‘Ik was erbij, de 25e november 1975 in het stadion van Paramaribo’

Suriname – Vijftig jaar tussen zorg en hoop
9 minuten leestijd
Onafhankelijkheid van Suriname, plechtigheden in het stadion van Paramaribo op 25 november 1975 – v.l.n.r. Henck Arron, prinses Beatrix en Johan Ferrier
Onafhankelijkheid van Suriname, plechtigheden in het stadion van Paramaribo op 25 november 1975 – v.l.n.r. Henck Arron, prinses Beatrix en Johan Ferrier (CC0 - Bert Verhoef - Anefo)
Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. In het kader hiervan verscheen onlangs bij Alfabet uitgevers het boek Suriname. Vijftig jaar tussen zorg en hoop. Hierin gaat documentairemaker en journalist Coen Verbraak in gesprek met markante stemmen over de bewogen geschiedenis en de identiteit van de jonge natie. Aan de hand van persoonlijke verhalen van onder anderen Kathleen Ferrier, Jörgen Raymann en Humberto Tan vertelt hij over de roerige decennia die de republiek heeft doorgemaakt sinds de onafhankelijkheid in 1975. Op Historiek plaatsen we een deel van zijn gesprek met Kathleen Ferrier, over haar herinneringen en haar vader Johan Ferrier, de eerste president van Suriname.

Kathleen Ferrier

Kathleen Ferrier was erbij, die avond van de 25e november 1975 in het stadion van Paramaribo. Een onvergetelijk moment, zegt ze dromerig. ‘Dat je om twaalf uur ’s nachts de oude Surinaamse vlag en de Nederlandse vlag naar beneden ziet gaan. En dat vervolgens die nieuwe vlag met de gele ster in het midden gehesen wordt. Om die nieuwe vlag met de gele ster – die de verschillende bevolkingsgroepen van Suriname symboliseert – naar boven te zien gaan, dat was zó emotioneel. Ook voor ons persoonlijk, omdat we wisten hoezeer mijn vader gestreefd heeft naar het zichtbaar maken van de kracht en de eigenheid van Suriname.’

Kathleen Ferrier (1957) was lang actief in de Nederlandse politiek. Tien jaar lang was ze Kamerlid voor het CDA. Ze werd geboren in Paramaribo, in 1957.

Surinamers vragen altijd: wie is je vader, en wie is je moeder? Een belangrijke vraag, omdat je daarmee onderzoekt: wat is je herkomst? Waar kom je vandaan? Wat is jouw verhaal? De wortels van Surinamers liggen namelijk verspreid over de hele wereld.

Vlagwisseling in het stadion van Paramaribo, 1975
Vlagwisseling in het stadion van Paramaribo, 1975 (CC0 – Bert Verhoeff / Anefo – wiki)

Haar moeder heette Edmé Celia Vas. Ze omschrijft haar als ‘een toegewijde lerares met oog voor de zelfstandigheid van meisjes’. Terwijl ze over haar vertelt begint ze te stralen. ‘Logisch, want ik ben heel trots op mijn moeder.’ Op haar vader Johan Henri Eliza Ferrier is ze net zo trots, benadrukt ze.

‘Hij was de laatste gouverneur en de eerste president van Suriname. Een unicum in de wereld. Mijn beide ouders hadden een groot geloof in de emanciperende kracht van onderwijs en in het eigen kunnen van Surinamers.’

Ze spreekt nog in de tegenwoordige tijd over hen, ook al zijn ze allebei al geruime tijd dood. ‘Ik kan niet anders. Ze zijn nog zo enorm aanwezig in mijn leven.’

Surinamers op een vrachtauto vieren de Surinaamse onafhankelijkheid, november 1975
Surinamers op een vrachtauto vieren de Surinaamse onafhankelijkheid, november 1975 (CC0 – Bert Verhoeff / Anefo – wiki)

Het was een uitgesproken warm gezin waarin ze opgroeide. Thuis waren er twee kinderen. Verder had haar vader nog zes kinderen uit een eerder huwelijk, waaronder Ferriers halfzuster Cynthia McLeod. Kathleen was de jongste van allemaal. Ze was één jaar toen het gezin vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. Haar vader bracht haar in Den Haag als jong meisje regelmatig naar de kleuterschool. ‘Dan was hij de enige man en ook de enige zwarte op het schoolplein. Ik weet nog dat ik aan hem vroeg: ‘Kan mama ons niet halen?’ En dat hij toen antwoordde: ‘Nee, waarom? Ik kan jullie toch ook halen? Jullie moeder heeft ook andere bezigheden.’ Dat was heel kenmerkend voor hoe er in ons gezin gedacht werd: zorgtaken dienden uitdrukkelijk verdeeld te worden tussen beide ouders.’

