Van de Ravenbrug naar de Eksterberg: redding met de Witte Bussen

5 minuten leestijd
Detail van de feestrok van verzetsvrouw Mies Boissevain, gemaakt na de bevrijding, een initiatief om te herinneren: ‘Vlecht in Uw rok het patroon van Uw leven’.
Detail van de feestrok van verzetsvrouw Mies Boissevain, gemaakt na de bevrijding, een initiatief om te herinneren: ‘Vlecht in Uw rok het patroon van Uw leven’. (Verzetsmuseum Amsterdam - beeldbankwo2)

Mies Boissevain maakt na de bevrijding een feestrok met allerlei lapjes die haar aan gebeurtenissen uit de oorlog doen denken. Een van deze gebeurtenissen is de redding van een groep Nederlandse vrouwen uit Kamp Ravensbrück op 24 en 25 april 1945 door het Zweedse en Deense Rode Kruis.

Portret van Mies Boissevain
Portret van Mies Boissevain (Oorlogsbronnen – Verzetsmuseum Amsterdam)
De Amsterdamse feministe Mies Boissevain is een centraal figuur binnen verzetsgroep CS-6, net als haar echtgenoot Jan en zoons Jan Karel, Gideon en Frans. Hun huis aan de Corellistraat 6 is de uitvalsbasis voor de verzetsgroep. Nadat de groep in augustus 1943 wordt verraden komt Mies samen met zoon Frans in Kamp Vught terecht, waar haar eerder opgepakte echtgenoot Jan ook gevangen zit.

Mammie Boissevain

Mies zit bijna een jaar gevangen in Kamp Vught, waar ze onder andere in het ziekenhuis werkt en bekend staat als zuster “Mammie”. Met de nadering van de geallieerden wordt Kamp Vught ontruimd. Op 6 september 1944 zijn 651 vrouwen op de trein gezet naar Ravensbrück. De mannen gaan naar Sachsenhausen. Zoons Jan Karel en Gideon zijn ondertussen ter dood veroordeeld en worden op 1 oktober 1943 gefusilleerd in de duinen van Overveen.

“Met ongebroken geest, hun taak volbracht
zijn zij gesneuveld, voor hun ideaal.
Geloof en Hoop gaven hun kracht
om vol te houden tot de laatste maal…

Toen, doodgeschoten en verbrand.
Bleef er geen stofje voor ons achter.
Als asch verspreid door ’t gansche land,
Rusten zij veiliger en zachter.”

Gedicht gemaakt door Jan Boissevain over de dood van zoons Jan en Gideon

Vader Jan en moeder Mies met zonen Jan, Gideon en Frans.
Vader Jan en moeder Mies met zonen Jan, Gideon en Frans. (Oorlogsbronnen – Verzetsmuseum Amsterdam)

Redding

Na ontruiming van kampen in West- en Oost-Europa zijn de overgebleven kampen overvol en is er weinig eten. Dit maakt hulp van het Rode Kruis hard nodig. Het Zweedse Rode Kruis onder leiding van Folke Bernadotte rijdt aan het eind van de oorlog met witte bussen naar verschillende kampen in Duitsland om Zweedse, Noorse en Deense gevangenen op te halen. De Noorse en Deense vrouwen die op 8 maart 1945 uit Ravensbrück bevrijd worden geven namen door van vrouwen die zij kennen, veelal vrouwen die al in 1942 en 1943 in het kamp gevangen zitten.

Oorlogsbron: Bekijk de Nederlandse vrouwen die gered zijn met de witte bussen

Buchenwald-kaart van Jan Boissevain
Buchenwald-kaart van Jan Boissevain (Arolsen Archives)

Brits bombardement

De vrachtauto’s en ambulances, in sommige herinneringen bussen, vertrekken op 24 en 25 april met de vrouwen vanuit Ravensbrück. Ze rijden in colonne en op 25 april krijgt het konvooi in de buurt van Schwerin meermaals een Brits bombardement te verduren waarbij verschillende net bevrijde vrouwen omkomen. De volgende dag is er opnieuw een bombardement op het konvooi bij Plön. Een aantal doden is nog steeds onbekend, Lies Rood is nog niet geïdentificeerd en twee Duitse communistes worden meegesmokkeld onder de naam van twee Nederlandse vrouwen die recent gestorven zijn, Adriana Dekker en Nicoline HofmanSwijgman. Ook verschillende Deense en Zweedse vrijwilligers komen om het leven.

