De grootste fout aller tijden
Een van de belangrijkste factoren in het overgangsproces naar hiërarchie en ongelijkheid lijkt de ontwikkeling van een steeds meer sedentaire levenswijze en van de landbouw geweest te zijn. Met het einde van de ijstijd, ongeveer tienduizend jaar geleden, ontstonden – na een vele honderdduizenden jaren durende fase van instabiliteit, die ons intelligent gemaakt heeft en in staat om te leren – voor het eerst de klimatologische omstandigheden om met succes akkerbouw te bedrijven, nuttige dieren te houden en planten te cultiveren. De daardoor mogelijk geworden agriculturele levenswijze verschafte ons in- en uitwendig zekerheid en stabiliteit, een regelmatig aanbod aan voedingsmiddelen en bescherming tegen alle onrecht van de natuur.

Thomas Hobbes maakt in 1651 in een van de meest geciteerde passages uit de geschiedenis van de filosofie zijn positie duidelijk:

Wie had er gelijk? Tegenwoordig hoeven we geen genoegen meer te nemen met grotendeels onhoudbare speculaties, waarbij Rousseaus formulering van de ‘edele wilde’ (sauvage noble) wordt uitgespeeld tegen het tegenovergestelde mensbeeld, volgens hetwelk de mens voor de mens een wolf is (homo homini lupus). In feite hadden beiden het bij het verkeerde eind: Rousseau door de mens te beschrijven als een vreedzame einzelgänger, hoewel wij mensen altijd al sociale wezens zijn geweest, die naar binnen toe vreedzaam, egalitair en coöperatief waren, maar zich naar buiten toe gedroegen als bloeddorstige benden van rovers, verkrachters en moordenaars. En Hobbes, omdat hij ons enkel zag als harteloze, strategische egoïsten, wier verdragen zonder het zwaard van de staat waardeloos zijn, terwijl wij wezens zijn die bereid zijn tot samenwerking en alleen in grote groepen een centraal gezag nodig hebben.
Toch heeft Hobbes op juiste wijze het probleem beschreven dat onze evolutie als eerste moest oplossen: er kan alleen samenwerking ontstaan als ons oncoöperatieve gedrag niet langer de dominante strategie is. Er moet een oplossing komen voor het gevangenendilemma – dus het probleem dat individueel rationeel gedrag vaak op collectief niveau verwoestende resultaten oplevert. Hobbes kon zich kennelijk alleen niet voorstellen dat geweld door de staat niet de enige oplossing van die problematiek is.

Het ontstaan van (pre-)moderne staten en vroege beschavingen zou zonder de overgang naar de agricultuur als primaire voedingsbron niet mogelijk zijn geweest, omdat een toenemend aantal mensen dat op een steeds kleinere ruimte samenleeft alleen door een gecontroleerde teelt van voedingsrijke levensmiddelen onderhouden kan worden. Die ontwikkeling kent de prijs van een monotonere voeding. Een dieet dat grotendeels gebaseerd is op rijst of aardappelen bood niet dezelfde afwisseling als de tientallen planten, vruchten en dieren die regelmatig gegeten werden door jagers en verzamelaars.
De concentratie op slechts enkele voedingsmiddelen zorgde bovendien voor het risico van extreme hongersnoden, wanneer slecht weer of een schadelijk dier dat zich op één plantensoort richtte de hele oogst vernietigde. Een sedentair leven met akkerbouw verhoogde niet in de laatste plaats het risico van zoönotische, dus van dier op mens overdraagbare ziekten en epidemieën, waardoor menselijke beschavingen sindsdien voortdurend zijn geteisterd.
De gevolgen ervan waren vaak desastreus: vele van de dodelijkste pandemieën van alle tijden, zoals de Zwarte Dood (de pest), tuberculose, de Spaanse griep, aids of malaria, zijn direct of indirect te herleiden tot het (massaal) houden van dieren en werden pas mogelijk door een hoge bevolkingsdichtheid.
Beschavingsziekten en levensverwachting
Niettemin zou je kunnen veronderstellen dat het overweldigende materiële comfort en de zekerheid van het sedentaire leven per saldo opwogen tegen die duidelijke nadelen. Maar ook dat lijkt niet het geval te zijn. Onze pre-geciviliseerde voorouders werkten minder, sliepen meer en hadden meer vrije tijd. Sommige schattingen stellen dat de werkweek van jagers en verzamelaars royaal lag onder de veertig uur waaraan wij tegenwoordig gewend zijn, en dramatisch onder het eindeloze geploeter dat het dagelijkse leven van veruit de meeste mensen tijdens de laatste millennia heeft bepaald.
Onze vroegste voorouders waren bijna volledig onbekend met beschavingsziekten als depressie, rugpijn, acne, hart- en vaatziekten of zelfs kanker, net als overgewicht. De gemiddelde levensverwachting was weliswaar laag, maar dat kwam vooral door het feit dat de kindersterfte zonder goede medicijnen bijna altijd relatief hoog is. Slechts iets meer dan de helft van alle mensen werd ouder dan vijf jaar. Maar wie die hindernis genomen had, kon zich verheugen in een gezonde, ontspannen en in elk geval niet buitensporig kort leven en makkelijk zestig jaar oud worden, soms zelfs ver daarboven.

Het komt erg aan op het niveau van vergelijken: of jagers en verzamelaars gemiddeld gelukkiger waren dan menige moderne mens, is een omstreden kwestie. Tegelijkertijd bestaat er een onnoemelijk groot aantal mensen voor wie de ruil van een oorspronkelijke levenswijze voor een leven in de marge van de moderne tijd ontegenzeggelijk catastrofale gevolgen heeft gehad. Een miljard hongerende mensen en miljoenen werkende kinderen zou in preneolitische omstandigheden zonder twijfel een wezenlijk beter lot beschoren zijn.
De belediging van het vlees
Sociale gelijkheid lijkt dus de ‘natuurlijke’ levensvorm van de mens te zijn. Toch moesten ook oorspronkelijke stammensamenlevingen behoorlijk wat energie aanwenden om die toestand te handhaven. Er zijn diverse krachten – van sociale coalities tot superieure capaciteiten, individuele gewetenloosheid of puur toeval – die de egalitaire status quo steeds weer uitdagen en uit balans dreigen te brengen.
Om de centrifugale krachten van sociale ongelijkheid in bedwang te houden ontwikkelden onze voorouders diverse technieken die leidden tot een ‘omgekeerde dominantiehiërarchie’. Een beproefd middel voor onze voorouders was om machtshongerige parvenu’s door middel van geruchten, roddel, achterklap en spot eraan te herinneren dat ook de sterkste zelfverklaarde aanvoerder niet meer dan een sterveling blijft. Als dat niet hielp, resteerde alleen de tirannenmoord. Voor de groep was het namelijk een permanente uitdaging om opkomende ongelijkheden in welvaart of status sociaal te nivelleren. Gelijkheid mocht dan de ‘natuurlijke’ toestand zijn, ze was niet vanzelfsprekend. Maar door te leren samenwerken hadden we ook geleerd hoe we als kleine groep tegen individuele anderen kunnen samenzweren.

Egalitaire eigendomsstructuren verhinderden dat afzonderlijke groepsleden zich sociaal konden profileren door buitensporige rijkdom. Rudimentaire vormen van particulier eigendom, of beter gezegd: geprivilegieerde gebruiksrechten, bestonden wel – maar omdat het gebruik van werktuigen, hulpbronnen, vlees of woonruimte geregeld werd via communale toegangsnormen, die niemand uitsloten, is er nooit een grove onevenwichtigheid ontstaan. Wie werktuigen wilde gebruiken, kon dat doen. Iedereen nam samen de zorg voor de kinderen op zich. Een persoon hoefde pas honger te lijden als allen honger leden. Daardoor slaagde een individu of een klein gezin er eigenlijk niet in om genoeg eigendom te verkrijgen om zich boven de rest van de groep te verheffen. Omdat er zo goed als geen permanent bezit was, was er ook weinig te erven, zodat de intergenerationele overdracht van welvaart als bron van ongelijkheid ook wegviel.
De meest drastische methode om de egalitaire balans te herstellen, bestond er zoals gezegd uit om de would-be-despoten, die de controle over de groep voor zichzelf opeisten, gewoonweg te vermoorden. Tegen bijzonder ondraaglijke ‘grote mannen’ vormde zich vaak een coalitie van onderdrukten – of ook van mensen die onderdrukt dreigden te worden – die hun kwelgeesten definitief uitschakelden door middel van een openbare executie of een geheime hinderlaag.

Als de buit dan ten slotte de nederzetting bereikt, reageren de andere mannen navenant:
Met behulp van deze ‘belediging van het vlees’ wordt via sociale-communicatiepraktijken duidelijk gemaakt dat geen enkele vorm van buitensporige trots kan worden getolereerd. In sommige culturen zorgen clevere taboes er ook voor hoe een buit verdeeld wordt: afhankelijk van iemands geslacht, leeftijd of sociale rol mogen bepaalde delen van een dier slechts door bepaalde mensen gegeten worden, zodat een faire verdeling min of meer gegarandeerd is.
Een grote verslechtering
De levenswijze van een species bepaalt altijd ook de niche waarin zich de voor die species relevante selectiedruk manifesteert. Daardoor werd de de-facto-levenswijze van onze voorouders de socioculturele context die onze verdere aanpassingsgeschiedenis heeft gekenmerkt. Langzaamaan ontwikkelden we een egalitaire predispositie, waardoor we sociale ongelijkheden in principe met scepsis tegemoet treden. We kregen permanent een aversie tegen te grote of kennelijk willekeurige sociale verschillen ingeprent.
