Arnoud van Eijndhouts (Arlenius) als leerling op de Latijnse school in Den Bosch

6 minuten leestijd
Gezicht op 's-Hertogenbosch
Gezicht op 's-Hertogenbosch - Anonieme prentenmaker, ca. 1506-1581 (Rijksmuseum)
Arnoud van Eijndhouts (1510), beter bekend als Arlenius, groeide in de zestiende eeuw uit tot een invloedrijke uitgever van klassieke manuscripten in Bologna. In zijn boek De boekhandelaar van Bologna brengt Wim Daniëls deze vrijwel vergeten Brabander opnieuw onder de aandacht en laat hij zien welke rol Arlenius speelde bij de verspreiding van teksten uit de klassieke oudheid. Op Historiek een fragment over Arlenius’ jeugd en zijn opleiding aan de Latijnse school in ’s-Hertogenbosch, waar ook Desiderius Erasmus enige tijd verbleef.

De Latijnse school in Den Bosch

De eerste min of meer goedgeorganiseerde vorm van middelbaar onderwijs in Nederland was de Latijnse school, een schooltype dat al in de dertiende eeuw bestond. Treurig genoeg was die school alleen toegankelijk voor jongens.

In 1876 veranderde de naam ‘Latijnse school’ van overheidswege in ‘gymnasium’. Met enige aarzeling werden toen ook de eerste meisjes toegelaten. De benaming ‘gymnasium’ was vanaf 1850 al steeds gangbaarder geworden. In 1858 bijvoorbeeld had Nederland tweeëndertig scholen die zich Latijnse school noemden en eenendertig scholen die de naam gymnasium gebruikten. In 1876 werd het pleit wat de naamkeuze betrof beslecht ten gunste van het gymnasium.

Voorbereidend onderwijs

De Latijnse school was in Arlenius’ tijd voor veel leerlingen een voorbereiding op een studie theologie, rechten, medicijnen of klassieke talen (Latijn en Grieks). Kinderen, meestal uit welgestelde gezinnen, gingen al op vroege leeftijd naar de Latijnse school. Dat was vanaf ongeveer hun tiende levensjaar, soms zelfs al iets eerder. Arlenius werd in of rond 1520 op de Latijnse school in ’s-Hertogenbosch ingeschreven, die toen al ruim honderd jaar bestond. Voordat hij naar Den Bosch vertrok, zal hij thuisonderwijs hebben genoten van ingehuurde leerkrachten.

Portret van Macropedius door Philip Galle (1572)
Portret van Macropedius door Philip Galle (1572)
Den Bosch ligt op zo’n vijfendertig kilometer van Aarle-Rixtel. Dichter bij huis waren er ook wel scholen waar Latijn op het lesrooster stond, zoals in Helmond en Eindhoven, maar die scholen golden nog niet als officiële Latijnse scholen en ze hadden zeker niet de roem van de Latijnse school in Den Bosch. In Den Bosch gaven diverse docenten van naam en faam les. Een van hen was de humanistische pedagoog Georgius Macropedius, wiens eigenlijke naam Joris van Lanckvelt was. Hij was afkomstig uit Gemert. Macropedius had eerst als leerling op de Bossche Latijnse school gezeten en kwam er vanaf 1510 te werken.

Erasmus

De school pronkte soms ook met Desiderius Erasmus als oud-leerling. Toen Arlenius op de Latijnse school zat, was Erasmus al uitgegroeid tot een van de bekendste Europese humanistische geleerden. Erasmus heeft zeker enkele jaren in ’s-Hertogenbosch vertoefd. Dat was vanaf de zomer van 1484. Hij verbleef er bij de Broeders (fraters) van het Gemene Leven, nadat hij de Latijnse school in Deventer had verlaten toen de pest de inwoners van die stad bedreigde. ‘Gemene’ in de naam moet begrepen worden als gemeenschappelijk, gezamenlijk, omdat de broeders in gemeenschap van goederen leefden.

Deventenaar Geert Grote was kort na 1370 de oprichter geweest van de Broeders van het Gemene Leven. Grote was ook de grondlegger van de stroming van de Moderne Devotie, waarvan de aanhangers hun toewijding aan God vormgaven via soberheid en vroomheid. Uit de Moderne Devotie kwam verder de leefgemeenschap van de Zusters van het Gemene Leven voort.

Geromantiseerde weergave van Geert Grote met zijn volgelingen (Moderne Devotie), later Broederschap des Gemenen Levens. Aquarel van Antoon Derkinderen, 1885.
Geromantiseerde weergave van Geert Grote met zijn volgelingen (Moderne Devotie), later Broederschap des Gemenen Levens. Aquarel van Antoon Derkinderen, 1885

Erasmus zou later over zijn periode in Den Bosch schrijven dat hij er zijn tijd had ‘verknoeid’. Hij doelde daarmee vooral op het verblijf bij de broeders, waar hij een soort kostganger (convictor) was, zonder zelf tot de broederorde te behoren. Het leven bij de broeders was voor hem niet bepaald inspirerend.

Erasmus
Desiderius Erasmus
De Broeders van het Gemene Leven waren overigens niet degenen die de Latijnse school in Den Bosch leidden. Die school was immers geen fratersschool maar een zogenoemde kapittelschool, die onder gezag stond van geestelijken die verbonden waren aan de Sint-Janskathedraal van Den Bosch.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Erasmus alleen de hoogste klas van de Latijnse school in Den Bosch bezocht. Echt volop pronken met Erasmus als oud-leerling kon de school dus zeker niet.

