Nederlandse vrouwen als bewakers in de nazikampen

‘Ik meende dat daar uitsluitend misdadigers zaten’
9 minuten leestijd
'Helaas heb ik in Auschwitz pech', fragment uit de cover
'Helaas heb ik in Auschwitz pech', fragment uit de cover
De kampen zijn hét symbool van het naziregime. Er bestonden vele soorten kampen, waarvan de concentratie- en vernietigingskampen het meest berucht zijn geworden. Voor de dagelijkse gang van zaken in de kampen zijn duizenden mensen verantwoordelijk geweest. Het personeel bestond voor het merendeel uit Duitsers, maar ook Nederlanders waren betrokken. In het boek ‘Helaas heb ik in Auschwitz pech’. Nederlands personeel in de nazikampen komen die Nederlanders, mannen en vrouwen, naar voren. Wat waren dat voor mensen? Wat heeft hen ertoe bewogen om dit werk te gaan doen en hoe kijken zij erop terug? Een fragment uit het boek.

Nederlandse Aufseherinnen en andere vrouwen

Zoals oorlog in het algemeen, is de zorg voor het functioneren van kampen in het algemeen een zaak van mannen. Er hebben echter ook Nederlandse vrouwen in de kampen gewerkt, ook in het buitenland. Op het eerste gezicht is dit misschien verrassend. Er zouden toch genoeg Duitse en Oostenrijkse vrouwen geweest moeten zijn die dit werk hadden kunnen doen. Aan hun loyaliteit hoefde niet te worden getwijfeld. Personeelsgebrek bij de vrouwen kon evenmin een grote rol spelen, omdat het vrouwencorps niet onder druk stond van de voortdurende vraag naar nieuwe fronttroepen.

Naar alle waarschijnlijkheid is het gebruik van Nederlandse vrouwen in eerste instantie te verklaren uit de status van kamp Vught. Dit was een ‘officieel’ − onder de Inspektion der Konzentrationslager (en later het SS-WVHA) vallend − concentratiekamp, het enige buiten het Reichsgebiet. Dit louter formele argument was evenwel niet het enige waarom de bezetter gebruikmaakte van Nederlandse vrouwen.

Net zoals de werving van mannen maakte de rekrutering van vrouwen deel uit van het streven van de SS om de Nederlandse samenleving ideologisch rijp te maken voor het nationaalsocialistische gedachtegoed. Dit woog op tegen het risico dat de Nederlandse vrouwen zich niet voldoende loyaal zouden gedragen ten opzichte van de ‘Nieuwe Orde’. Daarnaast had het gebruik van Nederlandse vrouwen in Vught vanuit het controle- en beheersperspectief gezien zijn voordelen. Meer dan mannen werkten vrouwen binnen de afrastering van het kamp en hadden zo de mogelijkheid de gevangenen af te luisteren en daarover aan hun superieuren te rapporteren.

Gevangenen in strafkamp te Vught op strafexercitie achter prikkeldraad
Gevangenen in strafkamp te Vught op strafexercitie achter prikkeldraad (CC0 – Sam Presser / Anefo – wiki)

Voor vrouwen bestond geen aparte wervingscampagne en de wijzen waarop zij met het kamp bekend raakten, waren dan ook heel verscheiden. Waarschijnlijk de bizarste weg was Aat Admiraal gegaan. Samen met haar zeer nationaalsocialistisch gezinde moeder mocht zij graag in het gezelschap van Duitsers verkeren. In mei 1943 was zij door de politie in Bloemendaal aangehouden omdat ze zich na spertijd met een Duitse militair op straat had bevonden. Als gevolg van deze arrestatie werd ze op 2 mei 1943 als Schutzhäftling gevangengezet in Vught. Moeder, zeer ontstemd hierover, probeerde haar dochter in een gesprek met commandant Chmielewski vrij te krijgen. Deze bleek wel bereid om een tegemoetkoming te doen, en na ruim een week gevangenschap nam Aat op zijn uitnodiging vrijwillig dienst als bewaakster.

