Politieke springstof Indonesië nu voor groot publiek toegankelijk

//
6 minuten leestijd
Het Depot Speciale Troepen tijdens een actie in het dorp Salomoni (Zuid-Celebes), waarbij medio februari 1947 een aantal mannen werd doodgeschoten.
Het Depot Speciale Troepen tijdens een actie in het dorp Salomoni (Zuid-Celebes), waarbij medio februari 1947 een aantal mannen werd doodgeschoten. (NIMH/H.C. Kavelaars)

Politieke springstof met een ongekende kracht. Die indruk blijft achter na lezing van de rapportage van twee juristen over Nederlandse militaire ‘excessen’ in Indonesië (voornamelijk Zuid-Celebes). Lang hebben kabinetten de documenten in een diepe la verborgen gehouden. Later waren ze beperkt toegankelijk voor wetenschappers. Nu kan het grote publiek er kennis van nemen.

Van Rij en Stam - Maarten van der Bent
Van Rij en Stam – Maarten van der Bent
De stukken die inmiddels bekend zijn als ‘het rapport Van Rij/Stam’ zijn bijeengebracht in een van de boeken die het resultaat zijn van het grote Indonesië-onderzoek door drie wetenschappelijke instituten. De titel van dit boek luidt kort en krachtig Van Rij en Stam.

Het begon allemaal in 1949 met een motie van PvdA-Kamerlid Frans Goedhart, zo noteert Maarten van der Bent in de uitgebreide inleiding waarin hij beschrijft hoe het rapport tot stand kwam en wat ermee gebeurde. Ook tekende Van der Bent overigens voor de bezorging van de documenten in de nu beschikbare publieksuitgave. PvdA’er Goedhart vroeg om een onderzoek naar Nederlandse militaire excessen tijdens de Indonesië-oorlog (1945-1950). Na een toezegging van minister Johan van Maarseveen (KVP, Overzeese Gebiedsdelen) trok Goedhart zijn motie in.

Een merkwaardig driemanschap

Op 15 oktober 1949 besloot de ministerraad tot instelling van een onderzoekscommissie, bestaande uit de juristen Van Rij, Stam en Groeninx van Zoelen. Van der Bent noemt het ‘een merkwaardig driemanschap’. Van eendrachtige samenwerking was geen sprake. Stam en Van Rij wilden veel dieper graven dan Groeninx van Zoelen. Uiteindelijk droeg de laatste nog wel iets bij aan het eindresultaat, maar kwam dat voor verreweg het grootste deel voor rekening van Van Rij en Stam.

Stam (links) en Van Rij op Schiphol, vlak voor hun vertrek naar Indonesië. Het Parool plaatste deze foto op 24 oktober 1949 en nog eens op 25 januari 1969.
Stam (links) en Van Rij op Schiphol, vlak voor hun vertrek naar Indonesië. Het Parool plaatste deze foto op 24 oktober 1949 en nog eens op 25 januari 1969. (Bron Delpher.nl)
Eind oktober 1949 reisden ze naar Indonesië en vóór de soevereiniteitsoverdracht twee maanden later moesten ze hun werk daar beëindigen. En dan ging dat werk ook nog eens bepaald niet van een leien dakje. Terug in Nederland duurde het vervolgens jaren voor er een eindresultaat was. Van der Bent schrijft dat laatste vooral toe aan het feit dat Van Rij vrijwel geen tijd had door andere werkzaamheden, waardoor hij vaak in het buitenland was.

Pas op 27 augustus 1954 overhandigde Van Rij, mede namens Stam, het grootste deel van de rapportage aan de ministers van Justitie, van Overzeese Rijksdelen en van Oorlog. In december dat jaar besloot de ministerraad ondanks de ernstige bevindingen van Stam en Van Rij tegen niemand vervolging in te stellen en verdween het rapport in een diepe la. Zelfs de Tweede Kamer kreeg het niet te zien.

In 1969 werd het rapport wel gebruikt bij het samenstellen van de ‘Excessennota’. Die liet het kabinet-De Jong maken na de geruchtmakende onthullingen over Nederlandse oorlogsmisdaden door Indië-veteraan Joop Hueting. Maar ook daarna was de rapportage-Van Rij/Stam in het Nationaal Archief slechts beperkt openbaar. Zoals de zaken nu liggen, blijft dat zo tot 1 januari 2030. Dat is wel wat potsierlijk nu de bronnenpublicatie Van Rij en Stam dankzij het grote Indonesië-onderzoek voor iedereen toegankelijk is.

