De musea
De oudste nog steeds bestaande Nederlandse musea stammen uit het laatste kwart van de achttiende eeuw en waren gesticht op particulier initiatief. In Haarlem was Teylers Stichting de opdrachtgever voor een ‘musaeum’ voor kunst en wetenschap en in Franeker creëerde Eise Eisinga zijn voor publiek toegankelijk planetarium. Nu niet meer bestaand, maar destijds zeer belangrijk, waren de verzamelingen van kunst en wetenschap van stadhouder Willem V, die in een aantal zalen aan het Buitenhof in Den Haag toegankelijk waren gemaakt. Het doel van dergelijke initiatieven was het bieden van toegang tot de meest actuele kennis en kunst. Zij pasten in het Verlichtingsideaal van volksverheffing, waaronder ook bijvoorbeeld het stichten van openbare bibliotheken en het creëren van technische opleidingen vielen.

Tussen 1795 en 1813 was Nederland bezet door Frankrijk. In 1808 werd het eerste nationale kunstmuseum geopend in Amsterdam in navolging van de voorbeelden in Parijs. Na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden werd dit beleid voortgezet en uitgebreid door koning Willem I. Hij stichtte naar Frans voorbeeld een aantal musea, zoals het Rijksmuseum (1813), het Mauritshuis (1822) en het Museum van Oudheden (1818). Vanaf de Belgische opstand in 1830 begon een periode van stilstand voor de nationale musea, die zo’n veertig jaar zou duren.
In de negentiende eeuw ontkiemden in de meeste Nederlandse steden musea op basis van collecties die vaak eeuwenlang op de stadhuizen waren bewaard, meestal een combinatie van kunst en historische voorwerpen. Soms openden lokale genootschappen van kunst en/of wetenschap hun collecties voor het publiek. In toenemende mate raakten welgestelde burgers betrokken bij het stichten van nieuwe musea door schenkingen en nalatenschappen van kunstcollecties of door legaten en erfenissen (vaak met speciale clausules) aan de lokale of de nationale overheid.
Andere musea hadden een functie als verzameling van referentiemateriaal voor wetenschappelijk onderzoek, zoals de natuurhistorische musea, die meestal verbonden waren aan universiteiten. Het concept museum als plek voor het leren over het eigen verleden of de eigen plaats in de wereld én voor het genieten van kunst, raakte steeds meer ingeburgerd. Aan de inrichting werd nog weinig aandacht besteed en de openingstijden waren vaak nog erg beperkt.
De Nederlandse Oudheidkundige Bond
Het overheidsbeleid ten aanzien van cultureel erfgoed was tot in de twintigste eeuw uitgesproken liberaal. Hoe minder regels hoe beter. Met de toenemende bevolking en de industrialisering veranderden de Nederlandse steden en het platteland in sneltreinvaart. Nieuwe infrastructuur, zoals wegen, spoorlijnen en havens, werd aangelegd. Belangrijke historische gebouwen werden afgebroken en dat betrof ook hun interieurs, zoals in kerken. Vernieuwingen op elk denkbaar terrein zorgden voor grote veranderingen in en om het huis, de boerderij of het werk. Met als gevolg dat oude gebruiken en de bijbehorende voorwerpen in hoog tempo verdwenen. De beroemde aanklacht van Victor de Stuers in het artikel ‘Holland op zijn smalst’ in De Gids (1873) stelde het totale gebrek aan zorg voor het eigen erfgoed aan de kaak. Het zou nog bijna een eeuw duren voordat de bescherming van monumenten in wetgeving werd vastgelegd.
In deze lacune was veel ruimte voor particulier initiatief. Mr.dr. J.C. Overvoorde, archivaris van Dordrecht en secretaris van de Vereniging Oud-Dordrecht, riep in 1898 “alle besturen van oudheidkundige vereenigingen en bekende museumbesturen in Nederland” op een overkoepelende vereniging te stichten met als doel samen te werken aan de bescherming van belangrijk erfgoed. Nederland liep behoorlijk achter in Europa op het gebied van de bescherming van en de toegang tot het eigen erfgoed. Erfgoedprofessionals constateerden een groot gebrek aan visie, kennis en geld bij politiek en overheid om zorgvuldig om te gaan met historische monumenten en voorwerpen.
De Nederlandse Oudheidkundige Bond werd officieel opgericht in Amsterdam in 1899. Musea, archieven, bibliotheken, de Vereniging Rembrandt en lokale oudheidkundige verenigingen die een rechtspersoon waren, en verder leden van commissies van beheer van een museum of een vereniging zonder eigen rechtspersoonlijkheid, konden lid worden. Opvallend in deze tijd is de veel voorkomende combinatie van stadsarchivaris en museumdirecteur, die wijst op de oorspronkelijke functie van het samen bewaren van documenten en belangrijke historische voorwerpen, vaak ten stadhuize.
Met de ontwikkeling van de rol van musea om voorwerpen op een esthetische en begrijpelijke manier te presenteren en het publiek centraal te stellen begonnen de functies van archivaris en museumdirecteur in de jaren twintig van de vorige eeuw uit elkaar te groeien. Eén van de laatste gecombineerde functies was die van archivaris en museumdirecteur van Zuid- en Noord-Beveland in Goes, bekleed door Louis Abelmann tussen 1968 en 1990.

