Begijnen, begarden en de lange schaduw van een oude dwaling
Erasmus en de begijnen behoren allebei tot het religieuze erfgoed van de Lage Landen. Rond 1500 werd Erasmus van Rotterdam een van de beroemdste christelijke humanisten van Europa. Hij was bekend om zijn baanbrekende uitgave van het Griekse Nieuwe Testament met een nieuwe Latijnse vertaling, zijn scherpe satire op religieuze misstanden en zijn pleidooi voor een christendom dat draaide om de Schrift, morele hervorming en innerlijke vroomheid. Erasmus sloot zich nooit aan bij de Reformatie van Luther, maar zijn kritiek op kerkelijke misbruiken en zijn taal van hervorming maakten hem verdacht in de ogen van veel conservatieve theologen.
Ook de begijnen hadden een dubbelzinnige plaats in de religieuze cultuur van de Lage Landen. Sinds de dertiende eeuw waren zij aanwezig in de stedelijke samenleving van de Nederlanden als vrome vrouwen, werkende vrouwen, bewoners van begijnhoven en verzorgers van armen en zieken. Zij waren religieuze lekenvrouwen, vooral prominent in de Lage Landen en het Rijnland, en leidden een vroom leven zonder noodzakelijkerwijs non te worden, afstand te doen van bezit of permanente kloostergeloften af te leggen. Hun mannelijke tegenhangers werden begarden genoemd. Juist de ruimte tussen klooster en wereld gaf deze vormen van lekenvroomheid een bijzondere mate van zelfstandigheid, maar maakte ze ook kwetsbaar voor verdenking.
Veel begijnen onderhielden zichzelf door werk, bijvoorbeeld in de textielnijverheid, het onderwijs, de ziekenzorg of andere vormen van dienstbaarheid. Velen woonden in besloten gemeenschappen, begijnhoven genoemd. Die begijnhoven waren geen kloosters in strikte zin, maar herkenbare stedelijke ruimtes waar gebed, arbeid, zorg en gemeenschapsleven samenkwamen. In Vlaanderen staan dertien begijnhoven op de Werelderfgoedlijst van UNESCO; in Nederland is dit erfgoed nog zichtbaar in Breda en Amsterdam.

Toch ontmoeten Erasmus en de begijnen elkaar in de geschiedenis niet alleen als vertrouwde namen uit het verleden van de Lage Landen. Er zit ook een kleine lokale ironie in dit verhaal. Erasmus woonde in 1521 in Anderlecht, dicht bij een klein middeleeuws begijnhof. Maar in 1531–1532 werd hij door de Parijse theologen – de invloedrijke theologische faculteit van de Universiteit van Parijs, vaak de Sorbonne genoemd – beschuldigd van iets onverwachters. Hij zou gevaarlijk dicht in de buurt komen van de “dwaling van de begarden”, error Beguardorum. Die beschuldiging kwam niet voort uit zichtbaar contact met begijnen in de Lage Landen, maar uit de canonieke erfenis van een oud ketterijlabel.
Die beschuldiging klinkt op het eerste gezicht vreemd. Erasmus was geen begard en hij schreef hier ook geen geschiedenis van de begijnen. De “dwaling van de begarden” verwees naar controverses rond begijnen, begarden en het gevaarlijke idee dat geestelijk volmaakte mensen geen kerkelijke wet meer nodig zouden hebben. Juist daarom is de beschuldiging zo interessant. Ze laat zien hoe een middeleeuws etiket uit de wereld van begijnen en begarden nog altijd bruikbaar was – zelfs tegen de beroemdste humanist van de Nederlanden.
Dat maakt dit verhaal meer dan een theologische ruzie. Het gaat ook over de manier waarop religieuze vormen uit de middeleeuwse stad — begijnhoven, lekenvroomheid, armenzorg, vrouwenarbeid en kritiek op kerkelijke regels — in de zestiende eeuw opnieuw betekenis kregen.
Een zin van Paulus wordt gevaarlijk
De beschuldiging draaide om Erasmus’ uitleg van een zin van Paulus: “de wet is niet gesteld voor de rechtvaardige” (1 Timoteüs 1:9). Erasmus had geschreven: Sincera charitas si adsit, quid opus est Legis praescriptis? – “Als oprechte liefde aanwezig is, waartoe dienen dan de voorschriften van de Wet?” Voor Erasmus ging het hier om christelijke liefde, charitas. Iemand die werkelijk door liefde wordt bewogen, heeft de wet niet nodig als uiterlijke dreiging, omdat de liefde zelf hem of haar al naar het goede beweegt.
De Parijse theologen hoorden daarin iets gevaarlijkers. Als iemand die de liefde bezit geen wet nodig heeft, betekent dat dan dat een geestelijk gevorderde christen niet langer aan kerkelijke regels gebonden is? Maakt innerlijke volmaaktheid uiterlijke gehoorzaamheid overbodig? Dat was de oude angst achter de “dwaling van de begarden.” Maar waarom lag de verdenking zo gevoelig?
Het middeleeuwse etiket achter de beschuldiging
Het antwoord ligt bij het Concilie van Vienne, een belangrijk kerkelijk concilie dat in 1311–1312 werd gehouden. Naast allerlei andere kwesties behandelde het concilie ook groepen religieuze leken die een vroom leven leidden buiten de normale kloosterstructuren. De besluiten van het concilie werden later opgenomen in de Clementinen, een verzameling kerkelijk recht die verbonden is met paus Clemens V.

Dat onderscheid werd in 1318 nog duidelijker, toen paus Johannes XXII het besluit Ratio recta uitvaardigde. Daarin werd bepaald dat onschuldige vrouwen die gewoonlijk begijnen werden genoemd niet op dezelfde manier behandeld mochten worden als schuldigen. Vrouwen die eerbaar leefden, naar de kerk gingen, plaatselijke geestelijken gehoorzaamden en zich niet aanmatigden om over de leer te preken of te disputeren, mochten niet lastiggevallen worden enkel omdat zij de naam of het habijt van begijnen droegen.
De categorie was dus vanaf het begin instabiel. Zoals historicus Walter Simons heeft laten zien, is de vroege geschiedenis van de begijnen deels een geschiedenis van het niet gebruiken van de naam “begijnen”; sympathieke schrijvers gaven vaak de voorkeur aan termen als “religieuze vrouwen” (mulieres religiosae) of “heilige vrouwen” (mulieres sanctae), terwijl vijandige waarnemers nieuwe namen gebruikten als spot of verdachtmaking. Elizabeth Makowski heeft een vergelijkbare instabiliteit in het kerkelijk recht beschreven. Dezelfde naam kon verwijzen naar een veroordeelde quasi-religieuze status, naar een onschuldige boetvaardige vrouw die door Johannes XXII werd beschermd, of naar iemand die met ketterij werd geassocieerd. “Begijn” kon dus functioneren als sociale beschrijving, juridisch probleem of ketters label.
De angst voor geestelijke vrijheid
Het besluit dat voor Erasmus het belangrijkst was, was echter een andere tekst uit Vienne: Ad nostrum. Dit besluit veroordeelde een “verfoeilijke sekte” van mannen die begarden werden genoemd en vrouwen die begijnen werden genoemd in Duitsland. Het somde acht dwalingen op die later in verband werden gebracht met de zogenoemde ketterij van de Vrije Geest.
Voor Erasmus zijn vooral de eerste en de derde dwaling van belang. Volgens de eerste kon een mens in dit leven zo’n graad van volmaaktheid bereiken dat hij of zij volledig onbekwaam werd om nog te zondigen. Volgens de derde waren mensen die deze staat van volmaaktheid en “geest van vrijheid” (spiritus libertatis) hadden bereikt, niet langer onderworpen aan menselijke gehoorzaamheid of gebonden aan de geboden van de Kerk. Met een modern woord heet dat antinomianisme: het idee dat een geestelijk gevorderd mens niet langer gebonden is aan morele of kerkelijke wet.
Dit was de achtergrond van de Parijse beschuldiging. Toen Erasmus schreef dat oprechte liefde de voorschriften van de wet niet langer nodig had, vreesden de theologen dat hij de oude bewering naderde dat de volmaakten boven de wet staan.

Niet slechts één beschuldiging
Dit was niet de enige plaats waar de Parijse theologen het begardenetiket tegen Erasmus gebruikten. In de Declarationes, Erasmus’ antwoorden op de Parijse censuren, keert de beschuldiging terug, telkens wanneer zijn critici vermoeden dat hij het belang van uiterlijke religieuze praktijken verzwakt. Wanneer Erasmus waarschuwt tegen overdreven vertrouwen in ceremonies, lichamelijke oefeningen, feestdagen of uiterlijke devotie, vrezen zijn tegenstanders dat hij kerkelijke discipline optioneel maakt voor geestelijk gevorderden.
Hetzelfde patroon zien we in de censuur rond sabbat en feestdagen. De theologen dachten dat Erasmus suggereerde dat de zondag en andere kerkelijke feestdagen ooit konden worden afgeschaft. Zij vonden dat onredelijk en gevaarlijk, en vergeleken het expliciet met de bewering van de begarden dat het gebod om de sabbat te heiligen voor de rechtvaardigen was opgeheven. Erasmus antwoordde door de kwestie te beperken. Hij sprak over de joodse sabbat en de ceremoniën van de wet van Mozes, niet over feestdagen die door de Kerk verstandig waren ingesteld. Zijn punt was niet dat christenen feestdagen moesten negeren, maar dat uiterlijke voorschriften moeten wijken wanneer de liefde om handelen vraagt. De Kerk kon volgens hem gemakkelijker bestaan zonder feestdagen dan zonder liefde.
Deze voorbeelden laten zien dat error Beguardorum in het Parijse dossier meer was dan een losse belediging. Het was een terugkerende categorie van verdenking, verbonden met Erasmus’ taal over liefde en wet, maar ook met zijn kritiek op ceremonies, lichamelijke praktijken, feestdagen en uiterlijke devotie. De angst bleef steeds dezelfde, namelijk dat Erasmus kerkelijke gehoorzaamheid optioneel zou maken voor geestelijk gevorderden.
Ook Gabriel Verinus, een Italiaanse humanist uit de kring van Erasmus, zag wat er gebeurde in een brief aan Erasmus uit 1532. Volgens hem zag de universiteit ketterijen waar zij “Erasmus, niet de begarden” had moeten zien. Verinus legt de theologische inhoud van de beschuldiging niet uit; die moet worden gereconstrueerd uit de Parijse censuren en Erasmus’ antwoorden. Maar zijn opmerking laat zien dat de vergelijking met de begarden voor Erasmus’ tijdgenoten herkenbaar was als onderdeel van de Parijse aanval.
Voor de Parijse theologen ging het dus niet om werkelijk contact met begarden of begijnen, maar om Erasmus’ manier van spreken over liefde en gehoorzaamheid, die de bindende kracht van het kerkelijk recht leek te verzwakken.

Begijnen in Erasmus’ Colloquia
Ook in Erasmus’ Colloquia komt de begijn ter sprake, maar niet als ketters label. Deze zeer populaire gesprekken begonnen als Latijnse voorbeeldteksten voor studenten, maar groeiden uit tot een levendige verzameling satirische dialogen over religieus en sociaal leven. In het gesprek Funus (“De begrafenis”), waarin de sterfbedden en begrafenissen van twee heel verschillende mannen tegenover elkaar worden gezet, gebruikt Erasmus het woord “begijn” op een heel andere manier, in een meer alledaagse, sociale betekenis.
In het testament van een stervende man staat dat zijn vrouw, omdat zij niet gedwongen kan worden non te worden, de pallium Beghinae moet aannemen: de “mantel van een begijn.” De dialoog verklaart dit als medium genus inter monachas et laicas, “een middensoort tussen nonnen en lekenvrouwen.” Dit is niet de ketterij van Ad nostrum, maar een sociale en religieuze categorie, een semi-religieuze vrouwelijke status tussen klooster en wereld. De verschuiving van Beghina in Funus naar error Beguardorum in de Parijse censuur laat zien hoe hetzelfde veld kon verschuiven van sociale dubbelzinnigheid naar doctrinair gevaar.
Andere colloquia van Erasmus raken aan hetzelfde grensgebied zonder begijnen expliciet te noemen. In de colloquia Virgo Misogamos (“Het meisje met een afkeer van het huwelijk”) en Virgo Poenitens (“Het berouwvolle meisje”) stelt Erasmus de gedachte ter discussie dat vrouwelijke heiligheid noodzakelijkerwijs moet uitlopen op huwelijk of kloosterprofessie. Zijn kritiek richt zich niet tegen maagdelijkheid of religieus leven op zichzelf, maar tegen dwang, haast, angst en misplaatst vertrouwen in uiterlijke tekenen van professie. Het gaat niet simpelweg om de naam “non”, maar om kuisheid, nederigheid, geleerdheid, gehoorzaamheid en liefde. Dat ligt dicht bij de wereld van de begijnen, waar religieuze ernst niet noodzakelijk plechtige kloostergeloften vereiste.
Hetzelfde aandachtspunt zien we in Erasmus’ kritiek op bedevaart en uiterlijke devotie. In Peregrinatio religionis ergo (“De religieuze bedevaart”) bekritiseert Erasmus heiligdommen, geloften, relieken, Mariadevotie, offergaven en bedevaarten wanneer zij liefde en morele hervorming verdringen. Geld dat aan vrome reizen wordt besteed, kan misschien beter worden gebruikt om armen te helpen. Lichamelijke verplaatsing is minder belangrijk dan bekering van het leven. Voor Erasmus is dit de kern van christelijke hervorming. Zijn tegenstanders hoorden er opnieuw een gevaarlijke versoepeling van kerkelijke discipline in.
Liefde in de stad

Waarom dit ertoe doet
Juist daardoor wordt de Parijse beschuldiging begrijpelijker. In Erasmus’ werk vinden we zowel een neutraal sociaal gebruik van “begijn” als een bredere reeks vragen over vrouwelijke roeping, lekendevotie, uiterlijke gehoorzaamheid en liefde. De Parijse theologen grepen de gevaarlijke kant van dit programma aan. Als innerlijke liefde hoger staat dan uiterlijke wet, heeft de volwassen christen dan nog kerkelijke voorschriften nodig? Erasmus’ antwoord is ja, zolang die voorschriften op de liefde gericht blijven.
De episode laat zien hoe een middeleeuws ketterijlabel in de zestiende eeuw bleef doorwerken. De error Beguardorum overleefde niet alleen in het kerkelijk recht, maar ook als verplaatsbare beschuldiging in discussies over liefde, wet, ceremonies en christelijke vrijheid.
Zo verbindt een op het eerste gezicht technische beschuldiging tegen Erasmus drie werelden die in de geschiedenis van de Lage Landen nauw met elkaar verweven zijn: stedelijke vroomheid, religieuze hervorming en het blijvende erfgoed van de begijnen.
Dit artikel is gebaseerd op Erasmus’ antwoorden aan de Parijse theologen in: Clarence H. Miller, ed., vert. en ann., Collected Works of Erasmus, Volume 82: Controversies: Declarationes ad censuras Lutetiae vulgatas sub nomine Facultatis Theologiae Parisiensis, intro. Clarence H. Miller en James K. Farge, Toronto: University of Toronto Press, 2006.
Meer over begijnen, begarden en de “Vrije Geest”
– Sandra Langereis, Erasmus: Dwarsdenker. Een biografie, Amsterdam: De Bezige Bij, 2021.
– Robert E. Lerner, The Heresy of the Free Spirit in the Later Middle Ages, Berkeley: University of California Press, 1972; repr. Notre Dame: University of Notre Dame Press, 1991.
– Elizabeth Makowski, “When Is a Beguine Not a Beguine? Names, Norms, and Nuance in Canonical Literature,” in Letha Böhringer, Jennifer Kolpacoff Deane en Hildo van Engen, eds., Labels and Libels: Naming Beguines in Northern Medieval Europe, Sanctimoniales 1, Turnhout: Brepols, 2014, 83–98.
– Walter Simons, Cities of Ladies: Beguine Communities in the Medieval Low Countries, 1200–1565, The Middle Ages Series, Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 2001.
Begijnen, de dochters van Christus
Erasmus: ‘Talent voor wetenschap, niet voor het martelaarschap’
Pyramus en Thisbe – Een Babylonische liefdesgeschiedenis
Kindernevendienst en zondagsschool – Betekenis
Hallenkerk – Kenmerken en voorbeelden
Mechelse gesprekken (1921-1927)