Kamp Drancy en Bobigny, in de schaduw van Parijs

Reizen in Joodse Sporen

Durchgangslager Drancy was vanaf 1941 verzamelkamp en vanaf 1942 doorgangskamp voor de deportatie van zo’n 63.000 joodse mannen, vrouwen en kinderen richting vernietigingskampen, voornamelijk naar Auschwitz-Birkenau.

Elke zondag om 14 uur vertrekt aan Mémorial de la Shoah in Parijs een bus richting Drancy. Vooraf inschrijven hoeft niet. Op een mooie herfstdag verkiezen een twaalftal geïnteresseerden deze pijnlijke herinneringstocht boven een namiddag in de gezellige Marais, waar de Mémorial is gelegen. Naast me zitten Sally Giles en haar echtgenoot uit London. Haar 77-jarige Joodse overgrootmoeder Hélène Kartun werd tijdens een razzia in Nice opgepakt en kwam terecht in Drancy. De deportatie richting gaskamers vertrok per trein vanuit het nabijgelegen stationnetje Bobigny, een tocht die zo’n vier dagen duurde. Sally en haar man willen, ter nagedachtenis van haar great-grandmother, in vier dagen de tocht overdoen, ook per trein. Vanuit Gare de l’Est in Parijs, over Châlons naar Bar-le-Duc; vervolgens naar Forbach, Saarbrücken en Dresden. De dodentrein reed verder via Görlitz naar Katowice met Auschwitz als eindbestemming. Momenteel leidt het spoor van Dresden via Praag naar Katowice. Hélène Kartun behoorde tot konvooi nummer 60.

Identiteitskaart van Simone Veil
Identiteitskaart van Simone Veil (Foto: Chris Rachel Spatz)

Ook zij waren er ‘te gast’

Simone Veil (meisjesnaam Jacob), een Franse politica, werd met haar familie vanuit Drancy op transport gezet. Zij en haar zussen overleefden de oorlog, haar vader, moeder en broer keerden nooit terug. Serge Klarsfeld, de Joods-Franse nazi-jager, was nog een kind toen hij vanuit Drancy vertrok. Hij overleefde de oorlog en schreef, samen met zijn echtgenote Beate, een Duits-Franse journaliste, het boek Hunting the Truth. In 1992 zorgde Klarsfeld, via een campagne, ervoor dat het eerbetoon aan hét symbool van de Franse collaboratie werd gestopt. Tot dan toe deponeerde president François Mitterand elk jaar een krans op het graf van maarschalk Pétain, het toenmalige staatshoofd van Vichy-Frankrijk. President Jacques Chirac erkende in 1995 eindelijk, na jaren van ontkenning, de medeverantwoordelijkheid van de Franse Staat aan deze gruwel. De Franse justitie heeft nooit staan trappelen om Fransen te berechten voor wat zij in de oorlog hebben gedaan.

Cité-jardin wordt kamp

La Cité de la Muette, een ontwerp van de architecten Eugène Beaudoin and Marcel Lods is sinds 1948 ‘normaal’ bewoond. Het ziet eruit als een doordeweekse HLM (sociale woningen). Ik vraag me af of de huidige bewoners de geschiedenis van hun appartement kennen. Het complex in U-vorm, in 1934 bedoeld als modernistische woonwijk in de Parijse voorstad Drancy, oogt nog vrijwel identiek als op foto’s anno jaren ’40. Begin Tweede Wereldoorlog was het aan afwerking toe. Maar zover kwam het niet. De onvoltooide site werd in 1941 geïnstalleerd als wachtkamer voor hen die moesten worden vernietigd. Bij de bevrijding van het kamp op 17 augustus 1944 verbleven er nog zo’n 2000 mensen. In sommige huizen werden tekeningen en teksten muren ontdekt, een laatste bericht alvorens te verdwijnen in de anonimiteit.

