Een jonge dominee in de Betuwe: Barthold Reinier de Geer (1817)

12 minuten leestijd
De hervormde kerk van het Betuwse dorp Lienden
De hervormde kerk van het Betuwse dorp Lienden (CC BY-SA 3.0 - Ben Bender - wiki)
Bij de meeste lezers zal niet meteen een belletje gaan rinkelen bij het horen van de naam van de naam Barthold Reinier de Geer van Jutphaas. De familienaam De Geer zal echter bij velen wel bekend zijn, omdat de aartsvader van deze familie Louis de Geer (1587-1652) door Jan en Annie Romein wordt besproken in hun Erflaters van onze beschaving. Barthold Reinier (Rein) stamde af van deze zeventiende-eeuwse – in Zweden in de adelstand verheven – ‘kanonnenkoning’ en erfde twee eeuwen later zowel titel als bezittingen.

Jhr. Barthold Reinier de Geer van Jutphaas 1791-1840
 
Rein groeide op als vijfde kind in het gezin De Geer van Jutphaas. Hij ontving vanaf zijn vijftiende jaar zijn klassieke educatie van een privé-docent in Hoorn, waarna hij aan de studie theologie in Utrecht begon. Omdat hij wat ouder was dan zijn jaargenoten werd hij in juni 1815 benoemd tot eerste luitenant van de compagnie vrijwilligers te voet van de Utrechtse studenten. Dit was in militair opzicht een vrij nutteloze expeditie, omdat Napoleon reeds verslagen was. Hij rondde zijn studie af door een dissertatie te schrijven over Bileam, een studie die hij voltooide onder leiding van professor theologie en Oosterse talen J.H. Pareau.

Hij werd in 1817 predikant in Lienden en daarna in Vreeland. Vervolgens was hij een aantal jaren werkzaam als hoogleraar theologie aan het Rijksathenaeum te Franeker (1825-1836). Vanwege een ernstige oogkwaal ging hij al vervroegd met emeritaat. Hij overleed in 1840. Zijn levensverhaal heeft hij zelf op schrift gesteld in zijn autobiografie, die zich bevindt in het Utrechts Archief. Mijn boek over hem is grotendeels op dit handschrift gebaseerd. Ik heb er daarom voor gekozen dit als een ‘Zelfportret’ te beschouwen. Hier volgt een fragment uit het boek, over De Geer’s ervaringen als beginnend predikant in Lienden.

Dominee in Lienden

Het Algemeen Reglement op het bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, dat van koningswege sinds 7 januari 1816 van kracht was geworden, moest een nieuwe fase inluiden in de geschiedenis van de ‘gereformeerde kerk’, een nieuw elan bewerkstelligen en de religie een opvoedende rol verlenen in het geheel van de samenleving. De kerk werd gezien als een onmisbaar fundament van het nieuwe koninkrijk en een krachtig instrument in handen van de koning en zijn ministers om de Nederlandse staat en samenleving in oude glorie te herstellen door nieuwe wegen in te slaan. Inhoudelijk was dit reglement grotendeels uit de pen van J.D. Janssen, secretaris van het ministerie van eredienst(en), gevloeid en in artikel 9 formuleerde hij zo nauwkeurig mogelijk wat het hoofddoel was van de kerk en van hen die in haar werkten:

De zorg voor de belangen, zo van het christendom in het algemeen, als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland.

Dit betekende natuurlijk tevens een andere invulling van het predikantsambt: hij werd meer een godsdienstig leraar en behartiger van de moraal en zijn functie impliceerde eerbied voor het nieuwe bewind, waarmee het vaderland gezegend was sinds het aantreden van koning Willem I. Van nu af was de predikant ‘volksopvoeder nr. 1’, zoals Heitink treffend signaleert.

Al was dit Algemeen Reglement, dat een breuk betekende met de aloude classicale en presbyteriale structuur van de kerk, die voortaan meer van bovenaf en hiërarchisch bestuurd zal gaan worden, niet naar ieders zin, over het algemeen schikten de plaatselijke gemeenten zich vrij geruisloos in de nieuwe orde en zij ondervonden daarbij, dat alles ook weer niet in één klap veranderde, maar dat er (gelukkig) ruimte bleef voor oude tradities en gewoonten.

