorde richting Haifa. “De woestijn maakte plaats voor groene heuvels, olijfbomen en eindeloze rijen sinaasappelbomen,” schreef Knobbe. “Hoe verder ze reden, hoe groter het feest werd in de kleine stadjes langs het spoor. Mensen zwaaiden met blauwwitte vlaggen en juichten.” In het opvangkamp van Atlit wachtte hem een zacht bed met schone lakens. Op de kussens stond ‘Welcome home’ geschreven. Pas nu, besloot Knobbe, besefte David dat hij veilig was.
Romanesk verdichtsel, historische reconstructie
De vlucht van David Brenner is een spannende en aangrijpende historische roman. De schrijfster opteerde voor een eenvoudige taal, met korte zinnen – vaak niet meer dan een tiental woorden – en een ongecompliceerde woordenschat. Die schrijfstijl versterkt de indruk dat het hele relaas rechtstreeks uit de mond van een kind komt. Het boek is chronologisch opgebouwd, de verschillende episodes zijn gemakkelijk te volgen en worden realistisch geschetst.
Het levensverhaal van David Brenner/Joseph Rosenbaum en dat van de Teherankinderen verdient het om verteld, beluisterd en gelezen te worden, en voor de intellectuele inspanningen die Knobbe deed om de lange omzwervingen, de gevoelswereld van het hoofdpersonage en de historische context op een coherente wijze te schetsen verdient ze alle lof. Ook haar oproep om de ellende van vluchtende kinderen, vandaag en waar ook ter wereld, niet te vergeten, en haar engagement om de helft van de royalty’s van haar boek aan UNICEF te schenken, getuigen van diepe maatschappelijke betrokkenheid en een groot hart.
Laat het dan ook met mildheid zijn dat we de lezer op enkele knelpunten in de historische reconstructie wijzen. “Waar rechtstreekse bronnen ontbraken, heb ik keuzes gemaakt op basis van documenten, kaarten en getuigenissen,” schrijft de auteur in een kort nawoord. “Ik ben daarbij steeds zo dicht mogelijk gebleven bij wat Joseph gezien of gevoeld kan hebben.” Bij nader inzien lijkt dat echter niet altijd het geval te zijn.

In het derde hoofdstuk schetst de auteur in detail hoe de familie in het Duits-Poolse niemandsland in een vieze stal verbleef, waar ze mest moest wegscheppen om een schamele slaapplaats op de grond vrij te maken. Met wat spaargeld huurde moeder daarna een kamer in het dorp, waar ze werd belaagd door een bezopen verhuurder. Met haar zoon en dochter (die toen hooguit vier jaar oud was) zou moeder het zware bed tegen de deur hebben geschoven om de opdringerige man op afstand te houden. Maar op de vraag van de interviewer of hij zich iets herinnerde van de omstandigheden in het huishouden, antwoordde Rosenbaum in 1994:
Ik heb geen exacte herinneringen aan die plaats. Negen maanden zijn op één of andere manier uit mijn geheugen gewist. We bleven er negen maanden, of een half jaar (…).
Op foto’s had hij gezien dat er een park in de nabijheid van hun flat was, daar moet hij dus hebben gewandeld, meende Rosenbaum. “Tot op zekere hoogte waren we gelukkig, dus ik heb geen slechte herinneringen, op die drie dagen in het station na heb ik geen slechte herinneringen.” Een vreemde reconstructie dus, zeker wanneer men zich realiseert dat Joseph Rosenbaum de enige overlevende getuige van deze episode is.
De foto van zijn vader, die door een gevoelloze Duitser in stukken zou zijn gescheurd en die de kleine David/Joseph liefdevol bij zich droeg, doortrekt als een Leitmotiv de roman. Ook de trouwring van zijn moeder koesterde hij als een kleinood – Knobbe liet haar personage na de oorlog aan zijn vader schrijven dat hij moeders trouwring nog steeds bij zich droeg, “ik had hem zo goed verstopt dat ik hem bijna was vergeten” (p. 338). Maar in 1994 getuigde Rosenbaum dat zijn moeder de trouwring had verkocht in Siberië, en dat deed hij nogmaals in een later interview, in mei 2009. Op de vraag of hij iets bijzonders had meegenomen uit Keulen, antwoordde hij toen: “Niet dat ik mij kan herinneren.” Van een aan mekaar geplakte foto was op dat ogenblik alvast geen sprake. Dat hij zich in die vreselijke oorlogsjaren nog emotioneel aan objecten of mensen kon hechten, werd door de getuige meermaals ontkend. “Ik was afgestompt, ik weet dat ik afgestompt was,” bevestigde hij. Zelfs bij het zien van foto’s van zijn familie moest hij erkennen: “Eerlijk, ik voelde me afgestompt.”

Maar op de vraag van de interviewer of hij onderweg, buiten de trein, op weg naar de zuidelijke Sovjet-Unie, antisemieten had ontmoet, antwoordde Rosenbaum beslist: “Nee, nee, nee, nee. Het kon de Russen niet schelen.” Over zijn tijd in het hospitaal zei hij: “Ik voelde geen vijandigheid. Of als dat wel zo was, dan blokte ik het af, het liet mij koud.” Het eerste antisemitisme werd hij naar eigen zeggen ergens in de eerste helft van 1942 gewaar, niet door nazi’s, maar in het weeshuis dat werd gerund door katholieke priesters en nonnen. “Wreedheden kan ik mij herinneren,” getuigde hij, “maar geen goede dingen.”
De romaneske waarheid heeft haar eigen dynamieken en wetmatigheden, die niet altijd perfect met de historische realiteit resoneren. Romanschrijvers en historici hanteren vaak andere onderzoeksmethoden en streven verschillende – even legitieme – doelen na. Moge het mooie verhaal dat Knobbe gereconstrueerd heeft, en dat het méér dan verdient om door een breed publiek gelezen te worden, de lezer uitnodigen om ook de confrontatie aan te gaan met het rauwe bronnenmateriaal. Zo betreden ze misschien een brutale, troostende, broze, soms onrechtvaardige, altijd onvolmaakte en tegenstrijdige (kortom: een echt menselijke) wereld, die weliswaar raakvlakken heeft met de roman, maar er toch nooit helemaal mee samenvalt.
Boek over Joodse jongen die 22.000 kilometer aflegde om te overleven
Een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust
Oekraïense pogroms als voorbode van nazimisdaden twintig jaar later
In Memoriam – Herinnering aan een vermoord kindBlijf op de hoogte van nieuwe artikelen