Theologie versus twijfel 1150-1800
‘De Filosoof’, Aristoteles, had zaken beweerd die in strijd waren met de leer van de Kerk. Mocht hij dan wel gedoceerd worden? De discussie hierover zorgde voor een scheuring binnen de universitaire wereld, en voor het ontstaan van wetenschappers die in hun werk God niet konden gebruiken. Al bestond hij volgens hen natuurlijk wel.

Ik gaf de voorkeur aan de wapens van de logica boven alle andere lessen van de filosofie, en daarmee gewapend koos ik voor de conflicten van disputationem in plaats van de trofeeën van de oorlog.
Studenten leidden in die tijd wel vaker een zwervend bestaan, maar Abélard maakte het wel erg bont. Hij studeerde het trivium in Angers, Tours en Loches, en ging daarna naar Parijs voor het quadrivium. Hij liep college bij Willem van Champeaux, hoofd van de school van de Notre-Dame. Dat werd niks. Abélard schreef later dat hij een lastige leerling was. Hij vertrok om zijn eigen school te stichten, eerst in Melun, daarna Corbeil. Dat werd ook niks. Hij vertrok naar zijn geboortestreek, keerde terug naar Parijs, naar Willem, maar dat draaide ook op een teleurstelling uit. Hij ging naar het klooster van Sainte-Geneviève, net buiten de jurisdictie van Willem en van de bisschop van Parijs, om daar les te geven. Maar in 1113 vertrok hij naar Laon, naar de beroemde Anselmus van Laon (circa 1050-1117). Ook dat werd ruzie en Abélard besloot om naar Parijs terug te keren (Willem was vertrokken) om aan de kathedraalschool het quadrivium te gaan doceren, en dan vooral de logica van de theologie:
Ik concentreerde mij op het analyseren van de grondslagen van ons geloof met behulp van voorbeelden uit het menselijk begripsvermogen, en ik schreef voor mijn studenten een verhandeling over de eenheid en Drie-eenheid van God. Dat deed ik omdat ze altijd op zoek waren naar rationele en filosofische verklaringen, vragend naar redenen die ze konden begrijpen in plaats van louter woorden, zeggend dat het nutteloos was woorden te spreken die door het intellect onmogelijk gevolgd konden worden, dat niets geloofd kon worden voordat het werd begrepen, en dat het absurd was als iemand tegen anderen iets zou preken wat noch hij, noch degenen die hij iets wil leren, kon begrijpen.

In 1121 boog een synode in Soissons zich over zijn werk. De verzamelde bisschoppen wezen een en ander af en riepen Abélard op tot inkeer te komen. Het deed hem niet veel. Zijn uiteindelijke val had een heel andere oorzaak. Hij kreeg een intieme relatie met een leerlinge, Héloïse, maakte haar zwanger en haar oom en voogd, Fulbertus, eiste dat ze zouden trouwen. Dat gebeurde; daarna stuurde Fulbertus Héloïse naar een klooster en liet hij Abélard in elkaar slaan.

Het geloof van de eenvoudigen van geest wordt belachelijk gemaakt, Gods geheimen worden als darmen naar buiten getrokken, en op roekeloze wijze worden de hoogste zaken in twijfel getrokken.
Abélard vertrok naar Rome, om steun te vragen aan paus Innocentius II (r. 1130- 1143). Maar Bernardus bestookte de paus met brieven en Abélard dook onder in Cluny, onder de hoede van Petrus Venerabilis. Daar stierf hij.
Opkomst van de logica nova
Abélard, zo zou men later zeggen, was een man van de logica vetus, de ‘oude logica’. Hij kende slechts drie werken van Aristoteles over logica: de Categorieën en de Interpretatie, beide dankzij vertalingen van Boëthius, en de Analytica priora, over syllogismen. Maar nog tijdens zijn leven doken er meer werken op. De vertaler Jacob van Venetië, die in 1125/1150 in Constantinopel werkte (en over wie we verder niets weten), vertaalde Aristoteles’ Analytica posteriora, een werk over definities, bewijsvoering en de aard van wetenschappelijke kennis. Dat leidde tot hernieuwde belangstelling voor Boëthius’ vertaling van een vierde werk, de Topica, waarin Aristoteles regels geeft voor helder en strak redeneren, en voor De sophisticis elenchis (‘Over sofistische weerleggingen’), een overzicht van drogredeneringen. Zo konden geleerden rond 1150 alle zes boeken van Aristoteles over logica (die gezamenlijk bekendstaan als het Organon, ‘instrument’) vergelijken en bestuderen. Pas toen werden de omvang en kracht van de aristotelische logica echt duidelijk. Dit was de logica nova.

Volgens Aristoteles kwam ware, betrouwbare kennis tot stand door logisch redeneren vanuit heldere, onweerlegbare principes. Zijn grote voorbeeld was de Stoicheia (‘Elementen’) van Euclides (rond 300 v.Chr.), waarin vanuit eenvoudige, vanzelfsprekende axioma’s gecompliceerde wiskundige stellingen worden opgebouwd, en wiskundige vraagstukken opgelost. Dat werk was rond 1150 ook in het Westen bekend geraakt, dankzij een vertaling door Adelard van Bath (1080-1152). Maar écht revolutionair was wat Aristoteles hieruit concludeerde. Met rode oortjes lazen geleerden in de Analytica posteriora:
‘We kunnen niet elke vraag aan elke deskundige stellen, maar alleen díé vragen die binnen het bereik vallen van zijn eigen wetenschap.’
Het primaat van de waarheid
De ‘filosofie’ bestond dus uit meerdere onafhankelijke wetenschappen, elk met zijn eigen onderzoeksterrein, uitgangspunten en ‘waarheid’. Hier dreigde het primaat van de theologie (en daarmee de Kerk) alsnog ten onder te gaan.

Het was een afgang voor Bernardus én voor Eugenius, en een triomf voor de logica nova.
Arianisme – ‘Christus is niet wezensgelijk aan de Vader’
Het verval van het Byzantijnse rijk en de opkomst van de islam
Aristoteles – De meest universele filosoof van de oudheid
De wereld vóór god – Filosofie van de Oudheid
Theologische disputen tussen joden en christenen
Sjavoeot – Het joodse Wekenfeest
Theofanie – Verschijning van God
‘De Mammon dienen’ – Herkomst van de uitdrukking