Jacob van Rees (1854-1928) was een bijzonder man. Zette hij aanvankelijk als wetenschapper zijn beste beentje voor, nationaal en internationaal werd hij vooral bekend als voorman van het christen-anarchisme. De kern van zijn idealen: werken in de geest van Christus, tegen alcohol- en tabaksgebruik, tegen vivisectie (dierproeven), tegen militarisme, voor vegetarisme en voor onderwijs aan kinderen op basis van hun individuele talenten, niet met klassikaal stampwerk.
- ‘Doodeenvoudig en oprecht’
- Jonge jaren
- Van wetenschapper tot activist
- Verhuizing naar het Gooi
- Strijd tegen vivisectie
- Romein over Van Rees
- Een kolonie in Blaricum
- Een moeizame start
- Saboterende ‘blootlopers’ en ‘grasvreters’
- Het einde
- Humanitaire School in Laren
- Bekende onderwijzers
- Einde van De Hum
- Laatste jaren en overlijden
- Boom en bank
In juli 2025 vroeg het Dudok Architectuur Centrum in Hilversum in het lokale huis-aan-huis-blad aandacht voor een monument: de Van Reesbank. Zelfs veel Hilversummers zullen niet weten van het bestaan ervan. De bank staat in een driehoekig plantsoentje op de plek waar de Hoge Naarderweg uitkomt op de buitenring. Asfalt omsluit het plantsoen, het verkeer snelt voorbij en groen onttrekt het monument ten dele aan het zicht. De bank (waarover verderop meer) werd onthuld in 1933, vijf jaar na het overlijden van de naamgever.
‘Doodeenvoudig en oprecht’
Als we van achteren beginnen, kort na zijn overlijden, dan blijkt al meteen dat Van Rees een bijzonder man is geweest. Op 7 januari 1928 kon de Wachtkamer van de Nieuwe Algemeene Begraafplaats in Hilversum het aantal toegestroomde belangstellenden bij lange na niet aan, meldde regionale krant De Gooi- en Eemlander. Onder de aanwezigen waren rector magnificus H. Burger van de Gemeente Universiteit in Amsterdam en gemeentesecretaris Peeters namens de door ziekte verhinderde burgemeester van Laren, waar Van Rees een heel opmerkelijke school had gesticht. Ruim twee uur lang staken liefst twintig sprekers over de ontslapene de loftrompet.

Hij werd geroemd als ‘een doodeenvoudig en oprecht mensch, wiens idealen groot waren’, als ‘een man uit wiens deernis met de menschheid de adel van zijn ziel straalde’, als ‘een man van nationale en internationale beteekenis’. Hij werd gekenschetst als een man die ‘geleerde referaten hield’, maar ook ‘op de Hilversumsche markt voor een paar centen krantjes verkocht als propaganda’ voor zijn idealen, als een man die dan ook voor de Algemeene Nederlandsche Geheel-Onthouders Bond ‘als het ware de generaal én ook vechtsoldaat is geweest’.
Een kleine dissonant liet de Amsterdamse rector Burger horen. Jazeker, zei hij, de Gemeente Universiteit zal aan de overledene ‘met grooten eerbied blijven denken’. Maar de veelbelovende wetenschapper Van Rees had die belofte ‘niet geheel kunnen vervullen’. Dat kwam doordat ‘hij den strijd voor zijn levensidealen hooger stelde’. De verslaggever van De Gooi- en Eemlander sloot het bericht af met kritiek:
Het heeft onze bevreemding gewekt, dat, waar het toch een man gold van internationale beteekenis, die jaren inwoner van deze gemeente is geweest, het gemeentebestuur van Hilversum niet bij de plechtigheid was vertegenwoordigd.
Veel lof was er trouwens ook al rond Van Rees’ zeventigste verjaardag. Als voorbeeld een citaat uit nieuwsblad De Bel in Laren:
Broederschap en school komen hieronder nader aan de orde.
Jonge jaren
Jacob van Rees (voluit Jacobus, roepnaam Koos) werd op 16 april 1854 in Utrecht geboren in een bevoorrecht milieu. Zijn vader, Otto, was hoogleraar economie en statistiek aan de universiteit in de Domstad, opa Richard was er hoogleraar wis- en natuurkunde geweest. Nadat zijn vader in 1868 tijdens een zwempartij in de Kromme Rijn was verdronken werd de veertienjarige Jacob verder opgevoed door opa. Zeventien was hij toen hij begon aan de studie biologie in Utrecht, vierentwintig toen hij in 1878 promoveerde op een proefschrift over ‘de luchtademing van de Carcinas Moenab’, een krabbensoort. In 1881 trouwde Jacob met notarisdochter Constance Adriana Katharina Gerdula Vatiché. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Lizzy, Mies en Otto.

