De bevrijding
Op 14 april 1945 moesten de Nederlandse en Belgische vrouwen uit het Siemens-kamp buiten gaan staan. Het was vroeg in de ochtend, een prachtige lentedag. De zon brak door en het begon net warm te worden; het was geen straf om buiten te staan. Ik had in Ravensbrück alleen nog herfst en winter meegemaakt, dus de gedachte aan warmer weer was een opluchting. Toch maakte alles wat afweek van de normale routine ons bang, nu dus ook.
We wachtten een paar minuten in de zon, en marcheerden toen onder leiding van SS-soldaten naar het basiskamp. Daarbij kwamen we langs Uckermark en dachten allemaal dat ons laatste uur had geslagen. De oudere vrouwen waren daar zo’n twee maanden eerder naartoe gebracht en vergast. Ik dacht dat wij nu aan de beurt waren en gezien de bleke gezichten van mijn medegevangenen, vreesden zij dat ook. Mijn hart ging tekeer; zou ik nu sterven, na al die tijd aan de dood te zijn ontsnapt?
Wilde geruchten
We hadden gehoord dat de Noorse en Deense vrouwen een paar weken eerder waren bevrijd, maar was dat wel waar? We twijfelden. Te veel vrouwen hadden verhalen gehoord over vrijheid of een beter kamp en betere behandeling – die uiteindelijk niet waar bleken. Gelukkig liepen we Uckermark voorbij. Mijn hart werd rustiger. We liepen door naar het basiskamp en stopten bij een barak. Wat moesten we hiervan denken? Iedereen speculeerde. Er waren wilde geruchten dat we bevrijd zouden worden, maar dat leek onwaarschijnlijk. Het was beter het niet te geloven. Het zou ondraaglijk zijn als het niet waar was.
Wij, de Belgische en de Nederlandse vrouwen, hadden wel net voor het eerst een voedselpakket van het Rode Kruis ontvangen, en dat gaf ons hoop. Er was iets veranderd. We praatten aan één stuk door met elkaar, bespraken allerlei mogelijkheden en probeerden ons moreel hoog te houden. Er waren berichten geweest dat het de Duitsers niet goed verging in de oorlog, maar daarvan waren we nog banger geworden; ze vermoordden nog elke dag vrouwen en we wisten dat ze geen overlevenden wilden achterlaten die na de oorlog de gruwelijke verhalen over al dat moorden zouden navertellen.

Op 23 april moesten alle Nederlandse en Belgische vrouwen na het appel buiten blijven staan. We gingen naar de hoofdstraat. Nu zouden we zeker worden vermoord, dachten we. Ik probeerde mijn doodsangst niet te laten zien, maar ik beefde en had moeite met ademhalen. De bewaker noemde onze nummers op. Dit duurde niet zo lang als vroeger; er waren relatief weinigen van ons over – zovelen waren vermoord of gestorven aan ziektes, en sommigen waren naar andere kampen gestuurd. Het namen afroepen eindigde en we kregen bevel om, zoals altijd, in rijtjes van vijf door de toegangspoort te lopen.
Een auto in de verte
Waarschijnlijk waren we in totaal met 190 vrouwen. Ik liep naast mijn vriendin Dit Kuyvenhoven. Zouden we op weg zijn naar de gaskamer, vroeg ik me af, was mijn geluk toch nog opgeraakt? Ik dwong mezelf zo moedig mogelijk door te lopen en wist dat mijn kameraden hetzelfde zouden doen. Buiten de toegangspoort kregen we te horen dat we moesten wachten. Na daar een tijdje te hebben gestaan, wisten we nog steeds niet wat er zou gaan gebeuren. Ineens zagen we vanuit de verte een sportauto komen aanrijden. De auto kwam steeds dichterbij. Hij had een open dak. We hielden onze adem in.