De Bond fungeerde met wisselend succes als pressiegroep bij de dreigende afbraak van gebouwen, het dempen van grachten of de verkoop van bijzondere objecten uit gemeentelijk of kerkelijk bezit. Eén van de eerste acties in 1899 was gericht op het voorkomen van de sloop van de Nieuwezijds Kapel aan het Rokin in Amsterdam, overigens zonder succes. Wél succesvol was het protest tegen het plaatsen van een telefooninstallatie op het dak van de Sebastiaansdoelen in Den Haag (1902), en het pleidooi voor het behoud van het raadhuis te Jisp (1903).
Vele tientallen jaren bleef de Bond ageren tegen de sloop van stedelijke infrastructuur en gebouwen. Een belangrijk wapenfeit was het maken van beschrijvingen van monumentale gebouwen per provincie. Voor het eerst werd daarmee in kaart gebracht welke gebouwen belangrijk erfgoed waren en dus bescherming behoefden in een nog te schrijven monumentenwet.
Museumbeleid

- I. Reorganisatie onzer Rijksmusea,
- II. Handleiding voor het beheer onzer plaatselijke historische musea,
- III. De opleiding van onze museum-directeuren en
- IV. Museum-stellingen.
Daarna hief de commissie zichzelf op, maar de Bond ging door met lobbyen, mét resultaat.
Het net opgerichte ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW), onder leiding van minister J.Th. de Visser (CHU) installeerde in 1919 de Rijkscommissie voor het Museumwezen, die eerst twintig en later 22 leden kende, onder wie dertien museumdirecteuren, drie hoogleraren kunstgeschiedenis, een verzamelaar, een architect, een archivaris en een schrijver. Het geheel stond formeel onder leiding van een topambtenaar van het ministerie. In het eerste rapport van de commissie uit 1921 werd een groots vergezicht voor de toekomst geschetst met onder andere twee nieuwe nationale musea, één gericht op kunst en één op de nationale geschiedenis. De nationale collecties zouden herverkaveld moeten worden.
Het was de wens van de commissie een rigoureuze scheiding aan te brengen tussen de presentaties van de kunstcollecties en die van de (Nederlandse) geschiedenis. Daarvan kwam om verschillende redenen niets terecht. Er was geen geld beschikbaar en de bestaande musea wilden hun topstukken niet afstaan aan de nieuwe instellingen. Het voorstel om een Rijkscommissie voor de Musea in te stellen, die de minister zou adviseren, werd wel overgenomen, maar de bevoegdheden waren veel minder vergaand dan in het voorstel.

Bij de discussies over de stellingen over musea, gehouden tijdens de vergaderingen van de Bond, was het zaadje geplant dat musea niet alleen de bewaarplaats waren van kunst en historische voorwerpen, maar dat deze ook op een aansprekende manier gepresenteerd zouden moeten worden aan het publiek.
De opkomst van historisch besef in de negentiende eeuw
Een gezellig avondje: de kunstbeschouwing
Frans Hals: natekeningen onthullen verdwenen details
Rembrandts etsen en hun waardering door de eeuwen heen