Drancy, een persoonlijk hoofdstuk voor familie Kartun

Document met daarop de naam van Hélène Kartun
Document met daarop de naam van Hélène Kartun (Foto: Chris Rachel Spatz)
Hélène Kartun, geboren op 27 augustus 1878 in Vladimir/Rusland, droeg de naam van haar echtgenoot en werd aldus ook geregistreerd. Op een document is haar meisjesnaam Rechtschaft moeilijk te lezen. Ook staat het tweede accent slordig en in der haast verkeerd geschreven: Héléne. Ze had twee zonen. Zoon Léon was pianist en werd in juli 1942 opgepakt in Hagetmau (Landes). Na een tussenstop in kamp Beaudésert kwam hij terecht in Drancy. Een week later werd hij overgebracht naar nog eens twee andere kampen. Madeleine Fauconneau du Fresne schrijft over Léon het volgende in De l’enfer des hommes à la cité de Dieu:

“Kartun was verantwoordelijk voor de inzameling van afval. Ik zag hem van een afstand aankomen, met twee kameraden die aan de vrachtwagen trokken. Hij had grote, dikke handschoenen aan waarmee hij zijn handen probeerde te beschermen, zijn kostbare pianistenhanden die zo vaak in Parijs uren bewondering hadden geoogst…”

Wel of niet Jood
Wel of niet Jood (Foto: Chris Rachel Spatz)
Zijn redding was dat hij gehuwd was met een niet-joodse vrouw. Daarom was hij niet ‘déportable’. Tijdens zijn getuigenis in het proces Evers-Adler in 1949 zei Léon:

“Persoonlijk onderging ik het ‘normale’ regime, dat wil zeggen dagelijks van de knuppel en 12 tot 14 uur werken per dag… “.

Sally vertelt dat hij uitweek naar Guernsey, het eiland waar Victor Hugo zo’n vijftien jaar in ballingschap leefde. De andere zoon, Jacques, Sally’s grootvader, werd geboren in België. De familie verhuisde naar Frankrijk toen hij nog een kind was. Hij werd diamanthandelaar. Tijdens de oorlog vertrok hij met een schip naar de Verenigde Staten maar strandde in Cuba. Jacques huwde Dora, ze kregen twee kinderen Anita en Derek. Derek Sally’s vader, vertrok naar Engeland. Ik kom het allemaal te weten tijdens de busrit. We wisselen mailadressen uit, ze belooft documenten door te sturen.

Drancy, de drempel naar het einde

Vanaf de Rafle in het 11de arrondissement op 20 augustus 1941 tot aan de bevrijding van het kamp op 18 augustus 1944 was Drancy de draaischijf voor het wegvoeren van Joden en anderen die als ongewenst werden beschouwd. De Duitsers openden het kamp, maar een commandant afhankelijk van de Préfecture de Paris, nam het dagelijks bestuur waar. Wat organisatie betreft, werd er aanvankelijk veel geïmproviseerd. Bij aankomst moesten de mensen alles afgeven: identiteitspapieren, voedselkaarten, geld, juwelen. Slapen op planken of op de grond, geen dekens, te weinig eten en geen zinvolle bezigheden. Wachten. Wanneer men niet weet waarop of hoe lang, een geestelijke marteling. Bezoek was verboden. De geïnterneerden mochten geen toegestuurde pakjes ontvangen; de voedselbevoorrading werd georganiseerd door de Préfecture de la Seine. In het begin stierven velen de hongerdood. Bovendien verbleven ze met te veel mensen in te krappe kamers. De hygiënische omstandigheden waren erbarmelijk: één keer per dag werd er slechts gelucht en voor 5000 mensen waren slechts 20 kranen beschikbaar. Luizen en ongedierte vierden hoogtij. Dankzij het comité Amelot, bestaande uit verschillende Joodse organisaties (uit elkaar gevallen in 1943), konden via het Rode Kruis alsnog bedden en dekens geleverd worden in het kamp.

Op 1 juli 1943 nam de SS de macht over van de Franse politie die gesteund werd door de Duitsgezinde Vichy-regering. ‘Paradoxaal genoeg waren vanaf dan minder mensen in het kamp en de levensomstandigheden verbeterden lichtelijk, maar de mensen werden op transport gezet’, vertelt een getuige. Er kwam een postdienst en een winkeltje verzorgd door geïnterneerden; zelfs de hygiënische omstandigheden beterden.

De kinderen van Drancy

Kinderen werden op meerdere momenten van de lijdensweg van hun ouders gescheiden. Na de rafle du Vélodrome d’Hiver op 16 en 17 juli 1942, ook gekend als la rafle du Vel’d’Hiv’ werden meer dan 13.000 Joden van buitenlandse nationaliteit (de Franse Joden hadden nog even respijt) door de Franse politie, in opdracht van de Duitse bezetter, dagenlang opgesloten in een vélodrome in Parijs. De volwassenen werden vervolgens overgebracht naar Beaune-la-Rollande en Pithiviers wegens plaatsgebrek in Drancy. De 4000 kinderen kregen wel een ticket Drancy.

Wanneer de hummeltjes tussen twee en twaalf jaar arriveren zijn ze totaal van de kaart. De kleinsten kennen met moeite hun naam. De naam die ze opgeven wordt op een houtje geschreven en met een koord rond de nek gehangen. De kleinste herinnering, zoals een armbandje of oorbellen, moeten ze afgeven. Gehuil, geschreeuw, vooral ’s nachts, getuigen van een hopeloze angst en verlatenheid. De kinderen blijven niet lang, ze worden gedeporteerd. Wanneer er in een wagon nog wat plaats is, worden er ‘ter opvulling’ wat kleintjes bij gepropt; hun namen verdwijnen met hen in de vergetelheid. Dat sommige gendarmes wellicht oprecht medeleven en walging hebben van die beestigheid, brengt de slachtoffertjes weinig soelaas. Het is een enorm raadsel hoe de beulen zich ’s avonds over de bedjes van hun eigen kinderen kunnen buigen om ze een nachtzoen te geven.

Een laatste woord
Een laatste woord (Foto: Chris Rachel Spatz)

De grote illusie

Zelfs na de oorlog werd vrijwel niet gesproken over de met handen uitgegraven tunnel van 36 meter. Misschien uit piëteit voor hen die in Drancy zelfs nooit van vrijheid durfden dromen. Er werd een tunnel gegraven onder het kamp waarvan de gevangenen de illusie koesterden op 11 november 1943 (dag wapenstilstand WOI) te kunnen gebruik maken. Drie teams van vijftien mensen wisselden elkaar af, dag en nacht. De technische problemen waren enorm. Verlichting. Gebrek aan zuurstof. Tekort aan hout om te stutten. Bovendien was er de enorme mentale druk over het feit dat elke ontsnapping zou leiden tot de onmiddellijke executie van 50 gevangenen. De werken, op 15 september 1943 begonnen, waren op de voorziene dag bijna voltooid. Nog slechts twee meter te graven.

Op 9 november knipperde een waarschuwingssignaal. De gravers vluchtten; één werd gearresteerd en gemarteld. Hij liet dertien namen vallen. De gevangenen moesten de tunnel weer dichten. Op het laatst opgetrokken muurtje schreven ze Hier ligt de grote illusie. De veertien werden op deportatie gezet in een konvooi met 1200 anderen richting de hel van Auschwitz. Maar nog was de wil om te overleven niet uitgeblust. Opgesloten in de veewagen probeerden ze het dakraam los te maken. Twaalf van de veertien ontsnapten, samen met zeven lotgenoten in de wagen. Bij aankomst in Auschwitz werden 895 mensen ter plekke vergast. De overlevenden van de treinrit werden door spoorwegmannen geholpen en konden bij hen onderduiken. Voor overlevende Eugène Handschuh is getuigen van deze utopie wel noodzakelijk.

‘Dit is het beste bewijs dat de Joden niet als schapen naar het slachthuis gingen.’

Cartoons van Jean-Baptiste Cuvelier reconstrueren de graafwerken. De gids ter plaatse toont de locatie van de tunnel. Niets van waar we ons bevinden verraadt iets van de ingestorte droom.

Monument ter ere van de slachtoffers
Monument ter ere van de slachtoffers (Foto: Chris Rachel Spatz)

Gedenkteken vol symboliek

In 1973 won Shlomo Selinger de eerste prijs in de wedstrijd voor een gedenkteken in het voormalige Kamp Drancy. Drie jaar later werd dit gedenkteken opgericht. Tweemaal 7 trappen leiden naar het herdenkingsmonument dat bestaat uit drie blokken roze graniet van zo’n drie meter hoog die de 21ste letter vormen van het Hebreeuwse alfabet. Het belangrijkste joodse gebed, het sjema, begint ermee. De letter is naar traditie ook gegraveerd op de mezoeza die aan de deur van joodse huizen hangt. Het cijfer 7 verwijst naar de verheffing van de zielen van de slachtoffers, net zoals de 7 etappes naar de hel die ze moesten doorstaan ​​vóór de dood. Op het middelste granieten blok staan tien personages, het noodzakelijke getal van mannelijke aanwezigheid om de gebedsdienst minjan te mogen houden. Vooraan een mannelijke en vrouwelijke figuur. In het midden een hoofd met een tefilin, een doosje met teksten uit de Thora. De twee omgekeerde hoofden onderaan symboliseren de dood. Aan de achterkant staat een vrouw met kind afgebeeld om de vele vermoorde kinderen te gedenken. Doorheen het monument profileren zich treinrails die leiden naar een wagon, een identieke als destijds en waarin 100 personen probeerden te overleven tijdens de helletocht.

