De lessen van jagers-verzamelaars
‘Vertel me eens, hoe denk jij eigenlijk over oorlog?’ luidt onze hamvraag aan Homo sapiens. Zijn wij van nature oorlogszuchtig of hebben we ons alleen maar een al even slechte als onaangename gewoonte aangeleerd? In het eerste geval zou oorlog diep in ons wezen verankerd zitten; in het tweede zouden wij allemaal beter af zijn zonder. Daarom is het zo belangrijk om te weten of mensen elkaar al duizenden eeuwen lang afslachten of pas sinds een paar duizend jaar. We zijn nu op het punt beland dat we op basis van onze verkenningen in het rijk van de biologie eerste antwoorden kunnen leveren. Althans wat betreft de evolutionaire logica en de gevolgen die daar voor onze soort uit voortvloeien.
Op goede gronden benadrukten we de continuïteiten tussen dier en mens. De patronen en de daaraan ten grondslag liggende regels, die met name aan te treffen zijn bij mensapen, zijn ook relevant voor het begrip van ons eigen gedrag. De verschillen tussen bonobo’s en chimpansees die zich binnen een verrassend korte tijd ontwikkelden, tonen aan dat we hier niet overhaast op basis van analogieën conclusies mogen trekken, aangezien onze voorouders immers al veel vroeger een geheel ander pad waren ingeslagen. Des te belangrijker is het om de verschillen tussen chimpansees en mensen met betrekking tot groepsconflicten te begrijpen, verschillen die voortvloeien uit hun zeer verschillende leefwijzen. Hoewel nauw aan hen verwant, zijn wij in veel opzichten totaal anders.
Wij baseren ons hier vooral op de resultaten van etnografisch onderzoek naar nomadisch levende, dus niet-sedentaire, jager-verzamelaars; in het volle besef overigens dat deze inzichten zich niet simpelweg een-op-een van toepassing laten verklaren op alle prehistorische jager-verzamelaars. Niettemin komen er zo fundamentele logische verbanden boven die samenhangen met hun specifieke leefwijze, zodat we kunnen vaststellen waar we parallellen zien met chimpansees en waar fundamentele verschillen.
Ook binnen mensengroepen vormen mannen op onderling vertrouwen gebaseerde coalities. Vaak zijn zij met elkaar verwant waardoor de bereidheid om elkaar in conflictsituaties bij te staan nog vergroot wordt. Dankzij hun jachtwapens kunnen ze snel en van grote afstand doden. Mochten ze ’s nachts of bij zonsopgang rivaliserende groepen aanvallen, dan gebeurt dat met betrekkelijk weinig risico, met name wanneer de aanvallers een numeriek overwicht hebben. Evenals onze chimpanseeverwanten hebben zij andere mannen op het oog. En tonen zij zich heel ontvankelijk voor de emoties die daarmee gepaard gaan: de kick en de spanning van de aanval, de triomf van de overwinning. De parallellen zijn onmiskenbaar: mobiele jager-verzamelaars zijn in staat én bereid om gezamenlijk in coalitieverband tegen anderen op te trekken en hen ook te doden. Niettemin is er een hele reeks factoren die aannemelijk maken dat zoiets als chimpanseeoorlogen in onze evolutie hooguit de uitzondering en zeker niet de regel was.

Verschillen ten opzichte van chimpansees
Ten eerste leven mannen en vrouwen in het algemeen bij ons mensen paarsgewijs samen doordat zij gedurende enige tijd samen kinderen grootbrengen. Polygynie, waarbij een man met meerdere vrouwen tegelijk kinderen heeft, komt bij jager-verzamelaars weinig voor. Vechten voor een groter territorium zou mensenmannen dus maar een fractie opleveren van het reproductievoordeel dat dominante chimpanseemannetjes hebben door op die manier toegang te krijgen tot meer vrouwtjes. Mensenmannen winnen er dus nauwelijks iets bij, terwijl ze wel risico nemen. Ook vrouwenroof levert hun weinig op. Als polygynie wijdverbreid was, zou dat de situatie anders maken, maar het verschijnsel dat enkele mannen vrouwen monopoliseren doet zich alleen voor op plekken waar mensen sedentair worden, wat pas laat in onze evolutie het geval was.

Ten derde hebben jager-verzamelaarsgroepen meestal min of meer eenzelfde omvang. Overvallen volgens het chimpanseeprincipe van numeriek overwicht zijn dus nagenoeg onmogelijk. Weliswaar maken langeafstandswapens het aanvallers eenvoudiger, maar dat gaat alleen op zolang zij het verrassingselement aan hun kant hebben. En die maken het ook riskanter. Het is immers niet langer zo dat het slachtoffer geen enkele kans heeft tegen een getalsmatig overwicht van een coalitie, zoals dat bij chimpansees wel het geval is. Zelfs bij een aanval kan een enkeling zich nog met zijn wapens verdedigen voor hij wordt gedood. Bij mensen is het eenvoudig, risicoarm doden van de vijand is alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk. Daarom nemen jager-verzamelaars bij gevechten hun toevlucht tot hinderlagen of verrassingsaanvallen in de ochtendschemer, waarbij zij zo veel mogelijk vijanden doden voordat iemand naar de wapens kan grijpen. Vervolgens trekken zij zich bliksemsnel terug en wissen ze hun sporen uit.

Ten vierde is het lastig om überhaupt een vijand tegen het lijf te lopen, doordat de bevolkingsdichtheid van jager-verzamelaars minstens tien maal zo laag is als die van chimpansees. Hun foerageergebied heeft een enorme omvang en een gevecht kan dus gemakkelijk uit de weg worden gegaan. Het is de typische jager-verzamelaarsoplossing voor conflicten: simpelweg verdwijnen en zorgen dat er geen rook is.
Ten vijfde, een heel cruciaal punt: in geval van een conflict valt er niet alleen weinig te winnen, maar ook veel te verliezen. Jager-verzamelaarsgroepen maken deel uit van een hecht netwerk met andere groepen en deze communities onderhouden vaak ook weer goede contacten met andere gemeenschappen. Samenwerking is daarom voor iedereen profijtelijk – en ook nog eens zonder risico’s en verwondingen. Het is een fundamenteel verschil met chimpansees: zij hebben bij samenwerking met andere groepen niets te winnen en zijn er dus ook niet in geïnteresseerd. Temeer omdat zij zelf veel minder coöperatief zijn dan wij, die juist wel veel voordeel halen uit samenwerking met anderen. Terwijl chimpansees in onbekenden alleen een tegenstander zien, betekenen onbekenden voor mensen altijd ook een kans op samenwerking.

Daarom moeten er, ten zesde, binnen een jager-verzamelaarsgroep flinke hindernissen worden overwonnen om de eigen groepsleden van de noodzaak van een aanval te overtuigen. Het is een besluit waar allen mee moeten instemmen. Christopher Boehm heeft laten zien dat jager-verzamelaars er een ‘militant egalitarisme’ op na houden. Niemand – vrouw noch man – kan gedwongen worden iets te doen wat zij of hij niet wil. Iedereen moet dus overtuigd worden. En dan geldt hetzelfde als bij primaten: het is lastig om anderen enthousiast te krijgen voor een strijd met de buren wanneer zij hier zelf geen groot profijt van te verwachten hebben en het risico op verwondingen of dood groot lijkt. Tenslotte blijft een aanval maar zelden onbeantwoord.
En dat brengt ons bij een zevende punt: met een overval maak je vijanden. We hebben laten zien hoe belangrijk en bestendig goede relaties met andere groepen zijn. Heel nauwlettend wordt bijgehouden of ze wel in evenwicht zijn. Wederzijdse verplichtingen worden gedurende lange tijd in herinnering gehouden. Die wederkerigheid geldt echter ook in negatieve zin: de smaad die jou is aangedaan door een ander moet vergolden worden! Als het nu niet kan, dan later. Vaak vereisen de geesten van de doden dit. Wraak is een universeel verbreid verschijnsel. Hij vormt niet alleen de keerzijde van positieve betrekkingen, hij maakt ook samenwerking mogelijk. Misstappen, ook van andere groepen, vragen om bestraffing. Wraak dient dus niet alleen om de relatie weer in evenwicht te brengen, maar moet anderen ook afhouden van negatief gedrag later. Dat betekent dus dat elke aanval op anderen risico’s met zich meebrengt voor de toekomst. In het vervolg zal je moeten leven met een gevoel van voortdurende dreiging.
Een reden temeer waarom nomadische jager-verzamelaars absoluut hoge hordes kennen om anderen aan te vallen. Het voordeel is gering, de prijs zeer hoog: je verandert een potentiële partner in een vijand die zich kan wreken. Om dat alles hoeven chimpansees zich niet te bekommeren.
We vatten samen: de evolutionaire logica die chimpansees ertoe verleidt hun buren aan te vallen omdat zij daar baat bij hebben, laat zich niet simpelweg toepassen op mensen. Zo’n aanval zou onze voorouders maar bij hoge uitzondering een voordeel opgeleverd hebben dat opweegt tegen het risico en de kosten. De vergelijking levert dus een duidelijke uitkomst op: vanuit de evolutionaire logica is alles ervoor te zeggen dat zij niet in een permanente staat van latente oorlog leefden, zoals dat voor chimpansees wel het geval is.

Nu is er nog een ‘killerargument’ tegen de hypothese dat mensen killer apes geweest zijn: honderdduizenden jaren lang ontbreekt het aan enige innovatie in wapen- en verdedigingstechnologie. In het geval van een permanente oorlogsdreiging zou dat anders moeten zijn geweest. Onze voorouders voelden kennelijk geen noemenswaardige aanpassingsdruk. We zullen nog zien hoe belangrijk oorlog, wanneer hij eenmaal een feit is, zal worden als innovatiemotor.
Dit betekent dat we onder nomadische jager-verzamelaars, met name die uit het verre verleden, niets aantreffen van wat later, in sedentaire tijden typerend zal zijn voor oorlog: geen specifieke oorlogswapens, geen verdedigingsconstructies, geen veldslagen, laat staan enorme veldtochten, geen permanente bezetting van vijandelijk gebied, geen verkrachtingen van vrouwen, geen gevangennemingen en het in slavernij afvoeren van vijanden.
Vergelijking met ‘moderne’ jager-verzamelaars
Maar staat dat niet haaks op de bevindingen met betrekking tot de jager-verzamelaars van de laatste vijfhonderd jaar? Per slot van rekening zou 90 à 95 procent van hen bekend zijn met het verschijnsel oorlog. De etnografische gegevens op dit punt zijn echter sterk omstreden, om het zachtjes uit te drukken. En ook wanneer je dat wat zij elkaar zo nu en dan aandoen als oorlog zou kunnen betitelen – in die zin dat mensen uit andere groepen om het leven worden gebracht – lijkt dat beslist niet op oorlog in de hedendaagse zin met veldslagen en groot opgezette campagnes.

Tegenwoordig leven nog maar heel weinig mensen op de oude manier van rondtrekkend foerageren – en alleen in marginale gebieden. De weinigen die dat nog doen, worden – of zijn in het verleden – sterk beïnvloed door hun radicaal veranderde omgeving. Antropologen verschillen van mening over de interpretatie van de gegevens; je hebt haviken en duiven.
Uit de dikwijls aangehaalde kwantitatieve etnografische overzichten van de late twintigste eeuw komt naar voren dat een ruime meerderheid van de jager-verzamelaars vaak oorlog voerde, terwijl slechts ongeveer 10 procent van hen aangaf dat oorlog maar zelden voorkwam of zelfs helemaal niet bestond. Daarmee leek de zaak beslist: de haviken hadden gelijk.
Die uitkomsten kwamen echter niet overeen met de conclusies die experts als Elman Service en Marshall Sahlins in eerder, meer kwalitatief onderzoek uit de jaren zestig getrokken hadden. Bij nadere beschouwing van de gegevens bleek dat de kwantitatieve overzichten een heleboel ‘complexe’, dat wil zeggen al sedentair levende, jager- verzamelaars bevatten die over voedselvoorraden en permanente huizen beschikten, door mannen gedomineerde hiërarchieën kenden en in veel grotere bevolkingsdichtheden leefden.

Deze ‘complexe’ jager-verzamelaars voerden inderdaad regelmatig oorlog en hielden soms zelfs slaven. Bekende voorbeelden zijn de stammen langs de Stille Oceaankust van Noord-Amerika. Maar het verschil tussen nomadische en sedentair levende jager-verzamelaars is, zoals gezegd, zo groot dat het haast al misleidend is om hen beide in dezelfde categorie van ‘jager-verzamelaar’ op te nemen. Wanneer je dergelijke overzichten zou corrigeren voor de sedentair levende groepen, wordt oorlog een veel zeldzamer verschijnsel, ook al is de kans erop niet gelijk nul.

Jagers-verzamelaars (en de eerste boeren)
Moerassen vertellen millennia-oude verhalen over geweld en geloof
De uitvinding van de landbouw: de grootste fout aller tijden?
De steen van Linne – De oudste prehistorische tekening van Nederland
De Lindow-man, het bekendste veenlijk van Groot-Brittannië
Prehistorie – Betekenis begrip en periodisering