Kathleen Ferrier
Kathleen Ferrier was erbij, die avond van de 25e november 1975 in het stadion van Paramaribo. Een onvergetelijk moment, zegt ze dromerig. ‘Dat je om twaalf uur ’s nachts de oude Surinaamse vlag en de Nederlandse vlag naar beneden ziet gaan. En dat vervolgens die nieuwe vlag met de gele ster in het midden gehesen wordt. Om die nieuwe vlag met de gele ster – die de verschillende bevolkingsgroepen van Suriname symboliseert – naar boven te zien gaan, dat was zó emotioneel. Ook voor ons persoonlijk, omdat we wisten hoezeer mijn vader gestreefd heeft naar het zichtbaar maken van de kracht en de eigenheid van Suriname.’
Kathleen Ferrier (1957) was lang actief in de Nederlandse politiek. Tien jaar lang was ze Kamerlid voor het CDA. Ze werd geboren in Paramaribo, in 1957.
Surinamers vragen altijd: wie is je vader, en wie is je moeder? Een belangrijke vraag, omdat je daarmee onderzoekt: wat is je herkomst? Waar kom je vandaan? Wat is jouw verhaal? De wortels van Surinamers liggen namelijk verspreid over de hele wereld.

Haar moeder heette Edmé Celia Vas. Ze omschrijft haar als ‘een toegewijde lerares met oog voor de zelfstandigheid van meisjes’. Terwijl ze over haar vertelt begint ze te stralen. ‘Logisch, want ik ben heel trots op mijn moeder.’ Op haar vader Johan Henri Eliza Ferrier is ze net zo trots, benadrukt ze.
‘Hij was de laatste gouverneur en de eerste president van Suriname. Een unicum in de wereld. Mijn beide ouders hadden een groot geloof in de emanciperende kracht van onderwijs en in het eigen kunnen van Surinamers.’
Ze spreekt nog in de tegenwoordige tijd over hen, ook al zijn ze allebei al geruime tijd dood. ‘Ik kan niet anders. Ze zijn nog zo enorm aanwezig in mijn leven.’

Het was een uitgesproken warm gezin waarin ze opgroeide. Thuis waren er twee kinderen. Verder had haar vader nog zes kinderen uit een eerder huwelijk, waaronder Ferriers halfzuster Cynthia McLeod. Kathleen was de jongste van allemaal. Ze was één jaar toen het gezin vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. Haar vader bracht haar in Den Haag als jong meisje regelmatig naar de kleuterschool. ‘Dan was hij de enige man en ook de enige zwarte op het schoolplein. Ik weet nog dat ik aan hem vroeg: ‘Kan mama ons niet halen?’ En dat hij toen antwoordde: ‘Nee, waarom? Ik kan jullie toch ook halen? Jullie moeder heeft ook andere bezigheden.’ Dat was heel kenmerkend voor hoe er in ons gezin gedacht werd: zorgtaken dienden uitdrukkelijk verdeeld te worden tussen beide ouders.’
Toen ze opgroeide in de jaren zestig had ze nauwelijks een beeld van haar geboorteland. In haar ogen was Suriname vooral een zielig land met veel arme kinderen die geen kleren hadden om aan te trekken. ‘Maar mijn ouders zeiden: “Zo ís Suriname helemaal niet. Het is juist een heel bijzonder, krachtig land. En Surinamers zijn beslist geen zielige mensen. Het zijn mensen die heel goed voor zichzelf op kunnen komen.”

Dus toen zich een gelegenheid voordeed – ik denk dat ik toen een jaar of zes was – zijn we naar Suriname gegaan. We ontmoetten mijn grootouders en de rest van de familie, maakten kennis met het leven buiten waar we met neefjes en nichtjes op straat speelden. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt. Zo klein als ik was raakte ik bevangen door de schoonheid van het land, door de warmte en de saamhorigheid van de mensen en van de overweldigende aanwezigheid van de natuur. Ik voelde: hier hoor ik thuis. Toen zich daarna de mogelijkheid voordeed dat mijn vader directeur zou worden van de Billiton Bauxiet Maatschappij hebben mijn ouders die kans met beide handen aangegrepen en zijn we weer in Suriname gaan wonen.’

Wij vroegen aan de chauffeur: “Wat is er aan de hand?” Hij vertelde dat de nieuwe gouverneur die dag zijn intrede deed. Dat bleek dus over onze vader te gaan! Wij hadden als kinderen totaal niet door dat dat zo’n grote gebeurtenis was.
En al woonden ze sinds die dag dan in een paleis, ze moesten gewoon zelf hun kamer opruimen. ‘We hadden elk onze eigen huishoudelijke taak. Mijn ouders zeiden: het doet er niet toe waar je woont, hoe je eruitziet, of wat je aanhebt. Het gaat om welke keuzes jij als mens maakt. We leidden een normaal leven. Iedere dag naar school, huiswerk maken. En als het huiswerk af was speelden we met neefjes, nichtjes, vrienden en vriendinnen in de grote tuin, en renden we door het paleis. Verder was ons leven heel gewoon.’ Al hadden ze soms wel bijzondere logés over de vloer; prinses Beatrix kwam er logeren met prins Claus.