Oorlogsbron: Bekijk hier de Nederlandse vrouwen die om het leven komen

“En dan opeens in de verte een klein wagentje met een rood kruis erop: gejuich! Toen de officier uitstapte was er een golf van opluchting. Nog nooit is met zulk verwachting naar een man uitgekeken als op dat ogenblik. Terwijl de Aufseherinnen hun bevelen schreeuwden, kwam de Zweedse officier en vertelde de vrouwen: U bent vrij!”

Selma van der Perre-Velleman | Mijn naam is Selma. Amsterdam: Thomas Rap, 2020, p. 197

Narcissen

Het Rode Kruistransport komt uiteindelijk na twee vermoeiende dagen aan in Padborg, Denemarken, waar een quarantainestation is. Vandaar gaan de vrouwen met de trein naar Zweden waar ze na een korte bootreis aankomen in Malmö. Van de aankomst op 28 april 1945 zijn filmbeelden. Ans van Velzen wordt met narcissen onthaald omdat het haar verjaardag is. Ook Trien Zwagerman-de Haan is in de film herkend.

https://vimeo.com/129529857

“We werden naar Denemarken gereden, waar lieve vrouwen op ons wachtten met een overheerlijk maal. We waren uitgeput, maar zo blij dat we leefden, vooral toen we hoorden dat er dertien vrouwen door de bommen waren omgekomen. Het eten was verrukkelijk.”

Selma van der Perre-Velleman | Mijn naam is Selma. Amsterdam: Thomas Rap, 2020, p. 197

Witte bussen van het Rode Kruis in Denemarken
Witte bussen van het Rode Kruis in Denemarken (Wikimedia Commons | National Museum of Denmark)

Joodse vrouwen

In Kamp Ravensbrück hebben vrouwen om verschillende redenen gevangen gezeten. De Joodse vrouwen die vanwege hun afkomst gevangen zitten zijn afkomstig uit Scheveningen, in 1942, en Westerbork, in 1944. Dit waren Joodse vrouwen met een Hongaarse of Roemeense nationaliteit en hun kinderen. Ook komen er eind 1944 en in 1945 Joodse vrouwen vanuit Auschwitz of Bergen-Belsen naar Kamp Ravensbrück. Daarnaast verblijven er vrouwen van Joodse afkomst die hun identiteit verborgen konden houden, zoals Selma Velleman. Zij is opgepakt als verzetsstrijder, met een vals paspoort op naam van Margaretha van der Kuit. Pas bij aankomst in Zweden durft ze haar echte naam door te geven en haar Joodse identiteit te onthullen.

Van de Ravenbrug naar de Eksterheuvel

Vrouwelijke gevangenen in Ravensbrück met een wit kruis op de rug, geselecteerd voor vervoer naar Neuengamme (Rode Kruis Zweden)
Vrouwelijke gevangenen in Ravensbrück met een wit kruis op de rug, geselecteerd voor vervoer naar Neuengamme (Rode Kruis Zweden)
De vrouwen worden in Malmö ondergebracht in het museum en later in Skatås, een klein herstellingsoord bij Göteborg. Ze wonen met zestien vrouwen in een Stuga, krijgen zakgeld en worden door Zweedse vrijwilligsters, de Lotta’s, verwend.

Daar kunnen ze bijkomen van hun gevangenschap en uiteindelijk keren de meesten weer naar Nederland terug, met het vliegtuig of met de boot. Het verblijf in Skatås ontlokte de uitspraak van de Ravenbrug (het kamp) naar de Eksterheuvel (Skata betekent ekster in het Zweeds).

Picknick bij herstellingskamp Scatos in Göteborg van vrouwen uit Kamp Ravensbrück.
Picknick bij herstellingskamp Scatos in Göteborg van vrouwen uit Kamp Ravensbrück. (Oorlogsbronnen – Verzetsmuseum Amsterdam)

Thuiskomst

Mies keert terug naar Nederland en arriveert op 29 juli 1945. Ook zoon Frans vindt vanuit Dachau, via Parijs, de weg terug naar Nederland, hij arriveert een dag later. Van het gezin Boissevain zijn zij de enigen die terugkeren naar Amsterdam. Zoons Jan Karel en Gideon zijn op 1 oktober 1943 gefusilleerd en vader Jan komt op 30 januari 1945 om het leven in Buchenwald.

~ Adrienne BaarsNetwerk Oorlogsbronnen

Meer bijdragen uit deze rubriek

De bewoonsters van stuga 3, tijdens hun verblijf in het Zweedse herstellingsoord Skatås
De bewoonsters van stuga 3, tijdens hun verblijf in het Zweedse herstellingsoord Skatås (Nationaal Monument Kamp Vught)