In een terugblik wees de Amsterdamse emeritus hoogleraar J. James er in 1996 op dat Van Rees in beginsel een voltijdbaan aan de universiteit had, maar altijd, tot en met zijn afscheidscollege op 5 juni 1924, buitengewoon hoogleraar bleef. Nooit kwam het tot een gewoon hoogleraarschap. Volgens notulen van het College van Curatoren van de universiteit werd op 9 juli 1911 Van Rees’ verzoek om salarisverhoging (en mogelijk, aldus James, om gewoon hoogleraar te worden) afgewezen. Een van de curatoren stelde ‘dat Prof. Van Rees na de Paaschvacantie pleegt te spreken over allerlei zaken die met de histiologie in geen of slechts ver verwijderd verband staan’. Het zwaartepunt van Van Rees’ aandacht was verschoven van de wetenschap naar andere zaken.
Van wetenschapper tot activist
Vanaf 1895 kwam hij onder invloed van het gedachtegoed van de Russische schrijver, pacifist en christen-anarchist Lev Tolstoj (1828-1910). Die had de kerk de rug toegekeerd, maar meende dat in de geest van Christus (vooral op grond van diens Bergrede) nog veel aan de wereld te verbeteren viel. Van Rees onderschreef dat en wilde daaraan ook concreet bijdragen.

In 1899 maakte hij de start mogelijk van de landbouwkolonie in Blaricum van de daartoe opgerichte Vereniging Internationale Broederschap (zie verderop). Ook verbond Van Rees zich snel na de oprichting in 1901 aan de Rein Leven Beweging, die morele zuiverheid predikte, vooral op seksueel gebied. In 1903 begon hij in Laren de Humanitaire School, waarover verderop meer. Mede-oprichter was Van Rees in 1906 van een nieuwe Vrede-beweging, die het jaar daarna opging in de Bond van Christen-Socialisten. Snel na de oprichting in 1907 van de Nederlandse afdeling van de Internationale Orde van Goede Tempelieren werd hij hiervan voorzitter; in 1919 werd hij zelfs de internationale voorman.
De op geheelonthouding gerichte organisatie bestaat tegenwoordig nog onder de naam Movendi International (zetel: Stockholm), maar zonder Nederlandse afdeling. In 1915 belandde Van Rees tien dagen in de cel omdat hij het Dienstweigeringsmanifest had ondertekend.

Verhuizing naar het Gooi
Vanwege Jacobs werk aan de Amsterdamse universiteit woonde het gezin Van Rees een tijd lang in Amsterdam (laatstelijk aan de Jodenbreestraat). In 1891 verkaste het naar Hilversum. Op één plek in de literatuur wordt gesteld dat Van Rees zich daar vestigde als arts, maar daarvan is elders geen bevestiging te vinden. Ze woonden in Hilversum in ruime villa’s, eerst Hoge Naarderweg 16, daarna Ceintuurbaan 37. In de grote hal op dit laatste adres organiseerde Van Rees nu en dan ‘volksavonden’ voor de gewone man, waarbij alcoholvrije dranken werden geschonken. Er werd ook toneel gespeeld, in samenwerking met schrijver Herman Heijermans, die de decors ontwierp. Een van de opgevoerde stukken was ‘De sluipmoordenaar’, waarin een arbeider die een paar borrels had gedronken werd overreden door de Gooische Stoomtram. Moraal van het verhaal: zelfs matig alcoholgebruik is gevaarlijk. Schrijver van dat toneelstuk: Van Rees.

