Theologie versus logica: de middeleeuwse strijd rond Aristoteles en Abélard

6 minuten leestijd
Aristoteles aan zijn schrijftafel, afgebeeld in een vijftiende-eeuws handschrift
Aristoteles aan zijn schrijftafel, afgebeeld in een vijftiende-eeuws handschrift (Österreichische Nationalbibliothek)
In de middeleeuwen ontstond binnen de Europese universiteiten een fundamentele discussie over de verhouding tussen geloof en rede. Nieuwe vertalingen van het werk van Aristoteles brachten een manier van denken met zich mee die botste met de traditionele theologie en het gezag van de Kerk. In het boek Wij Europeanen beschrijft Marcel Hulspas hoe deze ontwikkeling bijdroeg aan het ontstaan van een meer rationele benadering van kennis. Hieronder een fragment over de spanning tussen theologie en logica, met denkers als Pierre Abélard en de herontdekking van Aristoteles.

Theologie versus twijfel 1150-1800

‘De Filosoof’, Aristoteles, had zaken beweerd die in strijd waren met de leer van de Kerk. Mocht hij dan wel gedoceerd worden? De discussie hierover zorgde voor een scheuring binnen de universitaire wereld, en voor het ontstaan van wetenschappers die in hun werk God niet konden gebruiken. Al bestond hij volgens hen natuurlijk wel.

Buste van Aristoteles
Buste van Aristoteles
De pientere Pierre Abélard (1079-1142) had net als zijn vader ridder moeten worden maar, zo schreef hij, zijn ware roeping bleek de filosofie en het debatteren:

Ik gaf de voorkeur aan de wapens van de logica boven alle andere lessen van de filosofie, en daarmee gewapend koos ik voor de conflicten van disputationem in plaats van de trofeeën van de oorlog.

Studenten leidden in die tijd wel vaker een zwervend bestaan, maar Abélard maakte het wel erg bont. Hij studeerde het trivium in Angers, Tours en Loches, en ging daarna naar Parijs voor het quadrivium. Hij liep college bij Willem van Champeaux, hoofd van de school van de Notre-Dame. Dat werd niks. Abélard schreef later dat hij een lastige leerling was. Hij vertrok om zijn eigen school te stichten, eerst in Melun, daarna Corbeil. Dat werd ook niks. Hij vertrok naar zijn geboortestreek, keerde terug naar Parijs, naar Willem, maar dat draaide ook op een teleurstelling uit. Hij ging naar het klooster van Sainte-Geneviève, net buiten de jurisdictie van Willem en van de bisschop van Parijs, om daar les te geven. Maar in 1113 vertrok hij naar Laon, naar de beroemde Anselmus van Laon (circa 1050-1117). Ook dat werd ruzie en Abélard besloot om naar Parijs terug te keren (Willem was vertrokken) om aan de kathedraalschool het quadrivium te gaan doceren, en dan vooral de logica van de theologie:

Ik concentreerde mij op het analyseren van de grondslagen van ons geloof met behulp van voorbeelden uit het menselijk begripsvermogen, en ik schreef voor mijn studenten een verhandeling over de eenheid en Drie-eenheid van God. Dat deed ik omdat ze altijd op zoek waren naar rationele en filosofische verklaringen, vragend naar redenen die ze konden begrijpen in plaats van louter woorden, zeggend dat het nutteloos was woorden te spreken die door het intellect onmogelijk gevolgd konden worden, dat niets geloofd kon worden voordat het werd begrepen, en dat het absurd was als iemand tegen anderen iets zou preken wat noch hij, noch degenen die hij iets wil leren, kon begrijpen.

Anselmus van Canterbury
Anselmus van Canterbury
Net als Anselmus van Canterbury was Abélard ervan overtuigd dat christelijke leerstellingen zoals de Drie-eenheid van God en de dubbele natuur van Christus (die God én mens was) logisch afleidbaar waren uit eenvoudige, vanzelfsprekende grondbeginselen. En hij was ervan overtuigd dat oude kwesties langs logische weg oplosbaar waren. in Sic et non (‘Ja en Nee’) gebruikte hij de logica om tegenstrijdige uitspraken van de kerkvaders met elkaar te verzoenen. Zijn studenten vonden het prachtig; andere leraren waren minder gecharmeerd. Bedoelde hij dat het hele geloof logisch af te leiden was? Maar dat maakte Gods openbaring overbodig. En stond de logica dan boven de theologie?

In 1121 boog een synode in Soissons zich over zijn werk. De verzamelde bisschoppen wezen een en ander af en riepen Abélard op tot inkeer te komen. Het deed hem niet veel. Zijn uiteindelijke val had een heel andere oorzaak. Hij kreeg een intieme relatie met een leerlinge, Héloïse, maakte haar zwanger en haar oom en voogd, Fulbertus, eiste dat ze zouden trouwen. Dat gebeurde; daarna stuurde Fulbertus Héloïse naar een klooster en liet hij Abélard in elkaar slaan.