Toen ze opgroeide in de jaren zestig had ze nauwelijks een beeld van haar geboorteland. In haar ogen was Suriname vooral een zielig land met veel arme kinderen die geen kleren hadden om aan te trekken. ‘Maar mijn ouders zeiden: “Zo ís Suriname helemaal niet. Het is juist een heel bijzonder, krachtig land. En Surinamers zijn beslist geen zielige mensen. Het zijn mensen die heel goed voor zichzelf op kunnen komen.”

Koningin Juliana ondertekent de overeenkomst ter erkenning van de Republiek Suriname, in aanwezigheid van Minister van Justitie Dries van Agt.
Koningin Juliana ondertekent de overeenkomst ter erkenning van de Republiek Suriname, in aanwezigheid van Minister van Justitie Dries van Agt. (CC0 – Rob Kroes, Anefo)

Dus toen zich een gelegenheid voordeed – ik denk dat ik toen een jaar of zes was – zijn we naar Suriname gegaan. We ontmoetten mijn grootouders en de rest van de familie, maakten kennis met het leven buiten waar we met neefjes en nichtjes op straat speelden. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt. Zo klein als ik was raakte ik bevangen door de schoonheid van het land, door de warmte en de saamhorigheid van de mensen en van de overweldigende aanwezigheid van de natuur. Ik voelde: hier hoor ik thuis. Toen zich daarna de mogelijkheid voordeed dat mijn vader directeur zou worden van de Billiton Bauxiet Maatschappij hebben mijn ouders die kans met beide handen aangegrepen en zijn we weer in Suriname gaan wonen.’

Johan Ferrier in 1975 (cc - Verhoeff, Bert / Anefo)
Johan Ferrier in 1975 (CC0 – Bert Verhoeff / Anefo)
Johan Ferrier was in 1946 een van de oprichters van de Nationale Partij Suriname. Van 1946 tot 1948 was hij lid van de Staten van Suriname, en in de jaren vijftig was hij zelfs drie jaar premier en minister van Binnenlandse Zaken. In 1968 werd hij gouverneur van Suriname, de vertegenwoordiger van het Nederlands staatshoofd in de kolonie. Een gebeurtenis waarvan het gewicht Kathleen als meisje van elf goeddeels ontging. Ze weet nog hoe ze die dag samen met haar zusje Joan door een auto werd opgehaald en naar het presidentieel paleis werd gereden. Vanuit de auto zagen ze dat het feest was in de stad en dat de mensen overal uitliepen.

Wij vroegen aan de chauffeur: “Wat is er aan de hand?” Hij vertelde dat de nieuwe gouverneur die dag zijn intrede deed. Dat bleek dus over onze vader te gaan! Wij hadden als kinderen totaal niet door dat dat zo’n grote gebeurtenis was.

En al woonden ze sinds die dag dan in een paleis, ze moesten gewoon zelf hun kamer opruimen. ‘We hadden elk onze eigen huishoudelijke taak. Mijn ouders zeiden: het doet er niet toe waar je woont, hoe je eruitziet, of wat je aanhebt. Het gaat om welke keuzes jij als mens maakt. We leidden een normaal leven. Iedere dag naar school, huiswerk maken. En als het huiswerk af was speelden we met neefjes, nichtjes, vrienden en vriendinnen in de grote tuin, en renden we door het paleis. Verder was ons leven heel gewoon.’ Al hadden ze soms wel bijzondere logés over de vloer; prinses Beatrix kwam er logeren met prins Claus.

