Was Jacob Cats beter in dichten dan in staatszaken?

7 minuten leestijd
Portret van Jacob Cats uit 1618
Portret van Jacob Cats uit 1618
Deze week verschijnt bij uitgeverij Omniboek het boek Burgers aan de macht van Arnout van Cruyningen. Hierin staat de geschiedenis van het ambt van raadpensionaris centraal, met korte biografieën van de mannen die deze functie tussen de vijftiende en negentiende eeuw bekleedden. Op Historiek een fragment over Jacob Cats, bekend als dichter én staatsman. In 1636 werd hij benoemd tot raadpensionaris. Bakte hij er wat van?

Jacob Cats, raadpensionaris 1636-1651

In 1636 kon de waarneming van het raadpensionarisschap door Cats wel zonder problemen worden omgezet in een reguliere aanstelling. Zeeland had de instructie voor hun raadpensionaris inmiddels gecorrigeerd. Hij hoefde geen ‘geboren Zeelander’ meer te zijn. En dus hoefde Holland zich niet langer bezwaard te voelen om een Zeeuw te benoemen. Ingezetenen van de beide provinciën Holland en Zeeland waren ‘tot alle Ambten’ toegelaten.

De benoeming had een vlot verloop, aangezien het duidelijk was dat een raadpensionarisschap van de volgzame Jacob Cats door prins Frederik Hendrik werd gewenst. Hoewel verschillende Statenleden hun bedenkingen hadden bij Cats, werd hij met algemene stemmen voor vijf jaar gekozen. Cats legde op 7 juni de eed af in handen van een van de edelen in de Staten, nadat hij had bedongen dat hij tot raadsheer in de Hoge Raad werd aangesteld wanneer zijn termijn zou zijn verstreken. Voorzichtigheid leek geboden nu hij zijn vaste betrekking in Dordrecht opgaf en het niet vaststond dat hij na vijf jaar zou worden herbenoemd als raadpensionaris. Zijn afscheid van Dordrecht werd in de notulen van de raad uiterst sober vermeld:

Sinne- en minnebeelden - Jacob Cats
Sinne- en minnebeelden – Jacob Cats
Op den XXV Junij 1636 heeft d’Heere Mr. Jacob Cats sijn afscheijt als Raetpensionaris van de Stadt Dordrecht aen den Outraet genomen, ende is bedanckt van sijnen dienste ende geluckt gewenscht met sijne Charge als Raetpensionaris van Hollandt.

Met het aanvaarden van het raadpensionarisschap kwam er voorlopig een einde aan Cats’ activiteiten als dichter. Vanaf 1618 had hij diverse dichtwerken met een stichtelijk en zedelijk karakter gepubliceerd, waaronder Houwelyck, dat is het gansch beleyt des echten Staats afgedeelt in ses Hooft-stukken Maecht, Vrijster, Bruyt, Vrouwe, Moeder, Weduwe, uit 1625, waarin hij het huwelijk prees als de basis van heel het maatschappelijk leven. Later volgde onder meer een grote bundel met verzen over zaken als opvoeding en allerlei huiselijke aangelegenheden, die buitengewoon populair werd.

Voor het ambt van raadpensionaris bleek Cats eigenlijk niet geschikt. In het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek oordeelde J. Prinsen erg streng:

Zijn werkzaamheid als zodanig heeft niet tot zijn roem bijgedragen.

Volgens Prinsen was Cats…

…stellig een bekwaam administrateur, maar een staatsman van betekenis, zoals nodig was voor dat ambt was hij geenszins; zijn volgzaamheid maakte het hem intussen mogelijk met Frederik Hendrik die geen krachtige, zelfstandige figuur naast zich zou geduld hebben, samen te werken.

Ontmoeting van raadpensionaris Cats met prins Willem II. Gravure van Philippus Velijn, naar een tekening van Jacob Smies, 1828. (Rijksmuseum Amsterdam)
Ontmoeting van raadpensionaris Cats met prins Willem II. Gravure van Philippus Velijn, naar een tekening van Jacob Smies, 1828. (Rijksmuseum Amsterdam). Uit: Burgers aan de macht
Ook tegen Frederik Hendriks opvolger Willem II was Cats niet opgewassen.

