De koloniale overheid zat haar onderdanen dicht op de huid, zo blijkt uit het boek van historica Margreet van Till. Eenieder die niet in de pas liep werd verbannen naar een uithoek van het immense rijk. Verbannen van Java vertelt het verhaal van deze bannelingen, die vaak zonder veel bewijs werden verwijderd uit het maatschappelijke leven. Nederland hanteerde niet alleen een koloniaal leger om de rust in de kolonie te verzekeren, ook verbanning was een regelmatig gehanteerde straf om de koloniale discipline te handhaven.
Vergeten stemmen
Mooi is hoe Van Till vergeten stemmen uit het koloniale archief naar boven haalt. Voor haar boek is ze bewust op zoek gegaan naar de ongehoorde verhalen, van vrouwen, Javanen of ongeletterde soldaten. De Javaanse boer Noorjoredjo was zo iemand. Hij was verbannen vanuit Yogyakarta nadat de lokale autoriteiten hadden gehoord dat hij amuletten uitdeelde die zinspeelden op een revolutie tegen de Nederlanders.
Noorjoredjo had zichzelf de titel guru aangemeten, maar had niets te maken met een politieke opstand. In een verhoor gaf hij toe dat hij tekstjes had geschreven die een goede oogst zouden verzekeren of waarmee dragers beschermd zouden zijn tegen ziekten. Toch achtte de resident (hoge koloniale bestuursambtenaar) het noodzakelijk om Noorjoredjo te verbannen naar Banda. Voorzichtigheid ging voorop, want wellicht zou de guru in de toekomst een gevaar gaan vormen.
Dominees en soldaten
Van Till baseert haar boek op archiefdossiers die ze vond in Jakarta en Den Haag. Van sommige bannelingen is relatief veel bekend. Dominee Stephen Adriaan Buddingh bijvoorbeeld, die in het midden van de negentiende eeuw in botsing kwam met de inwoners van Semarang en daarop werd overgeplaatst.
Van de meeste namen op de lange lijsten van verbannen mensen is echter veel minder bekend. Daardoor blijven deze verhalen wat aan de oppervlakte. Over de lotgevallen van gedeserteerde soldaten zijn bijvoorbeeld nauwelijks bronnen overgeleverd. De Franse dichter Arthur Rimbaud – zijn portret siert hoofdstuk zeven – deserteerde in 1876 uit het koloniale leger, maar de lezer komt maar weinig daarover te weten.
Banda
Veel bannelingen kwamen terecht op Banda, tweeduizend kilometer ten noordoosten van Java. Ver weg dus, waar deze mensen geen onheil konden veroorzaken. Zij werden daar aan het werk gezet om de nootmuskaatteelt draaiende te houden. Deze mensen werden beschouwd als eigendom van het gouvernement en werden gedwongen tewerkgesteld. Mensen die een extra zware straf ondergingen werden zelfs veroordeeld tot enkele jaren aan de ketting.
Verdachtmakingen

De Javaanse ambtenaar Raden Niti Pradya werd in 1854 vanuit Tegal verbannen op basis van klachten over zijn optreden. Er kon niet veel bewezen worden, maar de koloniale ambtenaren in Buitenzorg vonden het maar beter dat Niti Pradya verbannen zou worden van Java. Er was dus maar weinig voor nodig om het ongenoegen van de regering op te wekken. Machtsmisbruik kon daardoor ongestoord plaatsvinden, schrijft Van Till. Het in kaart brengen van dat mechanisme is de belangrijkste bijdrage van dit boek.
Moraal in de (koloniale) geschiedschrijving
De Birma-spoorlijn – Spoorlijn van de dood
Charles Breijer – fotograaf van het verzet in bezet Nederland