Toch werden we weer teleurgesteld: de bussen van het Rode Kruis kwamen niet. Ze stonden bekend als ‘de witte bussen’ omdat ze helemaal wit waren geschilderd, met alleen het grote embleem van het Rode Kruis aan de zijkant – zodat ze niet voor militaire bussen konden worden aangezien en gebombardeerd zouden worden. We hoopten van harte een van deze bussen in de verte te zien, maar we wachtten en wachtten. Uiteindelijk begonnen we te twijfelen of het wel echt zou gebeuren.
Echt vrij
Terwijl we daar stonden te wachten, praatten we met de Zweed; we vertelden hem over het leven in het kamp. Op de een of andere manier was het allemaal zo opmerkelijk dat het niet in ons opkwam te gaan zitten; urenlang stonden we daar. Hij gaf ons chocola en sigaretten, de eerste die we sinds onze gevangenschap hadden gerookt. Nadat hij er eentje voor me had aangestoken stelde ik hem vragen over wat er in de rest van Europa gaande was. Plotseling schreeuwde mijn Aufseherin, die uit het raam van haar slaapvertrek leunde terwijl ze haar lange zwarte laarzen poetste: ‘Nicht rauchen, Marga!’
De Zweed zei: ‘Luister niet naar haar. Ze kan je niets meer verbieden.’
Op dat moment wist ik dat we echt vrij waren.
Toen de avond viel waren de bussen nog steeds niet aangekomen en stelde de Zweed voor dat we terug naar het basiskamp gingen om te slapen. Dat was een vreselijk idee. We wilden geen voet meer zetten op die plek. Ik was doodsbang dat onze vrijheid een illusie zou blijken en we alsnog gevangengenomen zouden worden. We vertelden hem dat we gewend waren hele nachten van twaalf uur door te werken zonder veel slaap, en dat we buiten wilden blijven in deze prachtige lentenacht met de glinsterende maan. Het verbaasde de Zweed dat we het niet erg vonden buiten te blijven en de hele nacht te staan.
We lachten om zijn naïviteit; hij begreep niet wat we hadden doorgemaakt en hoe het leven in het kamp was. Ik denk dat hij onze verhalen niet geloofde. Ze waren te gruwelijk voor een normaal mens. Er waren Rode Kruismedewerkers in het kamp geweest, maar die hadden alleen de barakken gezien van de bevoorrechte gevangenen – voornamelijk Duitse en Oostenrijkse die in de huizen en kantoren van de SS’ers werkten. Zij mochten elke week douchen en kregen schone kleren omdat de SS’ers bang waren voor luizen en ziektes. Uiteraard kreeg het Rode Kruis onze barakken niet te zien, noch de gaskamers of de huiveringwekkende strafbunker.
Een besluit
De meesten van ons bleven buiten wachten, behalve de vrouwen die ziek waren. Zij werden door de verpleegkundigen teruggebracht naar het basiskamp, met de belofte dat ze de volgende dag zouden worden opgehaald. Voor de rest van ons vloog de nacht voorbij. We praatten over van alles en nog wat. We waren al blij daar gewoon te kunnen staan. Gelukkig regende het niet; het was een mooie aprilnacht, en we genoten van de frisse lucht en de geur van de lente. Sommige vrouwen zaten op de muur, maar de meeste stonden te kletsen.

Terwijl we zo praatten namen we samen het besluit om na de oorlog niet te vertellen over onze huiveringwekkende ervaringen, maar juist vooruit te kijken, om onze levens en maatschappijen weer op te bouwen. Natuurlijk werden onze verhalen uiteindelijk wel verteld – en terecht –, maar voor ons allemaal gold dat het ons belangrijkste doel was terug te keren naar een positief leven en geen minuut van onze tijd te verdoen. Er was al te veel van ons weggenomen. We moesten blijven vasthouden wat er te redden viel en we waren vastbesloten dat de rest van ons leven niet gedefinieerd zou worden door de ijzingwekkende dingen die we hadden gezien en doorstaan.
‘Het witte bussenplan’ – Een van de grootste reddingsacties van de oorlog
Van de Ravenbrug naar de Eksterberg: redding met de Witte Bussen
Ravensbrück: het grootste vrouwenkamp van nazi-Duitsland
Ravensbrück door de ogen van gevangenen en overlevenden
Trien de Haan, een revolutionair-socialiste in Ravensbrück