De Shoah Memorial Drancy (ook documentatiecentrum), geopend in 2012, sluit aan bij die van Parijs. In de ontvangsthal verschijnen op een muur achtereenvolgens gezichten, namen, geboortedatum en datum van deportatie van joodse slachtoffers, die tussen 1941 en 1944 in kamp Drancy waren geïnterneerd. Persoonlijke voorwerpen van gedetineerden en filmmateriaal getuigen van zinloos vernietigde levens. Van achter de grote ramen van het museum is het wooncomplex La Cité de la Muette, in zijn geheel zichtbaar.

Cité de la Muette
Cité de la Muette (Foto: Chris Rachel Spatz)

Bobigny

Konvooien worden gevormd; ze vertrekken tot juli 1943 vanuit het station le Bourget; vervolgens vanuit station Bobigny. Vanaf 19 juli 1942: drie deportaties per week. De ‘déportables’ worden per bus tot aan het station gebracht. Wie het niet aan kan, pleegt soms zelfmoord. Eenmaal in de veewagon, wordt die gesloten en verzegeld. Geen plaats, geen lucht, laat staan een tikkeltje privacy. Behoeftes moeten gedaan worden in een emmer. Gêne verdwijnt, iemand ontmenselijken behoort tot de nazistrategie. Het laatste konvooi naar Auschwitz vertrekt op 31 juli 1944.

Sally en haar man zouden graag Bobigny bezoeken vanwaar haar overgrootmoeder vertrok om nooit terug te keren. Het is momenteel gesloten voor renovatie. Ik was er tijdens het laatste bezoek een paar maanden geleden en beloof foto’s te sturen. Wanneer ik tijdens het schrijven van dit artikel navigeer door het kluwen van vlug opgetekende familieverhoudingen van Sally, constateer ik dat zij dus eigenlijk Sally Kartun heet en niet Sally Giles. Ze volgt blijkbaar het voorbeeld van great-grandmother Hélène bij het gebruik van de naam van haar echtgenoot.

John  en Sally Giles-Kartun in het documentatiecentrum Shoah Memorial Drancy
John en Sally Giles-Kartun in het documentatiecentrum Shoah Memorial Drancy (Foto: Chris Rachel Spatz)

Coda

Tijdens mijn research ontdek ik de naam Esther Grinberg, meisjesnaam Spatz. Ze was 41 toen ze vanuit Drancy werd weggevoerd richting hel. Ze woonde in rue Charles Lauth nr. 18 te Parijs. Reint, Hermann en Jacob Spatz vertrokken met konvooi 27. Abraham Spatz met nr. 24 en nog een andere Hermann Spatz met konvooi 76. Geen familie, maar telkens als mijn eigen naam opduikt op een grafsteen, een herdenkingsmuur of in een register van gedeporteerden wordt de prop in mijn keel net iets te groot. Een mens is dan even toe aan Beethoven en Bach, ook Duitsers, wat alles nog meer onbegrijpelijk maakt.

~ Chris Rachel Spatz – Tekst & foto’s
Parijs, november 201- Dit artikel is eerder verschenen in www.joodsactueel.be

Boek: Hunting the Truth – Memoirs of Beate and Serge Klarsfeld

Shuttle Paris – Drancy : elke zondag. 14u : vertrek van de Shoah Memorial in Parijs – 17 rue Geoffroy Asnier – 75004 Paris. 15u: geleid bezoek aan de Holocaust Memorial in Drancy 110-112 Avenue Jean Jaurès, 93700 Drancy. 17u : terug met de bus naar de Shoah Memorial in Parijs. Vervoer, bezoek, gids: gratis.

Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister