De Latijnse school in Den Bosch
De eerste min of meer goedgeorganiseerde vorm van middelbaar onderwijs in Nederland was de Latijnse school, een schooltype dat al in de dertiende eeuw bestond. Treurig genoeg was die school alleen toegankelijk voor jongens.
In 1876 veranderde de naam ‘Latijnse school’ van overheidswege in ‘gymnasium’. Met enige aarzeling werden toen ook de eerste meisjes toegelaten. De benaming ‘gymnasium’ was vanaf 1850 al steeds gangbaarder geworden. In 1858 bijvoorbeeld had Nederland tweeëndertig scholen die zich Latijnse school noemden en eenendertig scholen die de naam gymnasium gebruikten. In 1876 werd het pleit wat de naamkeuze betrof beslecht ten gunste van het gymnasium.
Voorbereidend onderwijs
De Latijnse school was in Arlenius’ tijd voor veel leerlingen een voorbereiding op een studie theologie, rechten, medicijnen of klassieke talen (Latijn en Grieks). Kinderen, meestal uit welgestelde gezinnen, gingen al op vroege leeftijd naar de Latijnse school. Dat was vanaf ongeveer hun tiende levensjaar, soms zelfs al iets eerder. Arlenius werd in of rond 1520 op de Latijnse school in ’s-Hertogenbosch ingeschreven, die toen al ruim honderd jaar bestond. Voordat hij naar Den Bosch vertrok, zal hij thuisonderwijs hebben genoten van ingehuurde leerkrachten.

Erasmus
De school pronkte soms ook met Desiderius Erasmus als oud-leerling. Toen Arlenius op de Latijnse school zat, was Erasmus al uitgegroeid tot een van de bekendste Europese humanistische geleerden. Erasmus heeft zeker enkele jaren in ’s-Hertogenbosch vertoefd. Dat was vanaf de zomer van 1484. Hij verbleef er bij de Broeders (fraters) van het Gemene Leven, nadat hij de Latijnse school in Deventer had verlaten toen de pest de inwoners van die stad bedreigde. ‘Gemene’ in de naam moet begrepen worden als gemeenschappelijk, gezamenlijk, omdat de broeders in gemeenschap van goederen leefden.
Deventenaar Geert Grote was kort na 1370 de oprichter geweest van de Broeders van het Gemene Leven. Grote was ook de grondlegger van de stroming van de Moderne Devotie, waarvan de aanhangers hun toewijding aan God vormgaven via soberheid en vroomheid. Uit de Moderne Devotie kwam verder de leefgemeenschap van de Zusters van het Gemene Leven voort.

Erasmus zou later over zijn periode in Den Bosch schrijven dat hij er zijn tijd had ‘verknoeid’. Hij doelde daarmee vooral op het verblijf bij de broeders, waar hij een soort kostganger (convictor) was, zonder zelf tot de broederorde te behoren. Het leven bij de broeders was voor hem niet bepaald inspirerend.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Erasmus alleen de hoogste klas van de Latijnse school in Den Bosch bezocht. Echt volop pronken met Erasmus als oud-leerling kon de school dus zeker niet.
Kostschooljongen
Arlenius was op de Latijnse school een kostschooljongen, die net als Erasmus ondergebracht kan zijn geweest in het fratershuis van de Broeders van het Gemene Leven. Er bestonden drie kostschoolvarianten van dat fratershuis: domus divitum, domus mediocrum en domus pauperum, oftewel het rijke huis, het middenhuis en het arme huis. Waar je als leerling terechtkwam, was afhankelijk van de financiële mogelijkheden van je ouders of van een studiebeurs, verstrekt door een instelling of particulier. Arlenius zal, als hij tenminste bij de fraters verbleef, onderdak hebben gevonden in het rijke fratershuis gezien z’n bemiddelde komaf. Het kan echter ook zijn dat hij inwoonde bij een van de docenten van de Latijnse school. Het was niet ongebruikelijk dat docenten tegen betaling voor kost en inwoning onderdak verleenden aan leerlingen. Als je geluk had, kwam je bij een docent te wonen die een brede kijk op de wereld had en niet alleen maar bezig was je in te prenten dat je leven in dienst hoorde te staan van het geloof in God en dat er voortdurend gebeden moest worden. Dat was wel het geval bij de fraters.
De Bossche Latijnse school heeft in de loop van de tijd op verschillende locaties gezeten. In de tijd dat Arlenius er lessen volgde, was de school gevestigd in de Kerkstraat, ter hoogte van het huidige huisnummer 77, dicht bij de Sint-Janskathedraal.
Latijn was op de Latijnse school niet alleen de taal waarover leerlingen onderwijs kregen maar vaak ook de taal waarin les werd gegeven, niet alleen bij het vak Latijn zelf. Van de oudere leerlingen werd bovendien verwacht dat ze onderling, buiten de lessen om, met elkaar Latijn spraken. Daartoe waren er speciale schoolboekjes beschikbaar met dialogen in het Latijn.
Verder was het leren schrijven van het Latijn belangrijk. Daarvoor gebruikte de school meestal de briefvorm. Arlenius zou later in zijn leven talloze brieven in het Latijn gaan schrijven. Enkele van deze brieven zijn bewaard gebleven; verderop in dit boek komen ze nog aan bod.
Een humanistische wind
Toen Arlenius in Den Bosch op de Latijnse school zat, was daar inmiddels een lichte humanistische wind gaan waaien. Dat betekende dat het lezen van oorspronkelijke teksten van de vroegere Griekse en Romeinse schrijvers belangrijk werd gevonden. ‘Ad fontes’ had Erasmus dat genoemd, terug naar de bron.

Grieks als bijvak

De Latijnse school – Geschiedenis en ontwikkeling
Het gymnasium – Nut en zin van een eigenzinnig schooltype
Mislukte hightech parkeergarage kostte Den Bosch miljoenen
Zwitserse militair schetst ‘s-Hertogenbosch, 1815-1824