Na de Eerste Wereldoorlog
Na de Eerste Wereldoorlog ontstond er in Nederland een nieuw soort economische deskundige, de zogenaamde ‘efficiency-ingenieur’. Efficiency-ingenieurs waren ingenieurs die afkomstig waren van de enige hogere technische opleiding die Nederland toen rijk was, de Technische Hogeschool Delft (tegenwoordig: Technische Universiteit Delft) die, onder invloed van moderne managementtheorieën, zoals het wetenschappelijk bedrijfsbeheer (scientific management) of taylorisme, hun aandacht verschoven van zuiver technische vraagstukken naar vraagstukken van organisatie, efficiëntie en optimaliteit. Zij stonden voor het verhogen van de productieve efficiëntie van bedrijven of bedrijfstakken door ‘rationalisatie’: betere, rationele methoden voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verminderen van verspilling en kosten.

Het interbellum
De term efficiency-ingenieur is sterk verbonden aan een specifieke periode in de twintigste eeuw: het interbellum, de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Afbeelding 1, gemaakt met Google Ngram, laat het gebruik van de term ‘efficiency engineer’ zien in de Engelstalige literatuur in de twintigste eeuw. In het Angelsaksische gebied werd de term vooral gebruikt in de periode van ruwweg 1905 tot 1940. In Nederland werd de term efficiency-ingenieur iets later geïntroduceerd. De term dook voor het eerst op in 1922 in kranten en werd meestal gebruikt in verband met de oprichting van het eerste organisatieadviesbureau in Nederland door ingenieurs Ernst Hijmans en Vincent Willem van Gogh. Onderzoek naar krantenberichten in krantenarchief Delpher laat zien dat ook in Nederland het hoogtepunt van het gebruik van de term efficiency-ingenieur in het interbellum lag. En dat is niet toevallig.
Gebruik term ‘efficiency engineer’ door de tijd


Het interbellum was een periode waarin techniek een snelle ontwikkeling doormaakte en er nieuwe consumentengoederen werden geïntroduceerd, zoals wasmachines, radio’s en stofzuigers. Om die apparaten betaalbaar te houden moesten ze op grote schaal geproduceerd worden. Massaconsumptie kon alleen mogelijk worden gemaakt door massaproductie tegen lage kosten. In het productieproces werd dan ook naarstig gezocht naar productieverhoging en schaalvergroting. Daarom werden er nieuwe machines geïntroduceerd op de werkplek, zoals lopende banden, sorteermachines, krachtmachines en machines voor speciale toepassingen, die de productiesnelheid moesten opvoeren.
Ook in kantoren kwamen nieuwe machines die werk moesten mechaniseren en de productiviteit moesten verhogen, zoals telmachines, rekenmachines, sorteermachines, kaartsystemen, dicteermachines, schrijfmachines of combinaties daarvan. In die tijd ontstonden ook de eerste moderne multinationals. Het was, kortom, de periode van de opkomst van industriële massaproductie in Nederland en het technische karakter van machines en mechanisatie op de werkplek trok de belangstelling van ingenieurs, vooral van werktuigbouwkundige ingenieurs.
Het interbellum was ook een periode waarin ingenieurs zich begonnen te realiseren dat ingenieurswerk niet alleen bestond uit het ontwerpen van machines of bouwkundige constructies maar dat ingenieurswerk zich ook – en zelfs in toenemende mate – ging uitstrekken tot de productie. De opkomende industrie vroeg steeds meer om goed geschoolde werkplaatsingenieurs die het productieproces en de sprong naar schaalvergroting moesten begeleiden. En daar, in de praktijk, kregen ingenieurs steeds meer te maken met praktisch-economische optimalisatievraagstukken, zoals de optimale afschrijftermijn van een machine, de optimale voorraad van grondstoffen of reserveonderdelen, de optimale routering van de bewerkingsvolgorde, de minimalisering van distributiekosten, de berekening van kostprijzen, de optimale bezetting van machines, de planning van productiehoeveelheden of de bepaling van optimale seriegroottes.
Tegenwoordig worden dit soort vraagstukken op allerlei niveaus onderwezen als bedrijfseconomie of bedrijfskunde, maar aan het begin van de twintigste eeuw bestonden deze vakgebieden en de bijbehorende kennis helemaal niet. Ingenieurs moesten voor dit soort vraagstukken zelf oplossingen verzinnen en daarbij grepen ze dankbaar terug op hun rationele ‘ingenieursdenken’.