Suze Arts voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam (1948) (CC BY-SA 2.0 – Peter van Zoest / AHF, collectie IISG, Amsterdam – wiki)
Suze Arts voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam (1948) (CC BY-SA 2.0 – Peter van Zoest / AHF, collectie IISG, Amsterdam – wiki)
Misschien nog wel meer dan bij de mannelijke sollicitanten, die immers enige informatie uit de diverse advertenties konden halen, speelde het ‘van horen zeggen’ bij de vrouwen een grote rol. Dat kon op diverse manieren. Elisabeth en Jossie Vaessen waren zusters. ‘De gehele familie Vaessen heeft van de Duitsers geprofiteerd,’ zou een buurvrouw later getuigen. Joke Gansloop en Jenny van Rijnsbergen kwamen beiden uit Kerkwijk, een dorp bij Zaltbommel. Ze kenden elkaar en elkaars familie al voor de bezetting. Bewaakster Lies Koch was in 1941 lid van de NSB geworden. Als lid van het ‘Korps Nationaal Socialistische Ambtenaren’ werkte ze in 1943 op de gemeentesecretarie in Utrecht en hoorde daar verhalen van haar nationaalsocialistische collega Gerda Grijseels, die ze al van jongs af aan kende. Gerda werkte daarna in Vught op de Postzensurstelle en gaf Koch voldoende informatie om er ook te solliciteren. Lies probeerde het aanvankelijk als telefoniste, maar dat lukte niet. Als Aufseherin bleek ze wel meteen aan de slag te kunnen. Gerda’s dochter, Eva, was er telefoniste op de Kommandantur. Hannie Wijndelts had bewaakster Suze Arts in de trein ontmoet. Arts was in uniform en dat had veel indruk op Hannie gemaakt. Ze hadden een beetje over het werk gesproken. Dat was voor Hannie voldoende om te gaan solliciteren. Ze wilde verpleegster worden en werd aanvankelijk in het SS-ziekenhuis in Vught tewerkgesteld. Kort daarna begon ze als bewaakster te werken.

Onder de indruk van het uniform

Min of meer dezelfde weg ging Dora Kole. Zij had al voor het Duitse Rode Kruis in Duitsland gewerkt, maar werd afgekeurd, omdat, zo bleek althans uit een naoorlogs psychiatrisch rapport, ‘zij haar beroep niet kon volhouden, geen bloed kon zien, en geen spuitjes kon geven. Zij dreigde flauw te vallen.’ In Nederland had Dora enkele Aufseherinnen ontmoet en was danig onder de indruk geraakt van hun uniform. Ze had hun gevraagd waar ze zich moest aanmelden. Twee dagen later kon ze als bewaakster aan de slag.

‘Ik kwam echter tot de conclusie dat mijn werk zou bestaan in oppaster in het vrouwenconcentratiekamp’

De liefde of althans veelvuldige omgang met Duitse of Nederlandse SS’ers, van wie sommigen al in Vught werkten, speelde een belangrijke rol om de beslissende stap te zetten. Suze Arts had haar geliefde, Franz Ettlinger, al voor de oorlog in een Duits internaat ontmoet. Ettlinger zou later als SS’er in Vught zijn brood gaan verdienen en had Suze verteld over de mogelijkheden aldaar. Suze had er verpleegster bij het Duitse Rode Kruis willen worden, zo zei ze later, maar dat bleek niet mogelijk. Na een baantje op de postkamer werd ze bewaakster. Ook Jenny van Rijnsbergen had al een relatie met een Duitse militair voordat ze in Vught ging werken. Hij was uit Nederland overgeplaatst naar Koblenz, ze wilde bij hem blijven en had in april 1941 daar in de buurt werk gezocht via het Gewestelijk Arbeidsbureau. Nadat hij was gesneuveld, keerde ze naar Nederland terug en werkte voor de Duitsers als kokkin in de Willem I-kazerne in ’s-Hertogenbosch. Winny ter Braake had voordat ze in Vught begon al een relatie met een Tsjech die voor de Duitsers werkte. Via hem kwam ze in Vught. Na zijn overplaatsing zou ze hem blijven volgen.

Ria Mullenders was verliefd geworden op de Nederlandse SS’er Anton Nelissen. Hij maakte deel uit van het Wachbataillon en vertelde haar dat er wel wat te doen was. Ze ging naar hem toe, zo verklaarde ze later…

…daar ik dacht dat hij daar een huishoudelijk werk voor mij had. Ik kwam echter tot de conclusie dat mijn werk zou bestaan in oppaster in het vrouwenconcentratiekamp.

Ria Jorink was begin 1942 weggegaan uit haar ouderlijk huis. Ze deed dit omdat ze ‘onder het oog van de familie uit wilde’. In Zwolle was ze op een bureau van de Wehrmacht gaan werken. Aan het eind van dat jaar ging ze voor de Luftwaffe werken op de luchtmachtbasis Soesterberg. Hier volgde ze ook een cursus Duits. Enkele maanden later sloot ze zich als sympathiserend lid aan bij de NSB. Het werk en het salaris bevielen haar, ze verdiende ongeveer 20 gulden per week, maar haar enthousiasme bleef daar niet toe beperkt.

Gedurende de tijd dat ik daar werkzaam ben geweest, heb ik steeds omgang met Duitse militairen gehad. […] Ik was in deze periode tamelijk pro-Duits. Ik bewonderde hun elan en was verrukt over hun succes. […] Ik kon in die dagen geen kwaad woord over de Duitsers horen.

Kamp Amersfoort (cc - Anefo)
Kamp Amersfoort (cc – Anefo)

Ze had een relatie gekregen met de Nederlandse SS’er Bernard Becker, die in Amersfoort werkte. Hij werd overgeplaatst naar Vught en eind september 1943 is ze hem uit liefde achternagegaan. Het gaf haar tevens de mogelijkheid om het contact met haar vader definitief te verbreken. De arbeidsovereenkomst had ze getekend zonder te begrijpen wat die inhield. Bij ‘duur’ had ze ‘onbepaalde tijd’ aangekruist.