De prins legde al eerder de eed af, maar zijn plechtige installatie als stadhouder van Holland en Zeeland vond uiteindelijk plaats op 23 januari 1648. Dat gebeurde in Den Haag met het nodige ceremonieel en ‘met grooter eerbiedingh’. Nadat prins Willem II omstreeks elf uur in de raadkamer van het Hof van Holland was binnengeleid en verwelkomd, nam hij plaats ‘in den Stoel van de Stadt-houder’. Als eerste sprak Hollands raadpensionaris Jacob Cats de vergadering toe. Hij bracht de grote verdiensten van Willem I, Maurits en Frederik Hendrik in herinnering. Prins Willem I had ‘door Gods zonderlinge Genade’ de eerste ‘grondsteen van deze Staat’ gelegd. Prins Maurits had met heldenmoed en ‘hoog-wijs beleid’ de middelmuren gebouwd en bij wijze van spreken de balken ‘in het gebouw van deze Staat’ gelegd. Prins Frederik Hendrik had vervolgens op de gebouwde middelmuren en gestrekte balken ‘het dak en deksel’ opgericht en daarop een ‘vliegende banier’ gezet. Deze prins had onder Gods zegen, zowel door de kracht van wapenen als door wijs beleid, bewerkstelligd dat uiteindelijk de hoogmoedige en geduchte koning van Spanje ‘zo laag is gedaald van de verheven Troon van zijn hoogmoed’, dat hij aan deze staat niet alleen een wapenstilstand had aangeboden maar ook een vredesverdrag wilde sluiten dat inhield dat de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden en de onderscheiden provinciën ‘vrije en Soevereine Staten, Provinciën en Landen’ zijn, waarop de koning van Spanje en zijn opvolgers niet langer aanspraak maakten.

Er was goede hoop dat prins Willem II ‘de loffelijke voetstappen van zijne voortreffelijke voorouders’ onfeilbaar zou navolgen, ten goede van de staat, en zo het opgerichte politieke bouwwerk ‘conserveren’ en ‘versieren’. Dit alles was in acht genomen, en ‘na rijpe deliberatie’ hadden de Staten de prins tot stadhouder van deze provincie ‘ge-eligeert ende ghekoozen’ en hem de benodigde brieven van commissie doen toekomen. Daarop was ‘den behoorlijcken Eedt’ van de prins ontvangen. Het enige wat nu nog restte was de introductie van Zijne Hoogheid in het Hof van Holland, het gerechtshof. Cats presenteerde deze voortreffelijke vergadering een ‘kostelijk en uitgelezen pand’:

Sijne Hoogheydt Prins van Orangien hier tegenwoordigh, als Stadt-houder, Gouverneur, Capiteyn ende Admirael Generael deser Provintie.

Na Cats sprak de Zeeuwse raadpensionaris mr. Cornelis Stavenisse.

Van der Aa’s negentiende-eeuwse Biographisch woordenboek der Nederlanden velde een mild oordeel over Jacob Cats:

Als staatsman moge hij al niet geschitterd hebben; hij heeft nochtans het gewichtig ambt van Raadpensionaris in een zeer netelige tijd met wijsheid en voorzichtigheid waargenomen. Zijn grondige rechtskennis, geleerdheid en mensenkennis, zijn opmerkzame geest en schrander oordeel maakten hem alleszins bevoegd en bekwaam tot deze inderdaad hoogst moeilijke post, die hij dan ook, tegen een waarlijk geringe bezoldiging, met de grootste lust en ijver, trouw en eerlijk waarnam, zonder zichzelf of iemand der zijnen door zijn invloed te bevoordelen. Ook was hij geheel onbedreven in de verachtelijke streken der roerloze staatkunde en al die misdaden welke men dikwijls kunst van regeren noemt. Ja! Hadden alle staatslieden naar Cats gezweemd, hoeveel rust en geluk zou er niet heersen op aarde!

In het (digitale) Dordts biografisch woordenboek stelt Johan Koppenol dat Cats’ raadpensionarisschap lange tijd weinig aandacht heeft gekregen. Volgens Koppenol is het de vraag of de grotendeels negatieve twintigste-eeuwse waardering terecht is.

Cats stond op goede voet met Frederik Hendrik, hij wist conflicten te vermijden en tijdens zijn ambtsperiode zou de Nederlandse Republiek naar de toppen van haar macht groeien.

Jacob Cats
Schilderij van dichter Jacob Cats (1577-1660), schilderij uit 1634
Toen de jaren voor Jacob Cats gingen tellen en zijn taken hem steeds zwaarder vielen, stond Adriaen Pauw hem daarin bij. De rollen waren daarmee omgedraaid. Eerder had Cats raadpensionaris Pauw vervangen, vanaf 1648 verving Pauw de oude raadpensionaris Cats soms.

Na het plotselinge overlijden van stadhouder Willem II in 1650 bereidde Cats de zogenoemde Grote Vergadering voor, die in 1651 in de Grote Zaal (huidige Ridderzaal) in Den Haag werd gehouden. Ook hier liet zijn optreden veel te wensen over. Cats opende de vergadering op 18 januari 1651 met een toespraak waarin hij onder meer opmerkte:

Nadat door de onbegrijpelijke oordelen van God Almachtig de Heer Prins Willem van Oranje, onsterfelijker memorie, haastig en onverwacht is komen te overlijden, zonder enige vrucht van zijn lichaam na te laten, doch is naderhand door Gods Genade een Jonge Prins gelukkig geboren, zo werd bevonden dat de Staat van deze Verenigde Nederlanden in een zodanige toestand is gekomen, waarin deze sinds het fundamentele begin nog nooit is geweest, te weten dat er niemand is van het Huis van Oranje die capabel en bekwaam is om te wezen wat de vorige Prinsen zijn geweest.

Hij hield in augustus ook de slottoespraak, wat de dominante positie van Holland in de Unie onderstreepte.

Na deze vergadering nam Cats eind augustus 1651 ontslag als raadpensionaris. In het autobiografische dichtwerk Twee en tachtigh-jarigh leven maakte hij duidelijk zijn vertrek als een verlossing te zien:

Des ben ick op het lest van mijnen dienst ontslagen;
En my wierd danck geseyt voor mijn getrouwe vlijt,
En voor den swaren dienst en soo geruymen tijt. (…)
Het is een lastigh ampt dat ick nu heb verlaten,
Het swaerste soo men houdt van onse groote staten:
Wie heeft dit wichtigh ampt voor desen oyt bekleedt,
Die niet daer uyt en viel door smaet of hertenleet?

Van beyde ben ick vry; ick heb geen hoon geleden,
Want ick ben van den staet vrywilligh afgetreden:
En mits ick was ontlast, soo was ick gansch verblijdt,
Vermits ick van de sorgh ten lesten was bevrijdt.

Hoewel hij tot zijn dood in naam grootzegelbewaarder van Holland bleef, bracht hij de laatste fase van zijn leven feitelijk als ambteloos burger door op zijn landgoed Sorghvliet tussen Den Haag en Scheveningen. De woning die hij hier liet bouwen is het tegenwoordige Catshuis. Ook de dichtader vloeide weer. Hij publiceerde onder meer een berijmde gezondheidsleer en een berijmde schets van zijn ‘huys-houdinge op Sorghvliet’. Jacob Cats overleed hier ‘gerust en blijmoedig’ op 12 september 1660, bijna 83 jaar oud. Zijn lichaam werd naast dat van zijn in 1631 overleden echtgenote Elisabeth van Valckenburch bijgezet in de Haagse Kloosterkerk. Van de zeven uit het huwelijk geboren kinderen was in 1660 alleen dochter Elisabeth nog in leven.

Burgers aan de macht - Arnout van Cruyningen
 
Na zijn dood beleefde de uitgave Alle de Wercken van Jacob Cats tot in de twintigste eeuw tal van herdrukken en edities. Lange tijd bezaten veel doorsnee huishoudens in de Nederlanden naast de Statenbijbel een exemplaar van Alle de Wercken. Vanaf de late negentiende eeuw werd zijn werk vaak verguisd als rijmelarij, maar enkele spreuken van ‘Vader Cats’ leven nog altijd voort:

  • Kinderen zijn hinderen
  • Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is
  • Om de wille van de smeer likt de kat de kandeleer
  • ’t Zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen
  • Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel
  • Al draagt de aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×