Strijd tegen vivisectie
Bij veel wetenschappelijke collega’s maakte Van Rees zich eind negentiende eeuw niet populair. Zijn deelname aan de anti-vivisectie-beweging viel slecht. Propaganda tegen medische proeven op levende dieren kon tot dan toe worden afgedaan als ongefundeerde lekenpraat. Met Van Rees, een vakgenoot, lag dat anders. Dat hij zijn argumenten soms erg scherp formuleerde, maakte het er niet beter op. Verongelijkt noteerde de redactie van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde in november 1898:
Het doet ons oprecht leed dat de hoogleraar Van Rees zich schaart aan de zijde van hen, die van onze medische experimentatoren spreken als van ‘verachtelijke, eerlooze sujetten’. Van Rees zelf schrijft hun ‘een zekere verstomping van het gemoed’ toe waarmede dus ook hij breekt met den vorm van een bezadigd betoog en niet schroomt, vele zijner collega’s een beleediging toe te werpen.
Bij het lezen van sommige redeneringen van Van Rees in het debat over dierproeven zullen tegenwoordig overigens wel wenkbrauwen omhoog gaan. In haar proefschrift over de anti-vivisectiebeweging laat Amanda Alwien Kluveld-Reijerse zien dat Van Rees gewetensvolle ethische afwegingen door medici zeer belangrijk vond. Kluveld-Reijerse:

Van Rijnbeek was een directe collega van Van Rees. Ze werkten in hetzelfde (in 1961 afgebroken) gebouw aan het Amsterdamse Jonas Daniël Meijerplein. Alleen een binnenplaatsje scheidde hun laboratoria. Aan de ene kant het lab van Van Rees waar dierproeven uit den boze waren, aan de andere kant dat van Van Rijnbeek waar wél aan vivisectie werd gedaan.
Romein over Van Rees
Ook vanuit een andere hoek lagen Van Rees en de zijnen onder vuur, schetst Kluveld-Reijerse. In zijn boek Op het breukvlak van twee eeuwen was marxistisch historicus Jan Romein (1893-1962) weinig complimenteus over Van Rees cum suis. Van zulke burgerlijke anti-vivisectionisten, geheelonthouders, vegetariërs en spiritisten moest Romein weinig hebben. Hun bewegingen noemde hij ‘petites réligions’, kleine geloven van doorgaans uit de bourgeoisie (hogere burgerklasse) afkomstige ‘zoekende zielen’. Bevreesd voor de eind negentiende eeuw opkomende arbeidersklasse en uit schuldgevoel zochten deze lieden volgens Romein een goed heenkomen in de humanitaire beweging.
Van Rees en enkele anderen vermeldt hij met name. Hij noemt ze ‘edele gluiperds’, ‘verwend’, ‘kwakzalvers in luilekkerland’ en ‘onmenselijk door een bloedeloze humorloosheid’. In hun boek Bedrijven in eigen beheer halen Frans Becker en Johan Frieswijk ene A. Perdeck aan die de christen-anarchisten wegzette als ‘dichterlijke naturen, dromers, dwepers, mensen die hun dromen voor grotere werkelijkheid hielden dan de werkelijkheid zelf’. Dat het socialisme, voortgekomen uit de theorievorming van Karl Marx en Friedrich Engels, eind negentiende eeuw op een andere basis rustte dan progressieve stromingen uit de bourgeoisie valt inderdaad niet te ontkennen. Dat Van Rees en zijn geestverwanten het goed bedoelden, valt echter evenmin te loochenen.
Hoog tijd dus om nu de twee belangrijkste projecten iets nader te bekijken die Van Rees van de grond tilde: de Kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum en de Humanitaire School in Laren.

Een kolonie in Blaricum
Al in 1893 – een jaar voordat hij Tolstojs werk ontdekte – bedacht Van Rees iets dat hij het Heideplan noemde. Het was een blauwdruk voor een kleine maar volgens hem ideale samenleving. Vooralsnog bleef het echter een papieren plan. Dat veranderde in 1899. Toen gaf Van Rees met enkele geestverwanten de stoot tot de in Blaricum te vestigen Kolonie der Internationale Broederschap. Aan weerszijden van de Torenlaan, destijds nog een zandweg, had hij voor 6.700 gulden veertien hectare bouwland en hakhout gekocht. Daarvan schoof hij negen hectare bouwland en een hectare hakhout door naar de Vereniging Internationale Broederschap, die was opgericht om de kolonie te exploiteren.
Op basis van christen-anarchistische beginselen probeerden de kolonisten een ideale samenleving te verwezenlijken. De gedachte was dat die later ook buiten de kolonie voet aan de grond zou krijgen, ja zelfs het kapitalisme zou verdringen. Ze leefden op ‘communistische’ wijze in een gemeenschappelijk huis, waren (in beginsel, want er waren er die soms smokkelden) vegetariër, niet-roker en niet-drinker.

