Honderdtachtig jaar geleden kwam een grote groep arme migranten uit Nederland in Voorzorg aan, een voormalige plantage aan de Saramaccarivier vlakbij het Surinaamse Groningen. Ze hoopten op een beter leven. Het migratieproject van 1845 werd aanvankelijk een drama. Maar de meeste nakomelingen hebben het nu goed en zijn blij dat hun voorouders de overtocht naar Suriname maakten.
Migratie is van alle tijden en alle landen. Nederlanders zoeken zelf ook naar betere plekken op aarde als ze het slecht hebben. Omstreeks 1845 waagden zo’n vierhonderd arme Nederlanders de oversteek naar Suriname in de hoop op een beter leven. Initiatiefnemer was de Nederlands Hervormde dominee Arend van den Brandhof uit het Utrechtse Elst.

Slechte voorbereiding
Maar het plan was slecht voorbereid. De arme Nederlanders was van alles beloofd, een boerderij, een stuk land en vee. Maar toen ze aankwamen zagen ze dat er niets geregeld was. Ze belandden in een moeras met een stuk of wat plaggenhutten. Alles viel in duigen toen binnen enkele maanden na aankomst een dysenterie-epidemie uitbrak met rampzalige gevolgen. Ongeveer de helft van de vierhonderd migranten overleefde het niet.

De overgebleven migranten verlieten vanaf 1853 één voor één Voorzorg en Groningen. Ze kregen land aan de rand van Paramaribo, in Uitvlugt en Kwatta. Daar gingen ze grond ontginnen, huizen bouwen en alsnog boeren. Ze werden in Suriname al snel Boeroes genoemd. Ze bleven er tot de jaren zestig van de vorige eeuw. In die periode wilde Paramaribo uitbreiden en had de stad grond nodig.
De boeren verkavelden hun grond en verkochten die voor een goede prijs. Het heeft hen geen windeieren gelegd. Velen trokken daarna naar plattelandsgebieden zoals Saramacca, Wanica en Reeberg om nieuwe boerenbedrijven op te zetten. De nakomelingen vormen vanwege hun kleine aantal een vergeten groep in zowel Nederland als Suriname. Ze hebben niets te maken met kolonialisme of slavernij, zijn geen contractarbeiders en zéker geen Bakra’s – witte Nederlanders. Ze vallen overal buiten. Niet veel mensen kennen hun bijzondere geschiedenis.

Portretten van Boeroes
De Surinaamse amateurfotograaf Julius Muller maakte omstreeks 1900 prachtige familieportretten van Boeroes-families voor hun huis. Hij wilde trotse Boeroes in beeld brengen die na veel tegenslagen met hard werken een zekere mate van welstand hadden bereikt. Deze serie inspireerde mij om, 125 jaar later, de huidige generatie Boeroes op te zoeken en opnieuw familieportretten te maken.

Tot 1950 trouwden Boeroes binnen hun eigen, kleine gemeenschap. Ze werden lange tijd ‘witte Surinamers’ genoemd. Dat is goed te zien op de foto’s van Julius Muller. Maar langzamerhand was bijna iedereen oom en tante of neef en nicht van elkaar. Het was verstandiger om verder te kijken als je wilde trouwen, naar bijvoorbeeld de Javaanse, Hindoestaanse of Creoolse gemeenschap. De ‘witte Surinamers’ zijn tegenwoordig niet zo wit meer en voelen zich steeds minder Boeroe. Geen enkele andere bevolkingsgroep in Suriname lijkt meer geïntegreerd.
In Suriname leven ongeveer duizend nakomelingen van Boeroes en in de rest van de wereld nog eens drieduizend. De inmiddels overleden historicus André Loor, de bekendste Boeroe aller tijden, bekeek de toekomst van de Boeroes in Suriname altijd positief. Of hij het jammer vond dat er steeds minder Boeroes waren, vroeg een journalist eens aan hem. ‘Zo moet je dat niet zien’, glimlachte hij. ‘Er komen er juist steeds meer bij. Alleen: je herkent ze niet meer.’

Boeroes, heimwee van een witte Surinamer
De onbedoelde Surinaamse samenleving
De dominee en de Boeroes
Import-Indiërs
Carel Paulus Rier, een vroege voorloper van Martin Luther King in koloniaal Suriname
Marten Douwes Teenstra, een Groningse Multatuli