////

Feesten voor de VOC

Banda. De genocide van Jan Pieterszoon Coen – Marjolein van Pagee
Voormalig standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Batavia, ca. 1908
Voormalig standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Batavia, ca. 1908 (CC BY 4.0 - G. Kolff & Co. - wiki)
Deze week verschijnt bij uitgeverij Omniboek het boek Banda. De genocide van Jan Pieterszoon Coen. Hierin beschrijft Marjolein van Pagee een onthullende geschiedenis over de daden van de VOC op de specerijeneilanden. Vóór de komst van de Europeanen vormde Banda het centrum van een goed functionerend handelsnetwerk in nootmuskaat en foelie. Daaraan kwam abrupt een einde toen Nederlandse schepen in 1599 de kleine archipel bereikten. De Nederlanders dwongen de Bandanezen de handel met andere volken te staken en uitsluitend aan de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) te leveren. Natuurlijk verzetten de eilandbewoners zich tegen deze eis, waarop het VOC-bestuur besloot hen met geweld van hun land te verdrijven en er een plantagekolonie te stichten. Op Historiek een deel van het hoofdstuk over de koloniale discussies door de tijd heen.


Jaren van feest

Naast de verhalencultuur leeft het kolonialisme ook voort in uiterlijk vertoon. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werd de herinnering aan Jan Pieterszoon Coen en zijn daden nieuw leven ingeblazen, ter ondersteuning van de koloniale gebiedsuitbreidingen die onophoudelijk doorgingen en ook bekritiseerd werden. Multatuli kwam in 1860 met Max Havelaar en veroorzaakte een schokgolf. Misschien juist om die kritiek het hoofd te bieden, rees zowel in het thuisland als in de kolonie sterk de behoefte aan helden. De kolonie was dan wel ver weg en de problemen ook, maar bij het creëren van een nationalistisch zelfbeeld was ‘Indië’ altijd dichtbij. De Nederlandse grootsheid moest getoond worden op gebouwen, straten en pleinen.

Schets voor het standbeeld van JP Coen in Hoorn
Schets voor het standbeeld van JP Coen in Hoorn (CC0 1.0 – Rijksmuseum – wiki)
In 1876 werd in Batavia het eerste standbeeld voor Jan Pieterszoon Coen onthuld, in 1893 gevolgd door een tweede beeld in zijn geboortestad Hoorn. In 1903 diende zijn gestalte als decoratie voor het nieuwe beursgebouw van Berlage in Amsterdam. In diezelfde stad versiert zijn hoofd nog steeds het voormalig Scheepvaarthuis (nu hotel Amrâth) dat tussen 1913 en 1916 werd gebouwd en waarin de Amsterdamse rederijen kantoor hielden. Het voormalige gebouw van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), waarin nu het Stadsarchief van Amsterdam huist, werd in 1925 voltooid en laat Coen in vol ornaat zien in het gezelschap van Daendels en Van Heutsz. Bij de hoofdingang van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) kreeg hij de ereplaats. Iedere bezoeker die naar binnen gaat loopt onder zijn beeltenis door. Dit gebouw werd in 1926 voltooid.

Ook al waren de Oranjes niet aanwezig bij de onthulling van het standbeeld in Hoorn, het betekende niet dat zij geen actieve bijdrage hebben geleverd aan de verering van Jan Pieterszoon Coen. In 1903, tijdens de opening van het Berlage-gebouw, roemde koningin Wilhelmina hem nog in haar toespraak. Het was volgens haar door zijn onverschrokken moed dat de voortbrengselen van de ‘bezittingen’ naar het moederland konden worden verscheept:

‘…een handel waarop wij met recht trots mogen zijn.’

In 1924 opende zij vervolgens de Coenhaven in Amsterdam. Decennia later, in 1966, droeg haar dochter Juliana haar steentje bij toen de nabijgelegen Coentunnel werd geopend.

Jan Pieterszoon Coen
Jan Pieterszoon Coen (Publiek Domein – wiki)
Eeuwenlang waren Coens geboortejaar (1587), de stichtingsdatum van Batavia (29 mei 1619) of de ontstaansdatum van de VOC (1602) aanleiding tot feest. In 1887, 1937 en 1987 werd Coen zowel in de kolonie als in Nederland in het zonnetje gezet om te herdenken dat hij 300, 350 en 400 jaar geleden was geboren. En ook al werd Nederland als koloniale bezetter van de Indonesische archipel in 1942 verslagen, waarop Coens standbeeld in Batavia meteen werd afgebroken door Indonesiërs, in het eigen land staan de symbolen nog fier overeind.