Zelf ging Van Rees niet in de kolonie wonen, wat hem op kritiek kwam te staan. Zijn vrouw wilde niet dat hun kinderen samen met de koloniekinderen zouden worden opgevoed. Dat kon ze beter zelf doen, vond ze. Wel kwamen ze dichter in de buurt wonen: in 1900 verhuisde het gezin Van Rees van Hilversum naar Laren. Op het kolonieterrein werd voor Jacob een ‘werkhut’ gebouwd. Daarin had hij nogal last van muizen. Die overlast bestreed hij door muizen te vangen, maar die liet hij dan in het bos weer los.

Wij arbeiden niet als slaven, maar als meesters, niet aan het afgrijselijke loonstelsel gebonden, genietend de volle vreugd, het volle loon van onze arbeid.
Een moeizame start
Met die ‘volle vreugd’ viel het, zeker in het begin, lelijk tegen. Ten eerste bleek de grond erg slecht. Zo’n zestig centimeter onder het maaiveld lag een ondoordringbare oerbank. Die belemmerde de waterafvoer en de groei van planten. De kolonisten moesten de grond eerst tot ongeveer een meter diep omwerken en grote brokken oerbank verwijderen. En dan was er ook nog slechts één kolonist, Atze Tjekkes Spoor, met ervaring in de land- en tuinbouw. De anderen hadden ander (hand)werk gedaan of waren hele of halve intellectuelen.

Met de opbrengst van landbouwproducten als aardappelen, tarwe en boekweit konden de kolonisten zich niet bedruipen. Daarom werd overgeschakeld op tuinbouw (onder meer aardbeien, rabarber, tomaten en erwten). Dat ging wat beter. Ook een fabriekje voor limonadesiroop en de uit Den Haag naar de kolonie verhuisde drukkerij van het blad Vrede leken wel perspectief te bieden. Toch was er slechts één economische activiteit die echt floreerde: de modern ingerichte bakkerij. Vooral sportbeschuit vond tot in de wijde omtrek veel aftrek.

Saboterende ‘blootlopers’ en ‘grasvreters’
Alles overziend ging het in de Blaricumse kolonie beslist niet van een leien dakje. En dat te midden van een omgeving die de kolonisten toch al niet welgezind was. De katholieke boeren in Blaricum en Laren vonden die kolonisten maar vreemde snuiters. Ook de streng-protestantse vissers in Huizen dachten er het hunne van. Die kolonisten waren ‘grasvreters’ (vegetariërs) en ‘blootlopers’ (in hun sandalen staken blote voeten). En dan liepen ze ook nog zonder hoeden of petten – zelfs op zondag! De Blaricumse pastoor Hoebink maande zijn kudde niet met die ‘rooien’ om te gaan.
De klap op de vuurpijl kwam in 1903, het jaar van de bekende spoorwegstakingen. De spoorwegarbeiders wonnen de eerste krachtmeting, maar toen kwam het kabinet van de antirevolutionaire premier Abraham Kuyper met de berucht geworden ‘worgwetten’. Die voorzagen in een stakingsverbod bij instellingen van publiek belang, zoals de spoorwegen. Het leidde tot de oprichting van het Comité van Verweer en uitroeping van de tweede spoorwegstaking (die overigens op een nederlaag voor de arbeiders uitliep).