Inleider Van der Bent noemt het werk van Van Rij en Stam ‘de eerste poging om het gebruik van excessief geweld door Nederlandse militairen tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog enigszins systematisch in kaart te brengen en te beoordelen’. Hij stelt dat ‘de latere geschiedschrijving over het buitensporige geweld in hoge mate schatplichtig (is) aan het pionierswerk van de commissie’. Tot de recentste geschiedschrijving in dezen behoort het in februari 2022 verschenen boek De Indische doofpot, dat eerder op Historiek werd besproken en waarin Maurice Swirc ook uitgebreid aandacht besteedt aan het rapport-Van Rij/Stam en wat daarmee (niet) gebeurde.

Militaire vergrijpen

Het boek Van Rij en Stam bevat de tekst van zowel in 1954 wel en toen (nog) niet ingediende rapporten over acht ‘affaires’ betreffende geweldsexcessen. Daaronder is ook een beknopt maar onthutsend rapportje over de vrij bekende Bondowoso-zaak. Daarbij lieten zesenveertig van de honderd Indonesische krijgsgevangenen het leven in drie afgesloten en niet geventileerde, verstikkend hete goederenwagons waarmee ze eind 1947 op Oost-Java werden vervoerd. Maar verreweg het grootste deel van de tekst betreft Nederlandse militaire vergrijpen op Zuid-Celebes in de maanden december 1946 tot en met februari 1947.

Raymond Westerling in 1948
Raymond Westerling in 1948 (CC0 – Ministerie van Defensie – wiki)
De hoofdlijnen van de Zuid-Celebes-affaire zijn bekend. In de loop van 1946 heersten daar chaos en geweld. De autoriteiten in Batavia besloten kapitein Raymond Westerling speciale bevoegdheden te geven om er met zijn kleine elite-eenheid Depot Speciale Troepen (DST, 130 militairen) orde op zaken te stellen. Westerling mocht gebruikmaken van wat afwisselend standrecht en noodrecht werd genoemd, hoewel in het vage bleef wat dat precies inhield en waar de grenzen lagen. Later werden die bevoegdheden ook gegeven aan enkele ondercommandanten van Westerling en aan een aantal (onder)officieren van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) op Zuid-Celebes. Het DST en het KNIL trokken in enkele maanden een spoor van dood en verderf door de regio.

De lezer die al van andere auteurs heeft vernomen hoe explosief het rapport-Van Rij/Stam in de jaren vijftig werd geacht, zal zich nu bij lezing van dat rapport aanvankelijk verbazen. De twee juristen brengen wel zo nauwkeurig mogelijk in kaart wat ze over de gebeurtenissen op Zuid-Celebes te weten zijn gekomen, maar radicale scherpslijpers tonen ze zich niet. Ze onderschrijven de stelling dat op Celebes fors moest worden ingegrepen om aan chaos en terreur een einde te maken. Ze tonen ook begrip voor het feit dat daarvoor naar bijzondere maatregelen werd gegrepen. Ze stellen bovendien dat dat mocht.

“Er was sprake van ’een volstrekt onwettig handelen’, van ‘een tegenterreur tegen de bestaande terreur van benden’.”

Voor kapitein Westerling zijn ze opvallend mild. De onderzoekers noteren dat de DST-commandant ‘op ondergetekenden in zijn verklaringen een betrouwbare indruk maakte’. Wel merken ze op dat de kapitein verklaarde dat hij was opgetreden ‘als openbaar ministerie, rechter en beul tegelijkertijd’. Maar ze schetsen ook het beeld dat Westerling pas overging tot ‘veroordeling’ (ter dood) als hij de overtuiging had dat de beschuldigde werkelijk schuldig was aan ernstige misdrijven. Andere commandanten gingen daarmee veel onzorgvuldiger om, aldus Van Rij en Stam. In de woorden van een van de betrokken commandanten:

“Je pakt een stel ongure types, kerels met lange haren, uit de verzamelde kampongmannen, laten we zeggen tien: je schiet er drie van dood en de rest gaat dan wel aan het praten en geeft aanwijzingen”.

Standrechtelijke executies

Maar bij het nu en dan doodschieten van drie mensen bleef het niet. De twee juristen beschrijven onder meer ‘excessen’ waarbij 16, 23, 29, 30, 33 en 70 mannen tegelijk zonder pardon werden doodgeschoten, met als klap op de vuurpijl op één dag in enkele dicht bij elkaar gelegen dorpen 364 executies. Van rechtspraak, hoe summier ook, was daarbij geen sprake. Van Rij en Stam merken op dat er bij ‘standrecht’ in elk geval sprake moet zijn van een ‘in flagrante delicto gevonden schuldige’ – op heterdaad betrapt. Dat was nooit het geval. Er werden zelfs mannen uit gevangenissen gehaald (schuldig bevonden of niet, dat deed er niet toe) en zonder pardon ‘neergelegd’.

Luitenant-gouverneur-generaal Van Mook in 1947.
Luitenant-gouverneur-generaal Van Mook in 1947. (CC BY-SA 3.0 nl – NIGIS – Anefo – wiki)
In hun conclusies zijn de onderzoekers dan ook niet mals. Ze menen dat wat de commandanten met bijzondere volmachten op Zuid-Celebes deden ‘niets met rechtspraak te maken’ had en ‘in de meeste gevallen ook niets met een toepassing van standrecht’. Er was sprake van ’een volstrekt onwettig handelen’, van ‘een tegenterreur tegen de bestaande terreur van benden’.

De uiteindelijke verantwoordelijkheid leggen Van Rij en Stam bij de hoogste militaire, justitiële en civiele autoriteiten in Nederlands-Indië: luitenant-gouverneur-generaal Van Mook, legercommandant Spoor en procureur-generaal Felderhof. Zou tot vervolging van militairen worden overgegaan, dan ‘(zal) de gehele achtergrond ter sprake moeten komen en alle verantwoordelijkheden zullen moeten worden nagegaan’, aldus Stam en Van Rij. Voor de hoogste functionarissen in Batavia klonk dat weinig geruststellend.

Een diepe la

Nadat hem in 1954 het rapport-Van Rij/Stam ter hand was gesteld vroeg minister van Justitie Donker (PvdA) twee van zijn raadsadviseurs, Belinfante en Kazemier, wat ze ervan vonden. Ook hun nota’s staan in dit boek. Belinfante (later hoogleraar in Amsterdam en auteur van het standaardwerk In plaats van bijltjesdag, over de naoorlogse bijzondere rechtspleging in Nederland) oordeelt nog harder dan Stam en Van Rij. Kazemier onderschreef Belinfantes oordeel ten volle. Waar de beide onderzoekers nog meenden dat sprake kon zijn geweest van standrecht of noodrecht, maakt Belinfante daar gehakt van: zoiets kende de wetgeving in Nederlands-Indië helemaal niet. Conclusie:

“Het optreden van Westerling en zijn navolgers, hoezeer ook gedekt door gezaghebbende autoriteiten, miste iedere wettelijke grondslag’’.

Begin 1947 executeerde het Depot Speciale Troepen ongeveer dertig mannen in het dorp Barroe (Zuid-Celebes) en liet hun lichamen uren liggen op de alun-alun (het centrale grasveld) alvorens nabestaanden ze mochten begraven.
Begin 1947 executeerde het Depot Speciale Troepen ongeveer dertig mannen in het dorp Barroe (Zuid-Celebes) en liet hun lichamen uren liggen op de alun-alun (het centrale grasveld) alvorens nabestaanden ze mochten begraven. (NIMH/H.C. Kavelaars)

Volgens Belinfante was vervolging van militaire commandanten zeer wel mogelijk. Maar, tekent hij aan, ‘de sneeuwbal rolt dan verder’. Ofwel: “Men moet er dus rekening mede houden, dat bij een strafvervolging tegen Westerling de achtergrond van de zaak (…) in de openbaarheid zal komen.’’ Opnieuw klonk dat omineus voor de mensen die in Batavia de hoogste posten hadden bekleed.

Maar, kunnen we eraan toevoegen, in laatste instantie lag de verantwoordelijkheid voor wat er in de jaren 1945-1950 in Indonesië gebeurde bij de hoogste autoriteiten in Den Haag. Zouden Westerling en/of andere commandanten worden vervolgd, dan zouden ook kopstukken als Willem Drees (PvdA) en Louis Beel (KVP) lelijke kleerscheuren kunnen oplopen. Al met al was het voor het kabinet in 1954 aanleiding om het rapport-Van Rij/Stam en de nota’s van Belinfante en Kazemier in een diepe la te deponeren en die lang en goed gesloten te houden.

~ Ronald Frisart

Boek: Van Rij en Stam – Maarten van der Bent

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Vorige verhaal

De strijd om de opvolging van Joop den Uyl duurde jaren

Volgende verhaal

‘Zwart of wit?’ – Etniciteit en diversiteit in oudheidstudies

×