Héloïse en Abélard in het veertiende-eeuwse manuscript van het liefdesgedicht ‘Roman de la rose’ – cc
Abélard sloeg weer aan het zwerven. Hij stichtte in de buurt van Troyes een klooster, Paracleet (‘Trooster’), en droeg dat na korte tijd over aan Héloïse, die er een nonnenklooster van maakte. Abélard ging naar Bretagne, naar verluidt om abt te worden, maar na enige tijd was hij weer in Parijs, in Saint-Geneviève, waar hij een nieuwe lichting studenten trok. Zijn colleges leidden in 1141 tot een nieuwe veroordeling, deze keer door een synode in Sens. Daar werd hij stevig aangepakt door de beroemde prediker Bernardus van Clairvaux, die Abélards methode als volgt omschreef:

Het geloof van de eenvoudigen van geest wordt belachelijk gemaakt, Gods geheimen worden als darmen naar buiten getrokken, en op roekeloze wijze worden de hoogste zaken in twijfel getrokken.

Abélard vertrok naar Rome, om steun te vragen aan paus Innocentius II (r. 1130- 1143). Maar Bernardus bestookte de paus met brieven en Abélard dook onder in Cluny, onder de hoede van Petrus Venerabilis. Daar stierf hij.

Opkomst van de logica nova

Abélard, zo zou men later zeggen, was een man van de logica vetus, de ‘oude logica’. Hij kende slechts drie werken van Aristoteles over logica: de Categorieën en de Interpretatie, beide dankzij vertalingen van Boëthius, en de Analytica priora, over syllogismen. Maar nog tijdens zijn leven doken er meer werken op. De vertaler Jacob van Venetië, die in 1125/1150 in Constantinopel werkte (en over wie we verder niets weten), vertaalde Aristoteles’ Analytica posteriora, een werk over definities, bewijsvoering en de aard van wetenschappelijke kennis. Dat leidde tot hernieuwde belangstelling voor Boëthius’ vertaling van een vierde werk, de Topica, waarin Aristoteles regels geeft voor helder en strak redeneren, en voor De sophisticis elenchis (‘Over sofistische weerleggingen’), een overzicht van drogredeneringen. Zo konden geleerden rond 1150 alle zes boeken van Aristoteles over logica (die gezamenlijk bekendstaan als het Organon, ‘instrument’) vergelijken en bestuderen. Pas toen werden de omvang en kracht van de aristotelische logica echt duidelijk. Dit was de logica nova.

Uitgave van Aristoteles' Logica uit 1570 (CC BY-SA 3.0 - Biblioteca Huelva)
Uitgave van Aristoteles’ Logica uit 1570 (CC BY-SA 3.0 – Biblioteca Huelva)

Volgens Aristoteles kwam ware, betrouwbare kennis tot stand door logisch redeneren vanuit heldere, onweerlegbare principes. Zijn grote voorbeeld was de Stoicheia (‘Elementen’) van Euclides (rond 300 v.Chr.), waarin vanuit eenvoudige, vanzelfsprekende axioma’s gecompliceerde wiskundige stellingen worden opgebouwd, en wiskundige vraagstukken opgelost. Dat werk was rond 1150 ook in het Westen bekend geraakt, dankzij een vertaling door Adelard van Bath (1080-1152). Maar écht revolutionair was wat Aristoteles hieruit concludeerde. Met rode oortjes lazen geleerden in de Analytica posteriora:

‘We kunnen niet elke vraag aan elke deskundige stellen, maar alleen díé vragen die binnen het bereik vallen van zijn eigen wetenschap.’

Het primaat van de waarheid

De ‘filosofie’ bestond dus uit meerdere onafhankelijke wetenschappen, elk met zijn eigen onderzoeksterrein, uitgangspunten en ‘waarheid’. Hier dreigde het primaat van de theologie (en daarmee de Kerk) alsnog ten onder te gaan.

Wij, Europeanen - Marcel Hulspas
 
Maar voorlopig was Aristoteles ‘De Filosoof’. Gilbert van Poitiers (circa 1075-1154), de opvolger van Bernardus van Chartres als hoofd van de kathedraalschool, analyseerde in zijn De sex principiis (‘Over de zes principes’) de goddelijke Drie-eenheid en bereikte daarbij op Aristotelische wijze een aantal conclusies die volgens sommigen ketters waren. Hij werd gedaagd door een synode in Reims onder leiding van paus Eugenius III (r. 1145-1153). Ketterij was een van de agendapunten (de synode zou zich buigen over een brutale Bretonse prediker, Éon de l’Étoile) en Eugenius nodigde ook Bernardus van Clairvaux uit, de man die zeven jaar daarvoor Abélard had aangevallen. Bernardus moest Gilbert een lesje leren. Eugenius zou Bijbelteksten over de Drie-eenheid voorlezen, waarna Gilbert en Bernardus ieder hun interpretatie zouden geven en in debat zouden gaan. Bernardus dacht waarschijnlijk dat het een makkie zou worden maar Gilbert was hem volledig de baas en het eindoordeel van juryvoorzitter Eugenius luidde dat Gilbert bepaalde zaken misschien wat duidelijker had moeten formuleren.

Het was een afgang voor Bernardus én voor Eugenius, en een triomf voor de logica nova.

×