Beroepen te Lienden

Het collatierecht (het recht van een heer om een predikant voor te dragen, red.) bleef bijvoorbeeld gewoon van kracht en zo had de heer van Lienden Mauritz de Bruijn nog steeds een grote vinger in de pap bij het beroepen van een nieuwe predikant, zodra er een vacature ontstond. Ds. H. van Berck Colenbrander had in het voorjaar van 1816 een beroep naar Brielle aangenomen en zodra Rein de Geer daar lucht van gekregen had was hij afgereisd naar Lienden en had hij zich toen ook gemeld bij de heer van Lienden om hem kenbaar te maken, dat hij wel geïnteresseerd was in een beroep naar deze plaats.

Blijkbaar was de ontmoeting met Rein eveneens welgevallig geweest aan de heer De Bruijn, zodat deze op 20 november 1816 aan de kerkenraad van Lienden officieel berichtte, dat de theologiae doctor Barthold Reinier de Geer ‘goede gaven, geleerdheid en deugden’ bezat en daarom verzocht hij hem te beroepen, uiteraard met in kennis stelling van en na goedkeuring van de classis Tiel. Op 26 november gaf de kerkenraad gehoor aan deze wens en ging hij ertoe over om:

…broeder B.R. de Geer te beroepen om de gemeente alhier met de zuivere prediking des goddelijken Woords, de bediening der H. Sacramenten, de oefening der kerkelijke discipline en de verdere plichten in een getrouw herder en leraar vereist, mitsgaders met een heilige en onberispelijke wandel, te onderrichten en te stichten, te leiden en te weiden […] wenschende dat de voornoemde broeder deze wettige beroeping gelieve in des Heeren naam aan te nemen […] en dat deze door Z.H. onze geëerbiedigde Koning moge geapprobeerd worden.

Het traktement dat de nieuwe dominee zou ontvangen van de heer van Lienden bedroeg 450 guldens per jaar – zoals het altijd geweest was – en vrije bewoning van de pastorie. Op 21 januari 1817 werd proponent De Geer door het provinciaal kerkbestuur van Gelderland ‘peremptoir’ geëxamineerd,4 na ondertekening der Formulieren en na de eed van ‘purgia’ (zuiverheid) afgelegd te hebben met volle ruimte en met de beste wensen aan de gemeente van Lienden toegewezen.

Dat examen betrof het vaststellen van voldoende kennis van de grondtalen van de Heilige Schrift en van bekwaamheid in het exegetiseren van Bijbelteksten. ‘In het bijzonder had proponent De Geer uitstekend genoegen gegeven: zijn examen was uitmuntend in alle opzichten, liet niets te wenschen over, hetgeen de schoonste uitzichten opent temeer, daar hij getoond heeft de niet gewoone gave te bezitten om zijn uitgebreide kennis met een edele eenvoudigheid en duidelijkheid mede te deelen’, zo oordeelde de examencommissie.

Rein was vijfentwintig jaar oud, toen hij op zondag 2 maart 1817 bevestigd werd als predikant van Lienden. Als intredetekst en als motto van zijn aanstaande dienstwerk had hij gekozen: ‘Ik moet werken de werken van Hem, die mij gezonden heeft’ (Joh. 9:4). Zijn vader en moeder, broers en zussen en overige vrienden zullen bij deze plechtigheid aanwezig geweest zijn en vader De Geer zal deze bijzondere gebeurtenis ongetwijfeld als een vervulling van zijn wensen en gebeden hebben opgevat.

Hoe te beginnen?

Maar wist Rein eigenlijk wel waar hij aan begonnen was en waar hij moest beginnen? Aan ‘preekgaven’ ontbrak het hem nog ten enenmale, zo schrijft hij in zijn Autobiografie. Hij had nog nauwelijks ervaring in het maken van preken en zijn eerste probeersels waren niet meer dan dat.

