Drie belangrijke historische objecten terug naar Indonesië

5 minuten leestijd
teruggave indonesie
De drie objecten - Foto's Collectie Wereldmuseum Rotterdam

Drie belangrijke cultuurobjecten uit de collectie van het Wereldmuseum gaan terug van Nederland naar Indonesië: een dertiende-eeuws beeld van de god Shiva, een steen met inscriptie uit de vijftiende eeuw en een koran die in 1896 is geroofd uit de woning van de Atjehse verzetsheld Teuku Umar. De objecten gaan naar Museum Nasional in Jakarta. Dat meldt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in een dinsdag uitgegeven persbericht.

Het Shiva-beeld en de steen met inscriptie waren tot nu toe eigendom van de Nederlandse Staat. Beheerd werden ze door respectievelijk Wereldmuseum Amsterdam en Wereldmuseum Leiden. De koran was bezit van de gemeente Rotterdam en in beheer bij Wereldmuseum Rotterdam.

Net als het ministerie stemt de gemeente Rotterdam in met teruggave aan Indonesië. Daarmee volgen ze het advies van de Commissie Koloniale Collecties. Zeer aannemelijk is volgens die commissie dat het beeld en de inscriptie uit Nederlands-Indië tegen de wil van de plaatselijke bevolking zijn weggehaald. In het geval van de koran is wel zeker dat de eigenaar daarvoor nooit toestemming gaf.

Om teruggave van de koran vroeg Indonesië op 1 juli 2022, voor Shiva-beeld en steen met inscriptie gebeurde dat op 20 september 2023. De drie vestigingen van het Wereldmuseum hebben de geschiedenis van de objecten onderzocht. Daarbij is samengewerkt met Indonesische deskundigen.

Shiva-beeld

Het beeld van Shiva
Het beeld van Shiva – Foto: Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen
Het 1,23 meter hoge Shiva-beeld is gemaakt uit andesiet, een vulkanisch gesteente. Het toont een staande figuur met vier armen. De handen van de achterste armen houden een vliegenmepper en een bidsnoer vast, belangrijke attributen van hindoe-god Shiva. De rechterhand van de voorste armen rust met de duim omhoog in de linkerhand.

Het beeld stamt uit het hindoe-boeddhistische koninkrijk Singhasari (1222-1292) op Oost-Java. De precieze locatie is echter onduidelijk. Volgens een theorie uit 1932 stamt het uit tempel Candi Kidal, niet ver van de stad Malang, volgens een theorie uit 2008 komt het uit de oostelijker Candi Lumajang, ook wel Candi Gedung Putri genoemd. Het herkomstonderzoek kon beide theorieën bevestigen noch ontkrachten.

Zeker is dat voormalig koopvaardijkapitein Isaac Gerard Veening het beeld in 1851 schonk aan Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra in Amsterdam. Hoe Veening eraan kwam, is onbekend. Wel staat vast dat koloniale bestuurders en wetenschappers vanaf begin negentiende eeuw nogal eens hindoe-boeddhistische beelden van Java wegnamen. Ook zijn er zeer sterke aanwijzingen dat zulke beelden voor de toen al lang overwegend islamitische bevolking nog steeds waarde hadden. Geregeld werden ze vereerd en soms werden ze in het bos verborgen om ze tegen grijpgrage vingers te beschermen.

Prasasti Damalung

Zeker zo bijzonder als het beeld is de Prasasti Damalung/Ngaduman genoemde steen met inscriptie (96 centimeter hoog, 90 centimeter breed). ‘Prasasti’ betekent inscriptie en Damalung en Ngaduman geven de plaats van herkomst aan. Damalung is een aanduiding voor de vulkaan Merbabu, ten zuiden van de stad Salatiga (Midden-Java). Ngaduman verwijst naar een dorp bij de vindplaats op de vulkaanhelling. De inscriptie vermeldt jaartal 1371 Saka (1449/1450 in onze jaartelling). Op de Merbabu-hellingen bevonden zich destijds enkele ‘scriptoria’ in afgelegen religieuze gemeenschappen.

Prasasti Damalung
De inscriptie Prasasti Damalung/Ngaduman – Foto: Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

Uniek is dat de inscriptie is gesteld in een taalvariant die de overgang vormt tussen het oud-Javaanse Kawi-schrift en het nieuwere Buda-schrift. Dat maakt de inscriptie belangrijk voor het bestuderen van de ontwikkeling van het schrift op Midden-Java in de vijftiende eeuw, de laatste periode van het Majapahit-rijk.

In 1823 haalde resident Hendrik Jacob Domis de steen van de Merbabu-helling en zette hem in zijn tuin in Salatiga. In 1827 liet gouverneur-generaal Du Bus de Gisignies hem met andere oudheden naar Nederland verschepen ‘ten dienste van museums’. De Commissie Koloniale Collecties vindt het aannemelijk dat ook deze steen met inscriptie voor de lokale bevolking nog culturele waarde had toen de kolonisator hem weghaalde.

Prasasti Damalung
Door ‘I. Bik’ (mogelijk J.T. Bik, 1796-1875) gemaakte ets van de inscriptie in een fantasielandschap. De plaat verscheen in de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, deel X, 1825. (Illustratie www.biodiversitylibrary.org)
Maar wat staat er eigenlijk op die oude steen? Wel, dit is de vertaling die het Wereldmuseum hanteert:

Gegroet Sri Saraswati, grote en heilige berg Damalung (Merbabu, red.). Jij bent het leven in deze wereld, omringend, transformerend in een mens, een plaats van water … omdat Hyang Widi … door de God van de Zon, de God van de Maan die licht schijnt op het goede en slechte van Goden en mensen. Ook zij die zien, hebben een hart, horen en zullen ontsnappen aan alles wat de traditie verbiedt. Iedereen gelooft in gelijke mate in het ware verhaal. Als er zijn die … zonder dienaren geen vrouw kunnen brengen, zeven … hebben geen echte vrouw ǀ In het jaar Saka 1371.

De koran van Teuku Umar

Tot slot de koran van Teuku Umar, althans van diens gezin. Daarmee is iets eigenaardigs aan de hand: hij is helemaal niet bijzonder en juist heel bijzonder tegelijk. Dat zit zo.

De koran is in februari 1879 gedrukt met zwarte inkt op papier. Dat gebeurde bij uitgeverij al-Hasaniyya in Bombay (nu Mumbai) in India. De kaft is van rood leer met daarin zilverkleurige versieringen gestempeld. Volgens het herkomstonderzoek werden zulke korans in de tweede helft van de negentiende eeuw in India veel gemaakt en naar Indonesië verscheept. Niets bijzonders dus?

koran van Teuku Umar
De koran van Teuku Umar die teruggaat naar Indonesië – Foto: Collectie Wereldmuseum Rotterdam

In dit geval toch wel, want dit exemplaar heeft behoord aan Teuku Umar of een van zijn gezinsleden. En Teuku Umar (1854-1899) was dé verzetsleider in de door het koloniale gezag begonnen Atjeh-oorlog op Sumatra. Sinds 1973 is hij in Indonesië een officiële Nationale Held.

Aanvankelijk streed hij tegen de koloniale troepen, in 1893 gooide hij het met de Indische autoriteiten op een akkoordje om in maart 1896 de kar definitief te keren en uit te groeien tot dé grote Atjehse verzetleider. In mei 1896 hoopte het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger (KNIL) Teuku Umar te pakken te krijgen in zijn woning in Lampisang, even buiten de stad Banda Aceh (destijds Kota Radja). Dat huis hadden de koloniale autoriteiten voor hem laten bouwen als dank voor zijn samenwerking. In mei 1896 werd het door het KNIL geplunderd en platgebrand.

Teuku Umar
Teuku Umar
Teuku Umar kregen ze echter (nog) niet te pakken, wel onder meer de koran die nu naar Indonesië teruggaat. Die viel in handen van luitenant-kwartiermeester Ferdinand Kennick. Dat blijkt uit wat op het schutblad staat:

Op den 25en Mei 1896 (tweede Pinksterdag) is deze Koran door ondergeteekende buit gemaakt in het huis van Teukoe Oemar te Lam Pisang. Koeta Radja 6 Juni ’96, w.g. F. Kenninck. 2e Luit. Kwmr.

In februari 1899 lukte het de koloniale troepen om Teuku Umar bij Meulaboh, aan Atjehs westkust, alsnog in een hinderlaag te lokken en te doden. Dat was een klap voor het verzet. Maar zijn vrouw Cut Nyak Dhien (spreek uit: Tjoet Nja Dien, 1848-1908) nam het stokje over en vocht door tot het koloniale leger haar eind 1905 uitschakelde. Eerst werd ze naar Kota Radja gebracht, daarna verbannen naar Sumedang (West-Java), waar ze in 1908 overleed. Haar graf is er nog steeds te bezoeken. In 1964 werd de uitgeroepen tot Nationale Held.

De woning van Teuku Umar en Cut Nyak Dhien in 1896. Het KNIL plunderde de woning en stak hem in brand.
De woning van Teuku Umar en Cut Nyak Dhien in 1896. Het KNIL plunderde de woning en stak hem in brand.

Op de plek waar in 1896 de woning van Teuku Umar en zijn gezin werd platgebrand en waar de nu aan Indonesië teruggegeven koran werd buitgemaakt is in 1982 een replica van dat huis gebouwd. Het is ingericht als museum onder de naam Rumah Cut Nyak Dhien (Cut Nyak Dhien Huis). Dat het haar naam draagt en niet die van Teuku Umar wordt in het onderzoek naar de koran uitgelegd:

Terwijl Nederlandse koloniale bronnen spreken van het huis van Teuku Umar, duiden Acehse bronnen het huis aan als het bezit van Cut Nyak Dhien (…). Volgens het gewoonterecht (adat) in Aceh was de echtelijke woning het bezit van de vrouw en woonde haar echtgenoot bij haar in.

×