Ik had op dat moment ook geen juiste voorstelling van een Duits concentratiekamp en meende dat daar uitsluitend misdadigers zaten…

…zou ze later verklaren. Al eerder was ze een intensieve correspondentie begonnen met een zekere Jan Thier, een NSKK’er (Het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps, onderdeel van de NSDAP red.). Hoewel zij in de omgang met mannen beslist ruim van opvatting was, werden zijn brieven haar op den duur toch iets te broeierig.

Ik neem je niets kwalijk hoor want ik ben niet verloofd of getrouwd of zoiets dergelijks niks hoor dus wat je graag kwijt wil dat schrijf je maar hoor ik kan me dat van jou heel goed begrijpen Jan alleen dit ene zeg ik je loop niet al te hard van stapel.

Spijtig genoeg voor Jan zouden ze elkaar niet gauw kunnen zien…

…want ik heb me gemeld voor Deutschland en moet daar de 1ste Oct verschijnen ik doe daar dan dienst als Aufseherin en verdien mooi geld en help zoo tevens ons Vaderland.

‘Het is erg leuk, dat ik met m’n vriendin samen ben’

Andere vrouwen meldden zich simpelweg bij het Gewestelijk Arbeidsbureau met de vraag of er werk was in Duitsland of in Nederland voor de Duitsers. Zo had Jopie van Drunen werk voor de Wehrmacht in ’s-Hertogenbosch gekregen. Begin 1943 vond ze via het Gewestelijk Arbeidsbureau werk in kamp Vught, waar ze beduidend meer kon verdienen. Dat het GAB haar deze mogelijkheid bood, valt te verklaren uit het grote aantal NSB’ers dat naast de Duitse Fachberater als directeur of adjunct-directeur bij de arbeidsbureaus was aangesteld. De bezetter had al in augustus 1940 om een lijst gevraagd van functionarissen die voor vervanging in aanmerking kwamen. In 1943 had de grote meerderheid van de hoofdbureaus en de bijkantoren een NSB-directeur. Ook Conny Wisdom had haar baan via het arbeidsbureau gekregen, samen met een Duitse vriendin. Kort na de opening van Vught schreef ze haar tante:

Sedert maandag [25 januari 1943] werk ik als stenotypiste in het concentratiekamp samen met Hansi Weisfelt. ’t Is erg gek gegaan: we wilden allebei naar Duitsland, naar Graz en Hansi had zich daarvoor ook al opgegeven bij het Arbeidsbureau. Vorige week kregen we een kaartje, dat we bij het Arbeidsbureau moesten komen en daar hoorden we dat er in Vught iets vrij was. Naar Graz konden we niet; dat was te ver. En zodoende zijn we vorige week vrijdag naar Vught gegaan om te solliciteren, waar we prompt werden aangenomen.

Ze slapen in hotel De IJzeren Man in Vught…

…en we eten in ’t Lager. Over ’t algemeen bevalt het ons wel. In ’t eerst is alles vreemd en ik heb nog erg weinig te doen. […] Het is erg leuk, dat ik met m’n vriendin samen ben.

Helaas heb ik in Auschwitz pech - Hans de Vries
Helaas heb ik in Auschwitz pech – Hans de Vries
De sollicitantes kregen van het GAB de mededeling zich in Vught te melden, waar hun de inhoud van het werk verder zou worden uitgelegd. Een aantal van hen verklaarde na de oorlog dat zij in Vught hadden willen solliciteren naar een baan voor het Duitse Rode Kruis of op de administratie, maar dat dit niet mogelijk was geweest. Een baan als bewaakster bleek daarentegen wel voorhanden. Wat ook de precieze gang van zaken geweest mag zijn, het leek hun om het even om ander werk te gaan doen. Ze konden zich er toch geen voorstelling van maken. Ze beschikten niet over de nodige informatie en zagen ook het probleem niet. Door morele afwegingen werden ze niet gehinderd. Het was dus geen grote sprong in hun leven, iets waar ze lang na over hadden moeten denken. Hun nieuwe baan resulteerde simpelweg uit een optelsom van meerdere momenten waarin keuzes gemaakt moesten en konden worden. In haar uitgebreide onderzoek naar de Nederlandse Aufseherinnen in Vught formuleerde oud-NIOD-medewerkster A. Hiemstra-Timmenga dit proces heel treffend:

De eerste stap die zij hadden gedaan – de vrijerij met een soldaat van de bezettende macht, het werken in de keuken van de Wehrmacht – was ogenschijnlijk niet zó belangrijk, maar bleek dat achteraf wel te zijn geweest, want het was de eerste op een hellend vlak waarop het keren niet gemakkelijk was. De sollicitatie in Vught was een volgende en hier kwam van het een het ander, want het vereist geestelijke kracht om zich niet door de stroom der gebeurtenissen te laten meevoeren, maar stil te houden en de weg der eigen menselijke waardigheid te gaan. En die kracht bezaten zij niet.

×