Carolus Boers, auteur van het 'Handboek voor Jonge Predikanten'
Carolus Boers, auteur van het ‘Handboek voor Jonge Predikanten’
Tijdens de colleges praktische of pastorale theologie had hij van zijn leermeester Heringa wel degelijk enige bagage meegekregen en ook het Handboek voor Jonge Predikanten uit 1809 van de Leidse hoogleraar Carolus Boers, dat hij wellicht raadpleegde, kon hem voldoende ideeën, richtlijnen en adviezen aanreiken om het werk als predikant in een dorp te kunnen aanvangen. Maar hoe breng je theorie in praktijk?

Hij had van Heringa geleerd, dat men niet te hoogdravend en te academisch moest spreken en ook niet te plat of te boers. In een dorpsgemeente zal men overwegend met een weinig ontwikkeld of gemengd gehoor te maken hebben en hij zou dus zo moeten preken…

…dat de minder kundige en geoefende toehoorders het voorstel (de preek) begrijpen en de meer verstandigen het met genoegen horen kunnen.

Ook bij het kiezen van de onderwerpen voor de prediking moet de predikant rekening houden met het bevattingsvermogen van de gemeente en zeker geen thema’s kiezen, die niet relevant zijn voor haar. Men mag ook geen al te grote basiskennis van de geschiedenis der mensheid verwachten. Begrippen als ‘middeleeuwen’ en ‘Palestina’ kan men beter vermijden en vervangen door ‘tijden, waarin de meeste mensen nog niet konden lezen of schrijven’ en ‘het Joodse land’. Ook moet de predikant voorzichtig zijn met emoties, die het verstand kunnen verduisteren, zoals gebleken was tijdens de Nijkerker beroeringen:

…zo behoort hij te zorgen voor zijn toehoorders, dat hij niet slechts, zelfs niet vooral, op hun gevoel werke, en daarbij meer of min verzuime het verstand te verlichten en door bondige redenen te overtuigen.

Van de adviezen van prof. Boers zal Rein wellicht ook kennis genomen hebben en deze ter harte hebben genomen, vooral als hij las, dat men als predikant een ‘zachtheid en minzaamheid van inborst’ moest hebben. Een goede tip was het ook om het voorlezen van de Bijbel door de voorlezer wat meer structuur en inhoud te geven door hem vóór de aanvang van de dienst het gedeelte te laten lezen, dat in de prediking aan de orde zal komen. ‘Hij schaffe de ellendige gewoonte om den Bijbel in vervolg te lezen, wanneer die nog plaats mogt hebben, voorzigtig af’.

Het zingen van de gemeente moet de predikant zeker ter harte gaan en hij zou er goed aan doen om een ‘godsdienstig zang-gezelschap’ op te richten en ook zelf bij te wonen, zodat het psalm- en liedgezang welluidender en plechtiger kon klinken en hij zou er goed aan doen om zo nu en dan de gemeente te verzoeken om staande te willen zingen.

Zo overwoog ds. De Geer, hoe hij zijn werk als predikant in Lienden het beste kon aanvangen en invullen. Het leven op het platteland en de omgang met boeren en buitenlui was hem van huis uit niet vreemd en dat ging hem ook steeds beter af. De overgang van Utrecht naar Lienden was zeker groot, maar zijn ervaringen op het buiten Huize de Geer kwamen hem hierbij goed van pas. Natuurlijk miste hij zijn ouders en het studentenleven, maar de nieuwe en vele werkzaamheden gaven hem voldoende afleiding om niet in melancholie te vervallen. Het alleen zijn viel hem aanvankelijk wel zwaar, maar gelukkig kwam zijn oudste zuster Madeleine regelmatig enkele weken bij hem logeren.

Boerderij ten westen van de Kerk van Lienden
Boerderij ten westen van de Kerk van Lienden (CC BY-SA 4.0 – RCE – wiki)

Thuis in het dorp Lienden

Dominee Rein liep regelmatig door het dorp, dat in zijn tijd wel ongeveer het grootste dorp in de Betuwe was en wel om en nabij 1100 zielen telde. Veel eenvoudige mensen, er waren weliswaar enkele herenboeren, maar vooral knechten, ambachtslieden en middenstanders, werklozen en armen, kortom, een dorp zoals zovele in Nederland met een voornamelijk agrarische cultuur.