Kostschooljongen

Arlenius was op de Latijnse school een kostschooljongen, die net als Erasmus ondergebracht kan zijn geweest in het fratershuis van de Broeders van het Gemene Leven. Er bestonden drie kostschoolvarianten van dat fratershuis: domus divitum, domus mediocrum en domus pauperum, oftewel het rijke huis, het middenhuis en het arme huis. Waar je als leerling terechtkwam, was afhankelijk van de financiële mogelijkheden van je ouders of van een studiebeurs, verstrekt door een instelling of particulier. Arlenius zal, als hij tenminste bij de fraters verbleef, onderdak hebben gevonden in het rijke fratershuis gezien z’n bemiddelde komaf. Het kan echter ook zijn dat hij inwoonde bij een van de docenten van de Latijnse school. Het was niet ongebruikelijk dat docenten tegen betaling voor kost en inwoning onderdak verleenden aan leerlingen. Als je geluk had, kwam je bij een docent te wonen die een brede kijk op de wereld had en niet alleen maar bezig was je in te prenten dat je leven in dienst hoorde te staan van het geloof in God en dat er voortdurend gebeden moest worden. Dat was wel het geval bij de fraters.

De Bossche Latijnse school heeft in de loop van de tijd op verschillende locaties gezeten. In de tijd dat Arlenius er lessen volgde, was de school gevestigd in de Kerkstraat, ter hoogte van het huidige huisnummer 77, dicht bij de Sint-Janskathedraal.

Latijn was op de Latijnse school niet alleen de taal waarover leerlingen onderwijs kregen maar vaak ook de taal waarin les werd gegeven, niet alleen bij het vak Latijn zelf. Van de oudere leerlingen werd bovendien verwacht dat ze onderling, buiten de lessen om, met elkaar Latijn spraken. Daartoe waren er speciale schoolboekjes beschikbaar met dialogen in het Latijn.

Verder was het leren schrijven van het Latijn belangrijk. Daarvoor gebruikte de school meestal de briefvorm. Arlenius zou later in zijn leven talloze brieven in het Latijn gaan schrijven. Enkele van deze brieven zijn bewaard gebleven; verderop in dit boek komen ze nog aan bod.

Een humanistische wind

Toen Arlenius in Den Bosch op de Latijnse school zat, was daar inmiddels een lichte humanistische wind gaan waaien. Dat betekende dat het lezen van oorspronkelijke teksten van de vroegere Griekse en Romeinse schrijvers belangrijk werd gevonden. ‘Ad fontes’ had Erasmus dat genoemd, terug naar de bron.

Sermones - Horatius
Sermones – Horatius
Zeker is dat Arlenius in de Latijnse leeslessen de Sermones van Horatius heeft gelezen. Horatius leefde in de eerste eeuw v.Chr. De Sermones werd in 1521 in Den Bosch gedrukt en was op de Latijnse school verplichte literatuur. De titel betekent ‘gesprekken’ (in de alledaagse taal). Het ging om spotverzen die Horatius deels schreef om het Romeinse volk een spiegel voor te houden van hun tekortkomingen of om de lezers een zedenles mee te geven. Zo is er de fabel van de stadsmuis en de landmuis. De landmuis heeft het niet breed en moet noodgedwongen zuinig leven. De stadsmuis vindt dat maar niks en zegt: ‘Waarde vriend, hoe hou je het uit hier op die nare bergen, door steile rotsen en somber woud omzoomd? Een stad met mensen, dat is andere thee! Kom mee!’ De stadsmuis is van mening dat je moet genieten van het leven, dat immers maar kort duurt. De landmuis gaat na enig wikken en wegen met de stadsmuis mee. Die leidt hem in de stad een paleis binnen en laat hem de kliekjes proeven die overgebleven zijn van een weelderige maaltijd van de paleisbewoners. De landmuis smult ervan. Maar dan opeens horen ze het woeste blaffen van enkele honden. Daar schrikken ze behoorlijk van. De landmuis trekt ook direct zijn conclusie. Hier moet hij niets van hebben. Hij zoekt zijn wildernis weer op, zijn hol, zijn karig maal en vooral zijn rust en veiligheid.

Grieks als bijvak

De boekhandelaar van Bologna
 
Arlenius was al snel buitengewoon enthousiast over de Latijnse teksten die hij te lezen kreeg en over de Latijnse taal zelf. En ook het Grieks bekoorde hem, al was die taal in zijn tijd op de Latijnse school geen hoofdvak maar een bijvak. Dat het een bijvak was, kwam omdat er destijds weinig teksten in het Grieks voorhanden waren. Veel drukkers beschikten zo kort na de uitvinding van de boekdrukkunst nog niet over de Griekse drukletters, die behoorlijk afwijken van de Latijnse letters, die wij ook in het Nederlands zijn gaan gebruiken. De Griekse taalvaardigheid van de leerlingen zal daarom beperkt zijn geweest. Ze kregen wel teksten van belangrijke Griekse schrijvers uit de oudheid aangeboden, maar dat gebeurde goeddeels via vertalingen in het Latijn. Het werd echter steeds wenselijker gevonden dat van oorsprong Griekse teksten ook daadwerkelijk in het Grieks beschikbaar kwamen.

×