Dat de Nederlandse troepenmacht in 1945-1950 in Indonesië extreem geweld toepaste en oorlogsmisdrijven beging, is tegenwoordig het algemeen aanvaarde beeld, al zijn er nog groepen die iets anders beweren. Zo’n misdaad was in december 1948 de moord op de Indonesische topambtenaar Masdoelhak Nasoetion.
In zijn boek Masdoelhak en Adriana of de toegedekte moorden van de Indonesiëoorlog pluist Frank Vermeulen die zaak en de nasleep grondig uit. Vele aspecten van het onwelriekende Nederlandse optreden, zowel militair als justitieel en politiek, komen aan de orde. De auteur laat ook zien hoe dat doorspeelt tot op de huidige dag.
Van Nederlands student tot topambtenaar
Masdoelhak Hamonangan Nasoetion gelar Soetan Oloan werd in 1909 geboren in Sibolga (Noord-Sumatra). Hij was een telg uit een vooraanstaande Batakse familie. Nadat hij in Batavia de HBS had doorlopen konden zijn ouders het zich permitteren hem in 1930 naar Nederland te sturen. In Leiden studeerde hij rechten, in Utrecht promoveerde hij in 1942 vlak voor de universiteit daar als gevolg van de Duitse bezetting de deuren sloot (die in Leiden ging eind 1940 al dicht). Masdoelhak was lid van Perhimpunan Indonesia, de vereniging van Indonesische studenten in Nederland. Hij leerde er onder anderen Mohammed Hatta kennen, toen student economie in Rotterdam, later vicepresident van de Republiek Indonesië. Tijdens de Duitse bezetting hielp Masdoelhak onder meer bij het verspreiden van illegale bladen.
Ook ontmoette Masdoelhak in Nederland Adriana van der Have. Haar vader was accountant en werkte als ontvanger voor de gemeente Rotterdam. Ook Adriana kende Hatta, want haar vader had hem een poos bijles gegeven.

De relatie van Masdoelhak en Adriana beviel de wederzijdse ouders niet. Het geslacht Nasoetion stamde volgens overlevering af van de legendarische koning Boroar Soetan Diaroe. De dochter van een gemeente-ontvanger vonden Masdoelhaks ouders als partner voor hun voor hun zoon maar minnetjes. Ook Adriana’s moeder (haar vader was in 1930 overleden) probeerde een stokje voor de relatie te steken, omdat Masdoelhak een ‘inlander’ was. De twee trouwden in 1939 toch. Ze gingen in Utrecht wonen en kregen drie zoons. Toen ze trouwden studeerde Masdoelhak nog, terwijl Adriana het chemisch laboratorium van Werkspoor in Amsterdam leidde.

Arrestatie en moord
Op 18 december 1948 beviel Adriana in ziekenhuis Panti Rapih in Yogya van hun vierde kind, een zoontje. Ze vroeg Masdoelhak te komen, maar dat bleek onmogelijk. Op 19 december in alle vroegte begonnen Nederlandse troepen de tweede grote veldtocht (‘politionele actie’ genoemd) tegen de Republiek. Hoofddoel: de Republikeinse hoofdstad Yogya. Het Korps Speciale Troepen (KST) kamde Kaliurang uit. Toen er op de voordeur werd geklopt deed Masdoelhak open en kreeg meteen een dreun in zijn gezicht met een geweerkolf. Als gevangene werd hij afgevoerd, met achterlating van drie zoontjes, van wie de oudste toen zeven jaar was.
Nadat hij met een groep gevangenen was vastgehouden in een hotel werd Masdoelhak op 21 december met vier anderen in een militaire jeep gezet. Ze moesten mee om kippen te vangen, heette het, maar het liep anders. Op wonderbaarlijke wijze hebben twee van de vijf gevangenen het overleefd, de andere drie werden gedood, onder wie Masdoelhak. Als waarschijnlijkste motief noemt Vermeulen: terreur.

Verder noemt hij het plausibel te denken dat het initiatief van hogerhand kwam, van hoger in de militaire pikorde dan de directe commandant van de militairen die de drie gevangenen ombrachten. Opvallend is dat Adriana, zoals ze in een brief schreef, begin januari – Masdoelhaks lichaam was nog niet teruggevonden – van twee Nederlandse functionarissen vernam dat ‘ik rustig kon aannemen voor 99 procent weduwe te zijn’. Een van die functionarissen was de Nederlandse inlichtingenchef in Yogya, kapitein Alfred Vosveld. Eerder had hij president Soekarno per jeep gevankelijk afgevoerd vanuit diens residentie in de stad.
Juridische nasleep
Na de moord op Masdoelhak begon een procedure waarin van Nederlandse kant alles werd gedaan om de verantwoordelijkheid te ontlopen. Zo is beweerd dat de KST-militairen zich hadden vergist. Ze zouden hebben gedacht van doen te hebben met de commandant van de Indonesische Siliwangi-divisie, kolonel Abdul Haris Nasution. Maar hij en Masdoelhak leken niet eens op elkaar. De Siliwangi-commandant had gewoon kort haar, Masdoelhak was bovenop zijn schedel kaal met eromheen een krans van lang haar. Het voorlopige eind van het liedje was dat de zaken tegen sergeant-majoor Marinus Geelhoed (die Masdoelhak had doodgeschoten) en diens commandant, luitenant Rudolf de Mey (die opdracht had gegeven: “Schiet ze maar kapot”), werden geseponeerd.
Maar Adriana liet het er niet bij zitten. Ze begon een rechtszaak tegen de Nederlandse staat, die ze verantwoordelijk achtte en waarvan ze schadevergoeding eiste. Uiteindelijk kwam er via een onderlinge overeenkomst een schadevergoeding, maar daarbij kreeg Adriana zwijgplicht opgelegd waaraan ze tot haar overlijden in 1993 was gebonden. Een en ander kwam pas naar buiten toen Vermeulen, over de zaak getipt, er in 2017 over publiceerde in de NRC.
Een ‘muizengaatje’
Zeer opmerkelijk was dat de Haagse rechtbank de stelling van de Nederlandse staat verwierp dat het in Indonesië een binnenlands conflict betrof. Volgens het vonnis van 12 januari 1953 was er sprake geweest van een conflict tussen twee regeringen. De rechtbank wees erop dat de Nederlandse regering de Indonesische de facto had erkend in het Akkoord van Linggajati (1946/’47). Maar precies daar zag en ziet Den Haag, in de woorden van Vermeulen, een ‘muizengaatje’: het gezag van de Indonesische regering was wel ‘de facto’ (feitelijk) erkend, maar niet ‘de jure’ (juridisch).
In het laatste deel van zijn boek schildert de auteur hoe het verder ging met de nasleep van de moord op Masdoelhak en meer in het algemeen met de nasleep van de oorlog tegen Indonesië. Zo laat hij twee zoons van Masdoelhak en Adriana aan het woord over wat de moord op hun vader voor het gezin heeft betekend. Ook wijst hij op vrij recente politieke ontwikkelingen. Koning Willem-Alexander bood in maart 2020 in Jakarta excuses aan voor het ‘excessieve geweld van Nederlandse zijde’ in de jaren 1945-1950. En na het grote Indonesië-onderzoek op initiatief van drie wetenschappelijke instituten kwam premier Rutte in februari 2022 vanwege het extreme geweld met excuses aan Indonesië en aan allen in Nederland die van dat geweld gevolgen hebben ondervonden.
Toen de Tweede Kamer er in december 2023 nog eens over debatteerde, antwoordde Rutte op de vraag hoe de regering aankeek tegen de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945:
Nederland erkent 17 augustus volledig en zonder voorbehoud. Wij zien de Proclamatie eigenlijk als hét historische feit.
Terecht tekent Vermeulen daarbij aan: “En hiermee toonde Rutte zich weer eens als spekgladde debater”. Hij had het over erkenning, ‘volledig en zonder voorbehoud’, maar tegelijk over een ‘historisch’ feit, wat iets anders is dan een juridisch feit. De auteur stelt dat er niet aan valt te ontkomen ‘dit laatste koloniale restant op te ruimen’ als Nederland wil komen tot een gelijkwaardige relatie met Indonesië.
Een geschiedenisboek
Alles overziend heeft Vermeulen een dramatische persoonlijke geschiedenis aangegrepen om niet alleen die goed uit te diepen en te beschrijven, maar ook de militaire, juridische en politieke omgeving te schilderen waarin dat persoonlijke drama zich voltrok. Hij vangt daarmee twee vliegen in één klap.
Wel enkele kleine kanttekeningen. Zo is het vreemd dat de lezer vergeefs zoekt naar de geboortedatum van een van de hoofdpersonen, Adriana. Meer dan dat ze in maart 1939 zevenentwintig jaar was, komen we niet te weten. Wikipedia biedt uitkomst: Adriana werd in Rotterdam geboren op 19 februari 1912.

Zeker, in de eerste zin van zijn inleiding meldt de auteur: “Dit is geen geschiedenisboek en ik ben geen historicus”. Nee, hij is journalist. Maar een boek over de geschiedenis is het natuurlijk wel. Alleen verwoordt de auteur die geschiedenis wat anders dan historici doen. Zo schrijft hij geregeld in de tegenwoordige tijd en komen we hem nu en dan tegen als vertellende ik-figuur. Niet slecht trouwens voor de leesbaarheid.
Al met al ben ik zo vrij te denken dat dit wel degelijk een geschiedenisboek is. Een prima boek over een buitengewoon treurige periode in de Nederlandse historie die door onwil van achtereenvolgende kabinetten nog altijd niet volledig is afgesloten.

De worsteling met de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog vanaf 1950
Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië bleven met opzet onbestraft
1945-1950, maar nu eens gezien vanuit Indonesisch perspectief
‘Wederom is hiermede een slachtoffer gevallen van een Atjehmoord’
De ingewanden werden naar het militair hospitaal gezonden
Lustmoord in Soerabaja in 1936 snel opgelost