Het sabotagegerucht was niet waar, maar het deed wel zijn werk. Een aantal boeren en vissers wilde die ‘blootlopers’ en ‘grasvreters’ een lesje leren. Op 12 april 1903 belaagde een menigte de kolonie en gooide ruiten in. Aanvankelijk lukte het twaalf uit voorzorg door burgemeester Hosang opgetrommelde huzaren nog de woedende dorpelingen te verdrijven. Later die avond volgde een tweede aanval. Nu werd er ook brand gesticht. Die in de drukkerij kon worden geblust, maar een koloniehuisje brandde geheel af.
Het einde
Een aantal kolonisten, bevreesd voor herhaling, wilde daarna revolvers kopen. Het leidde tot diepe verdeeldheid. Veel kolonisten hielden het voor gezien, nog los van het bewapeningsplan (dat niet tot uitvoering kwam), maar alleen al omdat ze niet verder wilden in een zo vijandige omgeving. Van de oorspronkelijke kolonie, waar in die eerste jaren 64 mensen (kinderen meegerekend) kortere of langere tijd hadden gewoond, bleef weinig meer over dan de bakkerij. Het jaar daarop startte Van Rees een nieuwe tuinbouwgroep. Zo sleepte de zaak zich nog een aantal jaren voort, hoewel van de idealen weinig resteerde. De tuinbouwgroep zette geregeld loonarbeiders in, waardoor het in feite een kapitalistisch bedrijfje werd. Het einde kwam in maart 1911, toen Kolonie Internationale Broederschap formeel werd opgeheven.
Wat was begonnen met veel idealisme – en met vermoedelijk een dosis naïviteit over wat wel en niet mogelijk zou zijn – was een mislukking geworden. Economische moeilijkheden, onderlinge conflicten en een vijandige omgeving hadden de kolonie de das omgedaan. Een unicum was die mislukking overigens niet. In 1898, een jaar eerder dan Van Rees in Blaricum, stichtte arts/schrijver Frederik van Eeden in het naburige Bussum landbouwkolonie Walden. ‘Werken naar kracht en nemen naar behoefte’ was het motto. Een religieuze grondslag zoals in Blaricum ontbrak in Bussum. In 1907 ging Walden failliet. Aan de kolonie in Blaricum herinneren nu nog twee straatnamen: het Koloniepad in Laren en de ietsje verderop gelegen Professor van Reeslaan in Blaricum.
Humanitaire School in Laren
Van Rees intussen was in 1903 nog een heel ander project begonnen: de Humanitaire School in Laren. Daar moest de individuele aanleg van het kind centraal staan, het kind moest zijn of haar zelfstandigheid ontwikkelen door zelfwerkzaamheid. Gelijke kansen voor ieder kind, was het adagium. Of, zoals het op papier werd gezet:
’t Scheppen van gelijke ontwikkelingsvoorwaarden voor de individuele aanleg van ieder kind, ongeacht de maatschappelijke welstand zijner ouders in een eenvoudige schone omgeving die sociaal voelen zoveel mogelijk bevordert.

Sport, spel, tuinieren, natuurverkenning en creatieve vorming zouden een belangrijke rol spelen. Voorts werd handwerken niet iets gevonden voor alleen meisjes, maar ook voor jongens.
De leiding moest niet berusten bij een schoolhoofd of directeur, alle zaken moesten worden beheerd door het collectiefje van onderwijskrachten (allen vegetariër, geheelonthouder en niet-roker), bijgestaan door het bestuur (waarin Van Rees zat) en een adviescommissie. Overigens werd na enkele jaren toch de functie van schoolhoofd ingesteld, zij het als ‘primus inter pares’, eerste onder zijn gelijken.
Bekende onderwijzers
De school begon in september 1903 met twee leerkrachten en zeven leerlingen: één leerling uit de Blaricumse kolonie, zes van daarbuiten. Gestart werd in twee kamers in Van Rees’ woning, villa Veldzicht aan De Leemkuil. Het aantal leerlingen groeide gestaag en dat heeft er ongetwijfeld aan bijgedragen dat Van Rees in 1913 terugverhuisde naar Hilversum, waar zoals het pand Godelindeweg 20 werd betrokken. In Laren werd in 1908 in de tuin in een houten lokaal begonnen met een Fröbelklas voor kleuters. In 1925 werd de oorspronkelijke school/woning gesloopt. Er verrees een nieuw schoolgebouw.

Einde van De Hum
Al vrij snel trok De Hum de aandacht met de voor die tijd zeer vernieuwende aanpak. Uit de Nederlandse onderwijswereld kwamen geregeld collega’s een kijkje nemen. Ook werden er bezoekers ontvangen uit België, Denemarken, Zweden en Rusland.
Na het overlijden van Van Rees in 1928 kwam de school in problemen. Er ontstonden onderling forse meningsverschillen. Uiteindelijk hield De Hum op te bestaan. In 1931 werd de instelling omgezet in een Montessorischool. Aan De Leemkuil 4 is tot op de huidige dag de Larense Montessorischool gevestigd.