In 1811 was Lienden een zelfstandige gemeente geworden, toen ‘mairie’ geheten. Deze gemeente omvatte: Lienden, Aalst, De Mars, Kesteren, Lede en Oudewaard, Ommeren en Meteren, hoewel een en ander na 1818 weer anders werd verdeeld, waarbij Kesteren, Lede en Oudewaard werden afgescheiden van Lienden en Ingen werd toegevoegd aan de gemeente.

Wandelend in zijn zwarte kostuum over de soms modderige zandpaden herkende en begroette hij de trouwe kern van zijn kudde. Hij deed echter ook zijn best om alle dorpsbewoners te leren kennen, denkend aan het woord van Paulus ‘Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend’. Hij probeerde dat zo goed mogelijk in praktijk te brengen. Hij passeerde dan tijdens zijn wandelingen vaak het adellijk landhuis ‘Het Haagje’, dat tot het einde van de eeuw Lienden zou sieren. De naam ervan is nu nog zichtbaar op een hek. ‘Het Haagje’ was de opvolger van het middeleeuwse adellijk huis ‘De Oldenhof’.

Korenmolen ‘De Zwaan’ in Lienden
Korenmolen ‘De Zwaan’ in Lienden (CC BY-SA 3.0 – Rasbak – wiki)
Als Rein wat verder zijn wandeling vervolgde kwam hij langs kasteel ‘Kermestein’. Dit gezichtsbepalende bouwwerk was opgetrokken in de zestiende eeuw door Cornelis van Brakell, ‘heer tot Kermestein’. Ook dit kasteel heeft echter de tand des tijds niet doorstaan. Terwijl hij op de terugweg naar de pastorie nog wat mijmerde over de preek, die hij de aanstaande zondag zou moeten houden, passeerde hij de korenmolen ‘De Zwaan’, die al sinds 1644 in Lienden verrees en tot op vandaag te bewonderen is.

De eerste maanden was alles nieuw. De nog jonge en onervaren dominee vatte zijn ambtswerk serieus op en al gauw was hij begonnen met catechiseren, het voorbereiden en houden van twee diensten per zondag, het bezoeken van mensen in willekeurige orde, hetgeen hem veel werk, maar ook voldoening gaf.

Zolang het bij een eerste kennismaking bleef, waarbij de Betuwnaar zich zeer eenvoudig en vriendelijk betoonde, en niet in bijzondere zaken met hen werd verwikkeld, ging mijn levenspad vrij rustig voort. Ik had dus gedurende de eerste maanden van mijn verblijf te Lienden wel veel werk, maar wat de gemeente betreft, ik vond het ook beter met de vromen dan mijn voorgangers. Ik ondervond weinig moeite of verdriet.

Het veelomvattende werk van de herder en leraar

Tot de kerntaken van de predikant nieuwe stijl behoorde volgens het Algemeen Reglement ook het vervullen van de ‘pligten van het herdersen opzienersambt’. Helaas, aldus Heringa, is de benaming ‘pastor’ bij de protestanten in onbruik geraakt en het is jammer, dat de naam ‘Domine’ daarvoor in de plaats is gekomen. Het zou beter zijn geweest, wanneer de aanspreektitel ‘Meester’ of ‘Minister’ meer algemeen in gebruik was gekomen, zoals men nu (anno 1817) in Zeeland nog wel Mr. voor de naam van de predikanten op de predikbeurtbriefjes ziet staan.

Rein zal tijdens de colleges pastorale theologie van Heringa wel hebben gehoord, hoe een beginnend dominee zich in een dorpsgemeente moet opstellen en ongetwijfeld hebben vernomen welke rake adviezen de geleerde Reddingius in petto had:

De aankomende Leeraar heeft op de Akademie menschkunde opgedaan, en hij meent nu zeer weel te weten, hoe men met menschen moet omgaan. Nu wordt hij geplaatst op een Dorp onder Landlieden, onder eenen geheel anderen kring dan in welken hij tot hier toe verkeerde en spoedig ontdekt hij het ontoereikende van zijne ondervinding. Daar vindt hij begrippen, leidingen van gedachten, vooroordeelen en verkeerdheden, van welke hij nooit hoorde; daar vindt hij een onvatbaarheid, van welke hij vooraf geen begrip had.