Viering vierhonderd jaar VOC in 2002

Niet alleen Coen, maar ook de Compagnie wordt in onze tijd nog regelmatig geroemd als nationalistisch symbool van Nederlandse ondernemingslust. Zo richtte het VVD-kamerlid Enric Hessing in 2002 de stichting Viering 400 jaar VOC op. Hij kreeg van alle kanten bijval, er werd groots uitgepakt. Pas na kritiek vanuit Molukse, Indische, Indonesische en links-socialistische hoek werd het woordje ‘viering’ vervangen door ‘herdenking’. De oppervlakkige aanpassing van de terminologie veranderde echter weinig aan de invalshoek: de herdenking hield een feestelijk karakter.

‘Buiten op het Plein, ver genoeg van de Ridderzaal vandaan, bevonden zich Molukse en Indonesische demonstranten’

Het comité had de Indonesische ambassadeur Abdul Isran een uitnodiging gestuurd die hij demonstratief afsloeg. Het weerhield Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders er niet van om in de Ridderzaal bijeen te komen om de vierhonderdste verjaardag van de Compagnie te vieren, ook al werd dat laatste verbloemd door strategisch het woord ‘herdenking’ te bezigen. Hessing en zijn comité konden tevreden zijn: bijna alle ministers, tal van buitenlandse ambassadeurs en de koninklijke familie waren van de partij.

Buiten op het Plein, ver genoeg van de Ridderzaal vandaan, bevonden zich Molukse en Indonesische demonstranten. Naar hen werd niet geluisterd.

De rede van Vlissingen met een VOC-schip en beurtschepen, aan het einde van de 18e eeuw. (Bron:GAG,HTA)
De rede van Vlissingen met een VOC-schip en beurtschepen, aan het einde van de 18e eeuw. (Bron:GAG,HTA)

Maar men kon moeilijk heen om de kritische noot van Kwik Kian Gie, de toenmalige Indonesische minister van Ontwikkeling. Hij besloot op persoonlijke titel te spreken en maakte het gezelschap duidelijk waarom het voor Indonesiërs ongepast was de oprichting van de VOC te vieren.

‘Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, Dames en Heren, leden van de Staten-Generaal, het is voor mij een grote eer om vandaag voor dit illustere gezelschap te mogen spreken,’ zo begon hij zijn verhaal. Hij liet zich ontvallen dat minister Van Aartsen en organisator Hessing hem op het hart hadden gedrukt om zijn betoog algemeen te houden en de VOC vooral niet te noemen. ‘Het is echter lastig om juist op de dag dat vierhonderd jaar geleden de VOC ontstond helemaal niet over de VOC te spreken, terwijl de VOC zulk een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Indonesië,’ merkte Kian Gie fijntjes op. Hij bracht zijn toehoorders in herinnering dat de VOC in zijn land de grondslag had gelegd voor een zeer ondemocratisch bestuursstelsel:

“De westerse staatsvorm manifesteerde zich in een uitzuigende poliep. Dat was geen toevalligheid, het was opzet; het was inherent aan de koloniale onderneming dat de Indonesiërs werden uitgesloten van de instrumenten die nu de grondslag vormen van de moderne staat. De VOC was toch in essentie een witte enclave waarvan alle attributen, instellingen, beheersstructuren niet zoals in Nederland de wortel vormden van de moderne democratie waarin Indonesiërs zich kunnen herkennen, maar van een politiek paternalistisch stelsel.”

Oudste aandeel VOC
Oudste aandeel van de VOC
De Leidse hoogleraar geschiedenis Leonard Blussé van Oud Alblas gaf een lezing en nuanceerde de controverse door het publiek in herinnering te brengen dat eerdere herdenkingen (in 1702, 1802 en 1902) altijd voor ophef zorgden. Werd de bijdrage van Kwik Kian Gie hiermee gereduceerd tot een stem die er nu eenmaal was maar waar vooral niet naar geluisterd hoefde te worden?

Eerder die week uitte schrijver Alfred Birney al zijn kritiek op de viering in zijn vaste column voor de Haagsche Courant waarin hij ook refereerde aan de genocide op de Banda-eilanden. Naar aanleiding daarvan werd hij benaderd door Radio 1, ze waren op zoek naar ‘een kritische stem’. In zijn column van vrijdag 22 maart blikt hij terug op hoe hij de dag beleefde en als criticus werd gepasseerd:

“Zit ik in het afgesproken café mijn zoveelste cappuccino naar binnen te werken, belt die journalist van Radio 1 om me te zeggen dat een zeker heerschap hetende Hessing, zijnde voorzitter van het Nationale Comité VOC, gaarne zijn wervende stem wil laten horen rond zijn VOC-feestje. Waarmee hij effe mijn zendtijd rond 3 uur in de middag jat. Ik laat de journalist knarsetandend weten dat-ie mij alleen nog telefonisch kan interviewen, aangezien ik vandaag de omgeving van het Binnenhof boycot. Wat blijkt? Komt die Hessing niet opdagen en moet de journalist uit armoe een anonieme voorbijganger interviewen. Voor ik mijn stem per telefoon over de radio laat eh… schallen, zit ik verplicht televisie te kijken naar het openingsritueeltje van dat VOC-feessie. Een Batavier achter de gamelan! Wah! En dan dat onbenullig heerschap van Hessing die mijn zendtijd heeft gesaboteerd en zijn jokers een act laat opvoeren rond kruidnagelen, mout, bespuugde zeilen en zo meer. Maar ik word beloond met een schitterende toespraak van de Indonesische minister van Economische Zaken, die op persoonlijke titel met kritische noten rond de VOC de mondhoeken der aanwezige hoogwaardigheidsbekleders eventjes omlaag lult. Waarna Hessing de boel schaamteloos afsluit met de oproep aan de aanwezigen om nu maar flink achter de coulissen te gaan netwerken! Ook zonder Indonesië leidt neokoloniaal denken wel tot de gewenste mondialisering, bedoelt meneer te zeggen met dat reusachtig VOC-bord voor zijn kop.”

De schaamteloze verering van het verleden, de ongevoeligheid voor een Indonesische interventie, het duidt erop dat de oude machtsverhoudingen nog intact zijn. Geen hogere macht tikt Nederland op de vingers; de noodzaak om het gedachtegoed te dekoloniseren wordt niet gevoeld. De toespraak van de Indonesische minister ging het ene oor in en het andere oor uit. Geen van de aanwezige hoogwaardigheidsbekleders heeft later aangetoond te hebben geleerd van de woorden van Kwik Kian Gie door een andere koers te bepleiten.

‘Nederland was dan misschien niet altijd even rechtvaardig geweest, maar écht fout kon dit land niet zijn, toch?’

Interessant is dat de Indonesische ambassade een paar maanden voor de viering een Nederlandstalig boekje had uitgebracht, met speciaal voor het Nederlandse publiek een beknopte geschiedschrijving over wat de VOC in Indonesië had aangericht. Nederlandse scholieren en geïnteresseerden bleken weleens aan te kloppen met vragen over hoe Indonesiërs hier nu eigenlijk tegen aankeken. De Indonesische historici Anhar Gonggong en Susanto Zuhdi verzorgden het eerste deel. Het laatste hoofdstuk is echter geschreven door de Nederlandse historicus Gerrit Knaap. Hij analyseerde de manier waarop Nederlandse schoolboeken over de VOC schrijven. Opmerkelijk genoeg houdt hij zijn lezers voor dat er een positieve ontwikkeling is in hoe Nederlanders met het koloniale verleden omgaan. Volgens Knaap is koloniaal denken inmiddels passé: bijna iedereen is het er tegenwoordig over eens dat het slecht was. Hij concludeert dat de Nederlandse schoolboeken al behoorlijk gedekoloniseerd zijn. Ambassadeur Abdul Isran, die het voorwoord schreef, zal toch een heel andere indruk van de dekolonisatie van Nederland hebben gekregen toen hij de uitnodiging voor het VOC-feest ontving.

De witte onschuld van Balkenende

Banda. De genocide van Jan Pieterszoon Coen – Marjolein van Pagee
De collectieve, rooskleurige herinnering aan het koloniale bedrijf liet Jan Peter Balkenende in 2006 uitroepen dat hij vond dat Nederland opnieuw de VOC-mentaliteit moest omarmen. Enigszins verbaasd over het hoongelach dat opsteeg onder zijn gehoor voegde hij er een weifelend ‘toch?’ aan toe. Ondanks de kritiek die hij ontving, verklaarde hij tien jaar later nog steeds achter zijn uitspraak te staan. Hij was naar eigen zeggen heus op de hoogte van de vreselijke dingen die waren gebeurd. Hij was tenslotte opgeleid als historicus en biechtte op dat hij zelfs een traantje had weggepinkt bij een bezoek aan het slavernijmuseum in Curaçao. Naast de duistere kanten had het koloniale verleden echter zeker ook veel mooie kanten en die moesten we koesteren, aldus de toenmalige premier.

Het hoongelach en de kritiek vanuit de Kamer duiden erop dat niet alle parlementsleden het eens waren met Balkenende. Maar zoals de daad van Jan Pieterszoon Coen geen individuele misstap was, stond ook deze uitspraak niet op zichzelf. Balkenende verwoordde een diepgeworteld gevoel van witte onschuld. Nederland was dan misschien niet altijd even rechtvaardig geweest, maar écht fout kon dit land niet zijn, toch?

~ Marjolein van Pagee

Boek: Banda. De genocide van Jan Pieterszoon Coen – Marjolein van Pagee
Ook interessant: Het ‘grote verhaal’ van de VOC

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Nooit uitgelezen

Historiek is uw online geschiedenismagazine. Ons archief bevat duizenden artikelen. Bekijk hier onze alfabetische onderwerplijst en blijf lezen. Of bekijk onze tips op de voorpagina.

Meer informatie of samenwerken? Klik dan hier. Heeft u zelf een artikel dat u wilt publiceren, mail ons dan.

Doorzoek ons archief: