Opkomst provincieclubs in jaren zeventig bepalend voor krachtsverhoudingen Eredivisie

Ajax en Feyenoord uitgedaagd door PSV, Twente en AZ’67
5 minuten leestijd
AZ bekerwinnaar 1981
Prins Claus overhandigt op 28 mei 1981 de beker aan AZ'67-aanvoeerder Jan Peters nadat de ploeg in de finale Ajax met 3-1 heeft verslagen (CC0 - Hans Peters - Anefo)
Ter gelegenheid van het verschijnen van het nieuwe boek De opkomst van de provincieclubs, dat hij samen met Jeroen de Haan-Rißmann publiceerde, schreef Jan-Jaap van den Berg onderstaand artikel. Daarin blikt hij terug op de roerige voetbaljaren tussen 1973 en 1984, waarin clubs als PSV, FC Twente en AZ’67 erin slaagden de gevestigde topclubs Ajax en Feyenoord uit te dagen.

Provincieclubs schudden in de jaren zeventig het Nederlandse voetbal op

Begin jaren zeventig maakten twee clubs de dienst uit in het Nederlandse voetbal: Ajax en Feyenoord. Tien seizoenen lang verdeelden ze samen alle landskampioenschappen. Deze absolute topteams domineerden ook het internationale voetbal. Met sterren als Willem van Hanegem en Johan Cruijff slaagden Ajax en Feyenoord er tussen 1970 en 1973 in om liefst viermaal op rij de Europacup-I te winnen. Hun spelers vormden de kern van Oranje dat in de zomer van 1974 met flitsend ’totaalvoetbal’ de wereld verbaasde op het Wereldkampioenschap in Duitsland.

Maar er waren veranderingen op til. In augustus 1973 vertrok Johan Cruijff naar FC Barcelona. Zonder deze superster zou Ajax zeker aan kracht verliezen, verwachtten velen. Drie ambitieuze uitdagers uit de provincie – PSV, AZ’67 en FC Twente – roken kansen om aan te haken bij het top-duo uit de Randstad. PSV werd daarbij financieel gesteund door het Philips-concern, dat tot dan toe steeds had geaarzeld om de club uit Eindhoven al te royaal te sponsoren.

In Alkmaar lanceerden de gebroeders Cees en Klaas Molenaar, die ooit zelf profvoetballers waren en daarna miljonair werden met hun witgoedimperium Wastora, een ‘vijfjarenplan’ om AZ’67 naar de landstitel te voeren. In Enschede wilde FC Twente met een technisch begaafde en ingespeelde selectie meestrijden om het kampioenschap.

PSV viert de landstitel na een 3‑1 overwinning op FC Twente.
PSV viert de landstitel na een 3‑1 overwinning op FC Twente, april 1978 (CC0 – Nationaal Archief – Hans Peters)

PSV, FC Twente en AZ’67

Inderdaad leidde het vertrek van Cruijff tot een scherpe terugval van Ajax, al leken de Amsterdammers het in eerste instantie ook zonder ‘nummer veertien’ wel nog te rooien. Feyenoord bleef overeind, kroonde zich voorjaar ’74 tot kampioen en veroverde zelfs de UEFA-cup. Maar FC Twente bleek al sterk genoeg om de Rotterdammers tot het einde te achtervolgen. De laatste thuiswedstrijd in de Kuip draaide uit op een bloedstollend, rechtstreeks duel om de landstitel, dat de Rotterdammers ternauwernood wisten te winnen (3-2). Dat ook PSV aan kwaliteit had gewonnen, bewezen de Noord-Brabanders door de KNVB-beker te grijpen.

De grote vedette van PSV was Willy van der Kuijlen, die dankzij zijn harde schot, fluwelen techniek en zijn grote spelinzicht zowel de rol van topscorer als aanvalsleider vervulde. De sociaal vaardige trainer Kees Rijvers wist een hecht ingespeeld en dynamisch team te kneden, dat eerst de macht veroverde in de Eredivisie (met twee kampioenschappen in 1975 en 1976) om vervolgens ook in Europa van zich te doen spreken. In 1976 liep PSV de finale van de Europacup-I op een haar na mis, twee jaar later won de ploeg van Kees Rijvers wel de UEFA-cup.

In het spoor van PSV kwamen ook FC Twente en AZ’67 midden jaren zeventig sterk naar voren. De Tukkers drongen in 1975 door tot de finale van de UEFA-cup, al werd die dan op dramatische wijze verloren tegen Borussia Mönchengladbach (1-5). Ook AZ’67 begon zichtbaar aan kwaliteit te winnen door het aantrekken van routinier Willem van Hanegem en talentvolle jongeren als Peter Arntz, John Metgod en Jan Peters, die dankzij de ambities en het geld van de gebroeders Molenaar AZ verkozen boven Feyenoord en Ajax. AZ’67 weerde zich geducht op de transfermarkt, terwijl FC Twente in de loop der jaren telkens de beste spelers zag vertrekken naar de concurrentie. Piet Schrijvers en René Notten vertrokken naar Ajax, terwijl PSV René en Willy van de Kerkhof, Piet Wildschut en Hallvar Thoresen van Twente over nam.

Simon Tahamata (Ajax) en Hugo Hovenkamp (AZ’67) in actie tijdens een competitieduel in januari 1977
Simon Tahamata (Ajax) en Hugo Hovenkamp (AZ’67) in actie tijdens een competitieduel in januari 1977 (CC0 – Nationaal Archief – Rob Bogaerts)

Dubbel voor AZ

De Amsterdammers hielden zich te midden van de onmiskenbare opkomst van de drie provincieclubs uitstekend staande en bleven regelmatig prijzen winnen, nadat de generatie van Cruijff en Neeskens gaandeweg was vervangen door talentvolle jongeren. Feyenoord gleed in de loop van de jaren zeventig echter steeds verder weg, als gevolg van verkeerde transferkeuzes en financiële problemen, maar ook omdat rond de Kuip regelmatig ruzie oplaaide tussen bestuur, trainers, spelers en de achterban.

Bij het begin van de jaren tachtig slaagde naast PSV ook AZ’67 erin om de top te bereiken. In het seizoen 1980-1981 speelde een ongenaakbaar AZ-elftal werkelijk iedereen van de mat. Zes speelrondes voor het einde werd AZ al kampioen, daarna werd ook de KNVB-beker binnengesleept, al ging de UEFA-cup verloren doordat de eerste finalewedstrijd tegen Ipswich Town werd verprutst na een wat te uitbundig gevierd kampioensfeest.

Neerwaartse spiraal

Na dit gouden seizoen van AZ’67 kwam de opmars van de drie provincieclubs tijdelijk tot stilstand. De glorieuze rentree van Johan Cruijff droeg daar veel aan bij. Eerst zorgde Cruijff er eigenhandig voor dat niet het sterke AZ maar Ajax tweemaal kampioen werd, daarna hielp hij in zijn afscheidsseizoen ook Feyenoord aan de eerste landstitel sinds tien jaar. In Alkmaar besloten de gebroeders Molenaar hun royale sponsorbijdrage terug te schroeven en de beste spelers te verkopen, waarna AZ fors terugviel. FC Twente degradeerde in 1983 zelfs, al keerde de club na één seizoen alweer terug naar de Eredivisie.

In de vroege jaren tachtig zou het gehele Nederlandse profvoetbal in een neerwaartse spiraal belanden, met dalende toeschouwersaantallen en financiële problemen, akelige voetbalrellen en Oranje dat drie eindtoernooien op rij misliep. Pas na het gewonnen Europees kampioenschap van 1988 en Europese successen van Ajax (in 1987) en PSV (1988) klom het profvoetbal weer uit het dal, keerden toeschouwers en sponsors terug en kon geïnvesteerd worden in nieuwe stadions.

Doorwerking

De opkomst van de provincieclubs
 
Terugkijkend na bijna een halve eeuw, kun je concluderen dat PSV er in de jaren zeventig en tachtig in is geslaagd om een structurele toppositie te verwerven in het Nederlandse profvoetbal en die vervolgens tot op de dag van vandaag vast te houden. Sinds 1984 werd PSV liefst achttien keer landskampioen – dat is vaker dan Ajax (dat vijftien titels veroverde). Op grote afstand volgt Feyenoord met vier kampioenschappen. In feite hebben de Eindhovenaren de Rotterdammers verdrongen en is het vroegere top-duo Ajax-Feyenoord vervangen door het tweetal Ajax-PSV.

De opkomst van FC Twente en AZ is uiteindelijk minder spectaculair gebleken. Deze provincieclubs hebben ook na 1984 incidentele successen geboekt, maar kenden ook diepe dalen, waarbij ze degradeerden en op een bepaald moment zelfs het voortbestaan van de club in het geding kwam.

Daarnaast timmerden ook andere subtoppers zoals FC Utrecht, Heerenveen en Roda JC een tijdlang flink aan de weg. Dat laat onverlet dat in de afgelopen halve eeuw toch alleen FC Twente (2010) en AZ (in 1981 en 2009) ooit een landstitel wisten te veroveren en een Europacupfinale hebben bereikt. In die zin heeft het fascinerende voetbaldecennium tussen 1973 en 1984 een doorwerking tot op de dag van vandaag.

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×