Want dat was in feite wat efficiency-ingenieurs deden: hun rationele en oplossingsgerichte manier van denken, die afkomstig was uit de techniek, projecteren op vraagstukken van organisatie, economie en efficiëntie. Kostprijsberekening bijvoorbeeld werd in de jaren ’10 en ’20 een nieuw werkterrein voor ingenieurs. Het eerste Nederlandse standaardwerk over kostprijsberekening werd in 1909 geschreven door een efficiency-ingenieur, Karel Gustaaf Simon, en niet door een accountant, boekhouder of bedrijfseconoom. Doordat ingenieurs techniek en de werking van machines op de werkvloer begrepen, analytisch konden denken, gewend waren om metingen te doen en allerhande berekeningen uit te voeren, konden ze al snel excelleren in kostprijsberekening.
Rationalisatie
De toepassing van rationele werkmethoden door ingenieurs in industrie en administratie leidde ertoe dat Nederland na de Eerste Wereldoorlog in de ban raakte van een nieuw fenomeen: ‘rationalisatie’. Hoewel de term ‘rationalisatie’ meerdere betekenissen heeft in het maatschappelijk verkeer, stond rationalisatie in algemene zin voor ‘zoeken naar hogere efficiëntie door de toepassing van rationele werkmethoden’. ‘Rationalisatie’ werd in het interbellum een groot en controversieel maatschappelijk thema met uitgesproken voor- en tegenstanders. Tijdens de Grote Depressie van de jaren ’30 werd het bijvoorbeeld gezien als één van de belangrijkste oorzaken, zo niet de hoofdoorzaak, van de hoge en blijvende werkloosheid.

Meer controle
Voor de Nederlandse efficiency-ingenieurs stond vast dat de belangrijkste voorwaarde om de industriële efficiëntie op te kunnen voeren was dat ze volledige controle hadden over het productieproces in fabrieken en werkplaatsen. Toeval, willekeur, pech of wachttijden, kortom inefficiënties, moesten in de breedste zin volledig worden uitgebannen. Efficiency-ingenieurs ontwikkelden daarom veel nieuwe analytische hulpmiddelen om volledige controle te krijgen over werkomstandigheden, vaak ter plekke op de werkvloer van de fabrieken. Zo introduceerden ze stroomschema’s, routeringsdiagrammen, planborden en planafdelingen om werkstromen in de fabriek in kaart te brengen en de benutting van machines te maximaliseren.
Op vergelijkbare wijze waren ook de beroemde (of beruchte) tayloristische tijds- en bewegingsstudies met stopwatches en filmcamera’s instrumenten om inefficiënties in het productieproces mee op te sporen en uit te bannen. Kostprijsberekening was voor efficiency-ingenieurs niet alleen een manier om verkoopprijzen te bepalen voor afzetmarkten, maar ook een instrument om inefficiënties in fabrieken en bedrijven mee op te sporen. Door nauwkeurig te ontleden hoe kosten waren opgebouwd, konden zij nagaan waar precies in het productieproces hoge kosten werden gemaakt. Vervolgens kon dan onderzocht worden of het productieproces daar goedkoper of efficiënter kon. Dergelijke instrumenten van controle en planning waren de sleutel tot succes van de rationale benadering van efficiency-ingenieurs.