Laatste jaren en overlijden
Tegen het einde van zijn leven maakte Van Rees een uitgebreide propagandareis naar Nederlands-Indië. Hij was inmiddels lid van de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten. Maar die reis ondernam hij namens de Internationale Loge van Goede Tempeliers. Op 10 september 1926 stapte hij in het Italiaanse Genua aan bood van stoomschip P.C. Hooft om op 1 oktober in Tandjong Priok, de haven van Batavia, te ontschepen. Volgens een document in het Archief Gooi en Vechtstreek bevestigde Stoomvaart Maatschappij ‘Nederland’ voor de passage 815 gulden te hebben ontvangen.
Voor Tempelieren-loges en kunstkringen hield Van Rees op Java in ongeveer vijftien grote en kleinere steden lezingen over onder meer geheelonthouding, onderwijs en biologie – soms verluchtigd met ‘lantaarnplaatjes’. Blijkens een briefje van dat hij op 11 november 1926 schreef aan de gouverneur-generaal van Indië stuurde hij deze hoogste bestuurder in de kolonie nu en dan verslagjes van zijn activiteiten. Anarcho-communist Van Rees tekende het briefje met ‘Uw Dw. Dr.’ (dienstwillige dienaar).

Na een week op Bali (voor ‘studiedoeleinden’, aldus een planningslijst) reisde Van Rees naar Padang (West-Sumatra) en van daar dwars over Sumatra naar Medan. In beide steden, en onderweg ook in Fort de Kock (nu Bukittinggi) en Pematang Siantar, hield hij opnieuw lezingen. Ten slotte stapte hij op 25 februari 1927 in Belawan (nabij Medan) aan boord van stoomschip Johan de Witt, dat hem terugbracht naar Genua.
In 1926 stierf Van Rees’ dochter Lizzy, in 1927 zijn vrouw. Op 4 januari 1928, om half vier in de ochtend, overleed Van Rees zelf, thuis, aan de gevolgen van longontsteking. Hij was 73 jaar. Vanaf zijn woning, Sumatralaan 5 in Hilversum, vertrok de rouwstoet op zaterdag 7 januari naar de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Bosdrift. Daar rust Van Rees anno 2025 nog steeds, in vak 4, grafnummer 117.

Boom en bank
Na zijn heengaan zaten zijn geestverwanten niet stil. Niet alleen werden diverse herdenkingsbijeenkomsten gehouden, ook werd ingezet op blijvende blijken van waardering. Om te beginnen werd op 17 oktober 1931 in Hilversum een rode beuk geplant op de hoek van de Godelindeweg (nu deel van de buitenring) en de Hoge Naarderweg. Al toen Van Rees nog leefde, in 1926, had de Hilversumse afdeling van de Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond de gemeente toestemming gevraagd voor zo’n boom of iets anders om te gedenken dat Van Rees in 1925 na vele jaren het voorzitterschap van die afdeling had neergelegd. De plek was niet toevallig gekozen. Enkele tientallen meters verderop, aan Godelindeweg 20, had Van Rees sinds zijn terugkeer uit Laren (april 1913) immers gewoond, tot hij in mei 1927 vertrok naar Sumatralaan 5. Op Godelindeweg 20 staat nu niet meer Van Rees’ voormalige woning. In 1993/1994 maakte die plaats voor een appartementencomplex.