‘Ik herinner mij de gesprekken die onze ouders voerden met prinses Beatrix en prins Claus. Die gingen vaak over wat je vandaag de dag internationale samenwerking zou noemen; over het belang van gelijkwaardigheid en van het maken van je eigen keuzes. Ik herinner me dat ik mij als meisje – ik was misschien een jaar of twaalf, dertien – muisstil hield tijdens die gesprekken om niet naar bed gestuurd te worden. De visie die Claus later uitdroeg op ontwikkelingssamenwerking was toen al zeer duidelijk merkbaar.’
‘Ik ben opgegroeid met het besef dat Suriname een rijk gezegend land is. Een plek met extreme rijkdom in de bodem, een land waar alles bijna vanzelf groeit. Met dat prachtige oerwoud krijg je het respect voor de natuur met de paplepel ingegoten. Suriname is tot op de dag van vandaag een van de groenste landen ter wereld. Maar je voelt ook in de bevolking de kracht van alle continenten. Het is geen toeval dat ik zelf Spaans en Portugees ben gaan studeren omdat mijn ouders zeiden: we moeten niet altijd maar naar Europa kijken. Europa is ver weg. Suriname heeft een heel bijzondere positie; behorend tot het vasteland van Latijns-Amerika en tegelijkertijd deel uitmakend van het Caraïbisch gebied. Wij zijn niet afhankelijk van Europa of van Nederland.
(…)
Suriname is bij uitstek een multiculturele samenleving. ‘Op weinig plekken in de wereld wonen zoveel verschillende etniciteiten en religies bij elkaar als in Suriname. Die enorme multiculturele samenstelling van de bevolking is een van onze unique selling points. Toen ik als Kamerlid bij de VN kwam en vertelde dat mijn wortels in Suriname liggen, zag ik regelmatig dat allerlei ogen begonnen te stralen. Dan zei men:
“Ah, Suriname… dat is het land waar hindoes hun kinderen naar een christelijke school sturen en moslims hun kinderen naar de hindoeschool.”

De enige plek op de wereld waar een synagoge en een moskee op één terrein staan. En waar de bezoekers van de synagoge en de moskee ook nog eens heel vriendschappelijk en gebroederlijk met elkaar omgaan.’ Daar is een heldere verklaring voor, denkt Ferrier. Suriname was eeuwenlang een plantage-economie. ‘De plantage-eigenaren bepaalden alles, tot het moment dat de slavernij werd afgeschaft. Daarna kwamen de contractarbeiders uit India, uit Indonesië, uit China, uit het Midden-Oosten. Al die mensen kwamen vanwege de plantages naar Suriname. Toen er op een gegeven moment geen winst meer te behalen was, vertrokken de plantage-eigenaren. Alle mensen die daarnaartoe gekomen waren, bleven achter, keken elkaar aan en bedachten: willen wij verder komen, dan zullen we het sámen moeten doen en over onze eigen schaduw heen moeten springen. Eigenlijk een enorm voorbeeld voor de rest van de wereld. Ontstaan vanuit gezond verstand. Want wil je verder komen, dan heb je elkaar nodig.’

In de Surinaamse cultuur is het gebruikelijk dat de connectie met de voorouders wordt benadrukt. Het is belangrijk om je er bewust van te zijn dat je in een lange lijn van generaties staat. ‘Dat geeft jou ook een grote verantwoordelijkheid voor de overweldigende natuur. Je bent als mens maar een passant en je moet dus goed voor de planeet zorgen, voor de generaties die na jou komen. Omgekeerd ben je je voortdurend bewust van de aanwezigheid van de voorouders in jouw leven. Amsterdam was de eerste stad die zijn excuses aanbood voor de slavernij. Ik weet nog goed dat we daar op Keti Koti op stoeltjes zaten bij het Slavernijmonument in het Oosterpark. Het was doodstil. Maar precies op het moment dat burgemeester Halsema die excuses uitsprak begonnen alle vogels in het Oosterpark te zingen. Wij keken elkaar aan en zeiden: “De voorouders zijn tevreden.” Het voelde duidelijk als een teken dat zij erbij waren.’
De herinnering aan dat moment ontroert haar. ‘Het was zo prachtig en bijzonder. Het is niet voor niks dat wintipriester Marian Markelo altijd een plengoffer brengt bij zo’n bijeenkomst. Bij al onze belangrijke gebeurtenissen danken wij Moeder Aarde dat ze ons draagt en vragen we de voorouders om erbij aanwezig te zijn.’

Onafhankelijkheidsverklaring van Suriname, 1975
Onafhankelijk Suriname behield koloniale symbolen in staatswapen
Een zesjarige contractarbeidster in Suriname
De dominee en de Boeroes