Heringa leek er zelfs op aan te sturen om zijn pupillen, die binnenkort in hun eerste gemeente zouden komen, een demografisch profiel te laten opstellen, zodat zij een goed overzicht hadden over de opbouw van de (beroeps)bevolking. Waren er bijvoorbeeld (veel of weinig) landeigenaars, die hun eigen grond bebouwden en hun eigen vee hielden? Waren er (veel of weinig) werkbazen, die arbeidsvolk in dienst hadden? Waren er lieden, die op een bedrieglijke en schadelijke wijze handel dreven, kroeghouders en bedelaars? Waren er (veel of weinig) behoeftigen, die ondersteuning van de diaconiekas nodig hadden?

Ook ten aanzien van het gemeenteleven zou de nieuwe predikant zich moeten oriënteren en antwoord moeten vinden op vragen als: heeft men aandacht en belangstelling voor de eredienst en voor wat daar plaats vindt of is er sprake van het tegendeel? Neemt men deel in het zingen van Psalmen en liederen? Wordt het Heilig Avondmaal door veel gemeenteleden graag gevierd? Is men bereid om het belijden van het geloof plechtig te herhalen bij de voorbereiding van het Avondmaal? Neemt men deel aan de bedestonden ‘ter uitbreiding van het rijk onzes Heeren en ter verspreiding van de heilige Schriften en vindt de werkzaamheid van Bijbel-, Zendeling-, Tractaat- en andere, algemeen nut bevorderende Genootschappen ook deelneming?’ Is men getrouw in het bezoeken van de catechisaties en wordt de keuze van de leerboekjes overgelaten aan de leraar of blijft men liever gehecht aan min of meer ongeschikte boekjes? Zijn er ook samenkomsten of oefeningen, waarin de predikant niet zelf voorgaat? En hoe gedragen de mensen zich in het gewone dagelijkse leven: is men vlijtig, spaarzaam, ingetogen of juist wulps, lui, onkuis en ongebonden? Vindt men het welzijn van het vaderland belangrijk en is er eerbied voor de koning? Is de voorlezer en voorzanger een tot zijn werk geschikt en goedwillig man?

Interieur van de kerk in Lienden
Interieur van de kerk in Lienden (CC BY-SA 4.0 – RCE – wiki)

En nog veel meer en andere vragen, zoals bijvoorbeeld over het onderwijs aan de jeugd en of er medische en juridische bijstand in het dorp aanwezig was had de hooggeleerde Heringa opgeworpen om de aanstaande predikanten niet onvoorbereid aan het pastorale werk te laten beginnen. Ook Boers had er op gehamerd, dat het huisbezoek niet altijd zo plechtig hoefde te zijn, maar dat het voor de gemeente en de dominee zelf noodzakelijk was, dat men op een vertrouwelijke manier met elkaar omging. Zo kon de predikant in zijn preken beter communiceren met zijn gehoor, waardoor de ‘gezellige omgang’ zeker ook zijn nut had.

Niets is dan ook meer schadelijk en af te keuren, dan, of door traagheid, of door hoogmoed, of door ongezelligheid, of ook wel door eenen te ver doorgedreven lust om in het eenzaam Boekvertrek geleerde Letteroefeningen voort te zetten en zich zo aan die wezenlijke plicht te onttrekken.

Daar kwam nog bij, dat dominee De Geer niet alleen als voorzitter van de kerkenraad moest fungeren, maar ook als zijn secretaris. Natuurlijk moest zijn functioneren in deze beide rollen met een zekere deftigheid en waardigheid vervuld worden, maar hij moest ook weer niet al te stug en formeel de vergaderingen leiden en hij moest met een zekere flegmatieke houding proberen te verhinderen, dat er verdeeldheid of twist ontstond…

…zodat eene beminnelijke vredelievendheid onder alle de Leden blijve heerschen.

Al met al geen gemakkelijke opgave, waar de jonge De Geer in 1817 aan begonnen was. Hij ving zijn werk weliswaar met goede moed aan, maar wat hem van meet af aan dwars zat was, dat hij er alleen voor stond en in zijn eentje de pastorie moest bewonen.

Podcast

Naar aanleiding van de verschijning van zijn boek maakte de auteur samen met een collega ook een podcastaflevering. Die is hier te beluisteren:

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×