Door het succes dat efficiency-ingenieurs boekten in het rationaliseren van bedrijven en (overheids)organisaties raakten ze er in toenemende mate van overtuigd dat hun rationele ingenieursbenadering ook breder succesvol ingezet kon worden en eveneens toepasbaar was op sociaaleconomische onderwerpen. Goede en goedkope arbeiderswoningen, leefbare woonwijken, hygiënische werkomstandigheden, efficiënte nutsbedrijven, de organisatie van bedrijfstakken of de beheersing van conjunctuurgolven konden met rationele ingenieursmethoden gepland en gecontroleerd worden door efficiëntie-experts.
Transformatie tot efficiency-expert
Door de toepassing van hun ingenieursmethode op andere terreinen van de samenleving transformeerden Delftse efficiency-ingenieurs zich geleidelijk tot efficiëntiedeskundigen, organisatieadviseurs, projectmanagers, logistieke planners, bedrijfseconomen, kostprijscalculators, planeconomen, stads- en regioplanners en macro-economen. Verschillende ingenieurs publiceerden veelvuldig over efficiëntieverbetering of bedrijfseconomische onderwerpen, zoals verbeteringen in kostprijsberekeningen of bedrijfsorganisatie. Andere ingenieurs publiceerden in Nederlandse economische tijdschriften over (macro)economische onderwerpen, zoals de stabilisatie van conjunctuurgolven en macro-economisch anti-crisisbeleid.

Ook dr. ir. Lodewijk Hamburger (1890-1968) transformeerde van technicus tot efficiëntie-expert en econoom. Hamburger was een chemisch ingenieur die in 1917 in Delft promoveerde op het proefschrift Licht-emissie door gassen en mengsels van gassen bij electrische ontladingen. In de jaren ’30 werd hij adviserend ingenieur op het gebied van chemische techniek en bedrijfseconomie. Hij publiceerde verschillende artikelen over macro-economie, onder andere over de voorspelbaarheid van prijsfluctuaties en nieuwe wegen voor conjunctuuronderzoek.
Wat deze ingenieurs, Goudriaan en Hamburger, en andere efficiency-ingenieurs gemeen hebben is dat ze zich transformeerden van ingenieur tot econoom of efficiëntie-expert door tijdens hun carrière de rationele ingenieursmethode niet uitsluitend op technische onderwerpen toe te passen, maar op een uitbreidend domein van sociaaleconomische onderwerpen. Daarbij ontwikkelden zij, en andere efficiency-ingenieurs, voortdurend nieuwe analytische hulpmiddelen om de controle op omstandigheden te vergroten om zo hogere efficiëntie te bereiken.
Uitbreiding werkterrein
Efficiency-ingenieurs pasten hun ingenieursdenken en hun nieuwe gereedschappen dus steeds verder toe, op andere en nieuwe terreinen van de samenleving. Wat begon met controlemiddelen op de fabrieksvloer van bedrijven om individuele arbeiders te controleren en hun productiviteit te verhogen, zoals arbeidsanalyses, breidde zich uit naar controle over bedrijfsafdelingen, hele bedrijven, kantoren, het overheidsapparaat, complete sectoren van de economie, wijken, steden en regio’s en uiteindelijk de hele nationale economie. Verspilling en sub-optimaliteit was overal en moest overal uitgebannen worden. De ingenieursmethode kon daarom overal worden toegepast.

De Delftse efficiency-ingenieurs lagen, kortom, aan de basis van wat later de ‘maakbare samenleving’ zou gaan heten, een samenleving die door de toepassing van rationele middelen optimaal efficiënt georganiseerd zou zijn. Dit boek is een verslag van deze geschiedenis van ingenieurs op zoek naar hogere efficiëntie door de toepassing van rationele methoden.
De opkomst van de oliebaronnen (en de auto als vooruitgangssymbool)
Henry Ford (1863-1947) – Uitvinder van de personenauto
Adam Smith – Econoom, liberaal en Verlichtingsdenker
Spaarvarken – Herkomst van de term
Kat in ’t bakkie – Betekenis en herkomst
Horigen, horigheid en lijfeigenschap – Betekenis