Enkele maanden na het planten van de boom meldde de Internationale Orde van Goede Tempelieren (IOGT) zich bij burgemeester en wethouders van Hilversum. Bij de Van Reesboom wilde de orde graag een monumentale bank plaatsen ter ere van de ‘leider en ziel’ van hun organisatie. Dat mocht. Op 8 juli 1933 werd de door architect H.A. van Anrooij ontworpen Van Reesbank onthuld. Tegelijk werd deze overgedragen aan de gemeente.
Het was een kloek monument geworden. Driekwart meter onder het maaiveld werd een twintig centimeter dikke betonplaat aangebracht om de boel te dragen. De bank zelf bestaat uit gelakte houten latten op drie dragende metalen beugels. Voor de rest van het monument is liefst zevenduizend kilo Donau-graniet gebruikt. Aan de ene kant van het verticale deel maakte beeldhouwer Johannes Gustaaf (Jobs) Wertheim een portret van Van Rees met daaronder de vermelding ‘Prof. dr. J. van Rees’. Aan de andere kant is een nu nauwelijks meer leesbare tekst gebeiteld: ‘In memoriam den oud-voorzitter der I.O.G.T. 16-4-1854 – 4-1-1928 aan de gemeente Hilversum overgedragen’. Achter de rugleuning van de bank zit een bloembak, waarin oorspronkelijk blauwe bloemen pronkten, de kleur van de geheelonthoudersbeweging. In juli 2025 tekende het Dudok Architectuur Centrum aan:
Helaas is dit gebruik in vergetelheid geraakt. Het wordt tijd om de bak haar blauwe bloemen terug te geven.

– Becker, Frans en Frieswijk, Johan: Bedrijven in eigen beheer. Kolonies en produktieve associaties in Nederland tussen 1901 en 1958 (Nijmegen 1976).
– Boersen, Maria W.J.L.: De Kolonie in Blaricum. In: Tussen Vecht & Eem, 3e jaargang nr. 2, mei 1985.
– Boersen, Maria W.J.L.: De kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum, bijlage II Kolonisten te Blaricum in de periode 1899-1903 (Blaricum 1987).
– Cramer, Max: Huis met historie: De Van Reesbank. In: Eigen Perk, tijdschrift van de Hilversumse historische kring ‘Albertus Perk’, 1989 nummer 1.
– De teraardebestelling van Prof. van Rees. In: De Gooi- en Eemlander, 9 januari 1928.
– Dudok Architectuur Centrum: De Van Reesbank. In: HilversumsNieuws, 24 juli 2025.
– Huiskamp, Frits: De Humanitaire school. Leren door te doen. In: De School Anno, Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum, 5 april 2005.
– James, J.: Jacobus van Rees (1854-1928); een vreemde eend in de universitaire bijt. In: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 140 (51), 21 december 1996.
– Kalsbeek-Kraay, G.: De geschiedenis van een school. In: Tussen Vecht & Eem, mei 1980.
– Kieft, Ewoud Matthijs: Tot oorlog bekeerd. Religieuze radicalisering in West-Europa 1870-1918 (proefschrift, Utrecht 2011).
– Kluveld-Reijerse, Amanda Alwien: Reis door de hel der onschuldigen. De expressieve politiek van de Nederlandse Anti-vivisectionisten, 1890-1940 (proefschrift, Maastricht 1999).
– Koekkoek, Gerard: Laren door de straten heen (Laren 1984).
– Prof. dr. J. van Rees. In: De Bel, nieuws- en advertentieblad voor Blaricum, Eemnes en Laren, 15 april 1924.
– Prof. Dr. J. van Rees †. In: De Gooi- en Eemlander, 4 januari 1928.
– Smit, Christianne: Spinazievreters vol stralende wendingen. Volksverheffers tussen Vecht en Eem rond 1900. In: Tussen Vecht & Eem, 36e jaargang nr. 3, 2019.
– Uittenhout, Ruud: Jacob van Rees. In: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1990, laatst gewijzigd 18 maart 2020).
– Uitvaartstichting Hilversum: email aan auteur, 18 september 2025.
– Universiteit Utrecht: Catalogus Professorum Academiae Rheno-Traiectinae (https://profs.library.uu.nl/).
– Verdonk, Ate Dirk Jan: Het dierloze gerecht. Een vegetarische geschiedenis van Nederland (proefschrift, Utrecht 2009).
– https://www.delpher.nl
– https://www.mondriaanroute.com
– https://www.montessorilaren.nl
– https://movendi.ngo
Walden, het ‘Utopia’ van schrijver Frederik van Eeden
Ferdinand Domela Nieuwenhuis, van dominee tot anarchist
Kees Boeke, christen-pacifist en docent van Beatrix
Vercingetorix (72-46 v.Chr.) – Gallische koning
Jürgen Habermas – filosoof van de Frankfurter Schule en communicatief handelen
Polybios (ca. 208-118 v.Chr.) – Grieks politicus, militair en historicus