Sneller, groter en goedkoper: na de Eerste Wereldoorlog moest alles efficiënter

Pioniers van efficiëntiedenken (1900-1950)
9 minuten leestijd
Een efficiency-ingenieur doet een tijd- en bewegingsstudie. Locatie en datum onbekend.
Een efficiency-ingenieur doet een tijd- en bewegingsstudie. Locatie en datum onbekend.
Historicus van het economisch denken Peter Rodenburg verbaasde zich over ons moderne efficiëntiedenken; het idee dat alles altijd maar sneller, groter of goedkoper moet worden, in minder tijd en met minder verspilling. Waar komt dat idee vandaan? Hij schreef er het boek Pioniers van efficiëntiedenken (AUP) over en kwam uit bij een specifiek soort ingenieurs: namelijk de efficiency-ingenieurs uit Delft. Op Historiek plaatsen we een licht bewerkte versie van de inleiding van het boek.

Na de Eerste Wereldoorlog

Na de Eerste Wereldoorlog ontstond er in Nederland een nieuw soort economische deskundige, de zogenaamde ‘efficiency-ingenieur’. Efficiency-ingenieurs waren ingenieurs die afkomstig waren van de enige hogere technische opleiding die Nederland toen rijk was, de Technische Hogeschool Delft (tegenwoordig: Technische Universiteit Delft) die, onder invloed van moderne managementtheorieën, zoals het wetenschappelijk bedrijfsbeheer (scientific management) of taylorisme, hun aandacht verschoven van zuiver technische vraagstukken naar vraagstukken van organisatie, efficiëntie en optimaliteit. Zij stonden voor het verhogen van de productieve efficiëntie van bedrijven of bedrijfstakken door ‘rationalisatie’: betere, rationele methoden voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verminderen van verspilling en kosten.

Hijmans en Van Gogh
Efficiency-ingenieurs Ernst Hijmans (links) en Vincent Willem van Gogh (rechts) in het machine-laboratorium van de TH Delft, 1912
Belangrijke voormannen (er waren nauwelijks voorvrouwen) van deze efficiency-ingenieursbeweging waren Jan Goudriaan, Ernst Hijmans en Vincent Willem van Gogh (neef van de schilder). Andere namen die onlosmakelijk verbonden zijn met deze beweging zijn Isaäc Pieter de Vooys, de broers Jan en Theo van der Waerden, Willem Albarda, Berend Willem Berenschot, Johan Marie Louwerse, Asser Baars, Lodewijk Hamburger, Hein Vos, vader en zoon Pieter en Frits Bakker Schut, Theo van Lohuizen, Bouwe Bölger, Pieter Persant Snoep, Karel Gustaaf Simon, Anton Colijn, Laurens Jan de Ven en vele anderen. Op een enkeling na zijn deze efficiency-ingenieurs in de loop der tijd in de vergetelheid geraakt, maar in dit boek spelen zij, en hun efficiëntie-idealen, de hoofdrol.

Het interbellum

De term efficiency-ingenieur is sterk verbonden aan een specifieke periode in de twintigste eeuw: het interbellum, de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Afbeelding 1, gemaakt met Google Ngram, laat het gebruik van de term ‘efficiency engineer’ zien in de Engelstalige literatuur in de twintigste eeuw. In het Angelsaksische gebied werd de term vooral gebruikt in de periode van ruwweg 1905 tot 1940. In Nederland werd de term efficiency-ingenieur iets later geïntroduceerd. De term dook voor het eerst op in 1922 in kranten en werd meestal gebruikt in verband met de oprichting van het eerste organisatieadviesbureau in Nederland door ingenieurs Ernst Hijmans en Vincent Willem van Gogh. Onderzoek naar krantenberichten in krantenarchief Delpher laat zien dat ook in Nederland het hoogtepunt van het gebruik van de term efficiency-ingenieur in het interbellum lag. En dat is niet toevallig.

Gebruik term ‘efficiency engineer’ door de tijd

Afbeelding 1: Het relatieve gebruik van de term ‘efficiency engineer’ in de twintigste eeuw in de database van Google Books.
Afbeelding 1: Het relatieve gebruik van de term ‘efficiency engineer’ in de twintigste eeuw in de database van Google Books. Uit: Pioniers van efficiëntiedenken

Het relatieve gebruik van de term ‘efficiency engineer’ in de 20e eeuw.
Het relatieve gebruik van de term ‘efficiency engineer’ in de 20e eeuw. Bron: Google NGram. Uit: Pioniers van efficiëntiedenken

Het interbellum was een periode waarin techniek een snelle ontwikkeling doormaakte en er nieuwe consumentengoederen werden geïntroduceerd, zoals wasmachines, radio’s en stofzuigers. Om die apparaten betaalbaar te houden moesten ze op grote schaal geproduceerd worden. Massaconsumptie kon alleen mogelijk worden gemaakt door massaproductie tegen lage kosten. In het productieproces werd dan ook naarstig gezocht naar productieverhoging en schaalvergroting. Daarom werden er nieuwe machines geïntroduceerd op de werkplek, zoals lopende banden, sorteermachines, krachtmachines en machines voor speciale toepassingen, die de productiesnelheid moesten opvoeren.

Ook in kantoren kwamen nieuwe machines die werk moesten mechaniseren en de productiviteit moesten verhogen, zoals telmachines, rekenmachines, sorteermachines, kaartsystemen, dicteermachines, schrijfmachines of combinaties daarvan. In die tijd ontstonden ook de eerste moderne multinationals. Het was, kortom, de periode van de opkomst van industriële massaproductie in Nederland en het technische karakter van machines en mechanisatie op de werkplek trok de belangstelling van ingenieurs, vooral van werktuigbouwkundige ingenieurs.

‘Ingenieurs kregen steeds meer te maken met praktisch-economische optimalisatievraagstukken.’

Het interbellum was ook een periode waarin ingenieurs zich begonnen te realiseren dat ingenieurswerk niet alleen bestond uit het ontwerpen van machines of bouwkundige constructies maar dat ingenieurswerk zich ook – en zelfs in toenemende mate – ging uitstrekken tot de productie. De opkomende industrie vroeg steeds meer om goed geschoolde werkplaatsingenieurs die het productieproces en de sprong naar schaalvergroting moesten begeleiden. En daar, in de praktijk, kregen ingenieurs steeds meer te maken met praktisch-economische optimalisatievraagstukken, zoals de optimale afschrijftermijn van een machine, de optimale voorraad van grondstoffen of reserveonderdelen, de optimale routering van de bewerkingsvolgorde, de minimalisering van distributiekosten, de berekening van kostprijzen, de optimale bezetting van machines, de planning van productiehoeveelheden of de bepaling van optimale seriegroottes.

Tegenwoordig worden dit soort vraagstukken op allerlei niveaus onderwezen als bedrijfseconomie of bedrijfskunde, maar aan het begin van de twintigste eeuw bestonden deze vakgebieden en de bijbehorende kennis helemaal niet. Ingenieurs moesten voor dit soort vraagstukken zelf oplossingen verzinnen en daarbij grepen ze dankbaar terug op hun rationele ‘ingenieursdenken’.

Massaproductie van Philips radiotoestellen 1936.
Massaproductie van Philips radiotoestellen 1936. Bron: Nationaal Archief, Fotocollectie Van de Poll

Want dat was in feite wat efficiency-ingenieurs deden: hun rationele en oplossingsgerichte manier van denken, die afkomstig was uit de techniek, projecteren op vraagstukken van organisatie, economie en efficiëntie. Kostprijsberekening bijvoorbeeld werd in de jaren ’10 en ’20 een nieuw werkterrein voor ingenieurs. Het eerste Nederlandse standaardwerk over kostprijsberekening werd in 1909 geschreven door een efficiency-ingenieur, Karel Gustaaf Simon, en niet door een accountant, boekhouder of bedrijfseconoom. Doordat ingenieurs techniek en de werking van machines op de werkvloer begrepen, analytisch konden denken, gewend waren om metingen te doen en allerhande berekeningen uit te voeren, konden ze al snel excelleren in kostprijsberekening.

Rationalisatie

De toepassing van rationele werkmethoden door ingenieurs in industrie en administratie leidde ertoe dat Nederland na de Eerste Wereldoorlog in de ban raakte van een nieuw fenomeen: ‘rationalisatie’. Hoewel de term ‘rationalisatie’ meerdere betekenissen heeft in het maatschappelijk verkeer, stond rationalisatie in algemene zin voor ‘zoeken naar hogere efficiëntie door de toepassing van rationele werkmethoden’. ‘Rationalisatie’ werd in het interbellum een groot en controversieel maatschappelijk thema met uitgesproken voor- en tegenstanders. Tijdens de Grote Depressie van de jaren ’30 werd het bijvoorbeeld gezien als één van de belangrijkste oorzaken, zo niet de hoofdoorzaak, van de hoge en blijvende werkloosheid.

Portret van Frederick Winslow Taylor
Portret van Frederick Winslow Taylor (1907)
In weerwil van de soms hoogoplopende maatschappelijke discussies over mechanisering en rationalisatie op de werkplek en de daarbij onvermijdelijk optredende werkloosheid, verliep de acceptatie van rationele werkmethoden door werkgevers in het interbellum traag. Maar in een aantal gevallen stond de leiding van bedrijven of organisaties open voor rationalisatie en de toepassing van ingenieursmethoden op de werkvloer. Daar konden efficiency-ingenieurs soms aanzienlijke successen boeken met hun rationele werkmethoden zoals (tijds)metingen, arbeidsanalyse, planning, schematisering, kostprijsberekening en optimalisatie. En hoewel de Nederlandse efficiency-ingenieurs in hun werkwijze sterk beïnvloed waren door het wetenschappelijk bedrijfsbeheer van de Amerikaanse ingenieur en efficiency-expert Frederick Winslow Taylor (1856-1915) – het taylorisme – moesten veel van de door hen gebruikte rationele werkmethoden zelf ontwikkeld of aangepast worden.

Meer controle

Voor de Nederlandse efficiency-ingenieurs stond vast dat de belangrijkste voorwaarde om de industriële efficiëntie op te kunnen voeren was dat ze volledige controle hadden over het productieproces in fabrieken en werkplaatsen. Toeval, willekeur, pech of wachttijden, kortom inefficiënties, moesten in de breedste zin volledig worden uitgebannen. Efficiency-ingenieurs ontwikkelden daarom veel nieuwe analytische hulpmiddelen om volledige controle te krijgen over werkomstandigheden, vaak ter plekke op de werkvloer van de fabrieken. Zo introduceerden ze stroomschema’s, routeringsdiagrammen, planborden en planafdelingen om werkstromen in de fabriek in kaart te brengen en de benutting van machines te maximaliseren.

Op vergelijkbare wijze waren ook de beroemde (of beruchte) tayloristische tijds- en bewegingsstudies met stopwatches en filmcamera’s instrumenten om inefficiënties in het productieproces mee op te sporen en uit te bannen. Kostprijsberekening was voor efficiency-ingenieurs niet alleen een manier om verkoopprijzen te bepalen voor afzetmarkten, maar ook een instrument om inefficiënties in fabrieken en bedrijven mee op te sporen. Door nauwkeurig te ontleden hoe kosten waren opgebouwd, konden zij nagaan waar precies in het productieproces hoge kosten werden gemaakt. Vervolgens kon dan onderzocht worden of het productieproces daar goedkoper of efficiënter kon. Dergelijke instrumenten van controle en planning waren de sleutel tot succes van de rationale benadering van efficiency-ingenieurs.

Tijd- en beweging studie in de Verenigde Staten
Tijd- en beweging studie in de Verenigde Staten. Locatie en datum onbekend.

Door het succes dat efficiency-ingenieurs boekten in het rationaliseren van bedrijven en (overheids)organisaties raakten ze er in toenemende mate van overtuigd dat hun rationele ingenieursbenadering ook breder succesvol ingezet kon worden en eveneens toepasbaar was op sociaaleconomische onderwerpen. Goede en goedkope arbeiderswoningen, leefbare woonwijken, hygiënische werkomstandigheden, efficiënte nutsbedrijven, de organisatie van bedrijfstakken of de beheersing van conjunctuurgolven konden met rationele ingenieursmethoden gepland en gecontroleerd worden door efficiëntie-experts.

Transformatie tot efficiency-expert

Door de toepassing van hun ingenieursmethode op andere terreinen van de samenleving transformeerden Delftse efficiency-ingenieurs zich geleidelijk tot efficiëntiedeskundigen, organisatieadviseurs, projectmanagers, logistieke planners, bedrijfseconomen, kostprijscalculators, planeconomen, stads- en regioplanners en macro-economen. Verschillende ingenieurs publiceerden veelvuldig over efficiëntieverbetering of bedrijfseconomische onderwerpen, zoals verbeteringen in kostprijsberekeningen of bedrijfsorganisatie. Andere ingenieurs publiceerden in Nederlandse economische tijdschriften over (macro)economische onderwerpen, zoals de stabilisatie van conjunctuurgolven en macro-economisch anti-crisisbeleid.

Efficiency Tentoonstelling Amsterdam, 1932
Efficiency Tentoonstelling Amsterdam, 1932
Iemand die deze ontwikkeling van efficiency-ingenieurs perfect personifieert was Jan Goudriaan jr. (1893-1974). Goudriaan ontwikkelde zich van een getalenteerde, sociaal betrokken student Werktuigbouwkunde in Delft tot een fervente taylorist die in zijn promotieonderzoek tijd- en bewegingsstudies deed naar de doelmatigheid van de Amsterdamse broodvoorziening (1922). Later werd hij ‘technisch econoom’ en buitengewoon hoogleraar Bedrijfshuishoudkunde op het gebied van kostprijsberekening (1926). Hij eindigde zijn loopbaan in een commissie van de Verenigde Naties op het gebied van stabilisatie van wereldgrondstoffenprijzen (1953), een typisch macro-economisch onderwerp.

Ook dr. ir. Lodewijk Hamburger (1890-1968) transformeerde van technicus tot efficiëntie-expert en econoom. Hamburger was een chemisch ingenieur die in 1917 in Delft promoveerde op het proefschrift Licht-emissie door gassen en mengsels van gassen bij electrische ontladingen. In de jaren ’30 werd hij adviserend ingenieur op het gebied van chemische techniek en bedrijfseconomie. Hij publiceerde verschillende artikelen over macro-economie, onder andere over de voorspelbaarheid van prijsfluctuaties en nieuwe wegen voor conjunctuuronderzoek.

Wat deze ingenieurs, Goudriaan en Hamburger, en andere efficiency-ingenieurs gemeen hebben is dat ze zich transformeerden van ingenieur tot econoom of efficiëntie-expert door tijdens hun carrière de rationele ingenieursmethode niet uitsluitend op technische onderwerpen toe te passen, maar op een uitbreidend domein van sociaaleconomische onderwerpen. Daarbij ontwikkelden zij, en andere efficiency-ingenieurs, voortdurend nieuwe analytische hulpmiddelen om de controle op omstandigheden te vergroten om zo hogere efficiëntie te bereiken.

Uitbreiding werkterrein

Efficiency-ingenieurs pasten hun ingenieursdenken en hun nieuwe gereedschappen dus steeds verder toe, op andere en nieuwe terreinen van de samenleving. Wat begon met controlemiddelen op de fabrieksvloer van bedrijven om individuele arbeiders te controleren en hun productiviteit te verhogen, zoals arbeidsanalyses, breidde zich uit naar controle over bedrijfsafdelingen, hele bedrijven, kantoren, het overheidsapparaat, complete sectoren van de economie, wijken, steden en regio’s en uiteindelijk de hele nationale economie. Verspilling en sub-optimaliteit was overal en moest overal uitgebannen worden. De ingenieursmethode kon daarom overal worden toegepast.

Pioniers van efficiëntiedenken - Peter Rodenburg
 
In het zoeken naar efficiëntie op een steeds hoger niveau kwam ook het begrip ‘efficiëntie’ zelf op een steeds hoger abstractieniveau te liggen. Efficiëntie transformeerde van persoonlijke efficiëntie naar bedrijfsefficiëntie naar nationale efficiëntie. Uiteindelijk veranderden efficiency-ingenieurs met hun planning en controle het denken over economie, beleid en samenleving. De toepassing van hun rationele methoden en hun nieuwe analytische gereedschappen leidde tot een ‘controle-revolutie’ op een steeds verder uitbreidend domein, waarin politieke vraagstukken over sociaaleconomische onderwerpen transformeerden tot gedepolitiseerde, technische optimalisatie-vraagstukken die met technische expertise konden worden opgelost. Het leidde uiteindelijk tot een technocratische, sociaaleconomische beleidspraktijk waarin planbureaus, zoals het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving, een belangrijke rol gingen spelen.

De Delftse efficiency-ingenieurs lagen, kortom, aan de basis van wat later de ‘maakbare samenleving’ zou gaan heten, een samenleving die door de toepassing van rationele middelen optimaal efficiënt georganiseerd zou zijn. Dit boek is een verslag van deze geschiedenis van ingenieurs op zoek naar hogere efficiëntie door de toepassing van rationele methoden.

Lees meer over

Uitvindingen

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×