Staatsbal in Torarica, waar prins Claus danst met mevrouw Arron, 25 november 1975
Staatsbal in Torarica, waar prins Claus danst met mevrouw Arron, 25 november 1975 (CC0 – Bert Verhoef – Anefo)

‘Ik herinner mij de gesprekken die onze ouders voerden met prinses Beatrix en prins Claus. Die gingen vaak over wat je vandaag de dag internationale samenwerking zou noemen; over het belang van gelijkwaardigheid en van het maken van je eigen keuzes. Ik herinner me dat ik mij als meisje – ik was misschien een jaar of twaalf, dertien – muisstil hield tijdens die gesprekken om niet naar bed gestuurd te worden. De visie die Claus later uitdroeg op ontwikkelingssamenwerking was toen al zeer duidelijk merkbaar.’

‘Ik ben opgegroeid met het besef dat Suriname een rijk gezegend land is. Een plek met extreme rijkdom in de bodem, een land waar alles bijna vanzelf groeit. Met dat prachtige oerwoud krijg je het respect voor de natuur met de paplepel ingegoten. Suriname is tot op de dag van vandaag een van de groenste landen ter wereld. Maar je voelt ook in de bevolking de kracht van alle continenten. Het is geen toeval dat ik zelf Spaans en Portugees ben gaan studeren omdat mijn ouders zeiden: we moeten niet altijd maar naar Europa kijken. Europa is ver weg. Suriname heeft een heel bijzondere positie; behorend tot het vasteland van Latijns-Amerika en tegelijkertijd deel uitmakend van het Caraïbisch gebied. Wij zijn niet afhankelijk van Europa of van Nederland.

(…)

Suriname is bij uitstek een multiculturele samenleving. ‘Op weinig plekken in de wereld wonen zoveel verschillende etniciteiten en religies bij elkaar als in Suriname. Die enorme multiculturele samenstelling van de bevolking is een van onze unique selling points. Toen ik als Kamerlid bij de VN kwam en vertelde dat mijn wortels in Suriname liggen, zag ik regelmatig dat allerlei ogen begonnen te stralen. Dan zei men:

“Ah, Suriname… dat is het land waar hindoes hun kinderen naar een christelijke school sturen en moslims hun kinderen naar de hindoeschool.”

Staatsbezoek Surinaamse preident, v.l.n.r. Beatrix, mevr. Ferrier, Ferrier, achter hen dochters Joan, Kathleen en Cynthia (14 september 1977)
Staatsbezoek van de Surinaamse president aan Nederland. V.l.n.r. Beatrix, mevrouw Ferrier, Johan Ferrier, achter hen dochters Joan, Kathleen en Cynthia – 14 september 1977 (CC0 – Bert Verhoeff / Anefo – wiki)

De enige plek op de wereld waar een synagoge en een moskee op één terrein staan. En waar de bezoekers van de synagoge en de moskee ook nog eens heel vriendschappelijk en gebroederlijk met elkaar omgaan.’ Daar is een heldere verklaring voor, denkt Ferrier. Suriname was eeuwenlang een plantage-economie. ‘De plantage-eigenaren bepaalden alles, tot het moment dat de slavernij werd afgeschaft. Daarna kwamen de contractarbeiders uit India, uit Indonesië, uit China, uit het Midden-Oosten. Al die mensen kwamen vanwege de plantages naar Suriname. Toen er op een gegeven moment geen winst meer te behalen was, vertrokken de plantage-eigenaren. Alle mensen die daarnaartoe gekomen waren, bleven achter, keken elkaar aan en bedachten: willen wij verder komen, dan zullen we het sámen moeten doen en over onze eigen schaduw heen moeten springen. Eigenlijk een enorm voorbeeld voor de rest van de wereld. Ontstaan vanuit gezond verstand. Want wil je verder komen, dan heb je elkaar nodig.’

Een plantage in Suriname
Een plantage in Suriname, ca. 1860. Gerard Voorduin, ‘Gezigten uit Neerland’s West-Indien’, 1860-1862, Rijksmuseum Amsterdam.

In de Surinaamse cultuur is het gebruikelijk dat de connectie met de voorouders wordt benadrukt. Het is belangrijk om je er bewust van te zijn dat je in een lange lijn van generaties staat. ‘Dat geeft jou ook een grote verantwoordelijkheid voor de overweldigende natuur. Je bent als mens maar een passant en je moet dus goed voor de planeet zorgen, voor de generaties die na jou komen. Omgekeerd ben je je voortdurend bewust van de aanwezigheid van de voorouders in jouw leven. Amsterdam was de eerste stad die zijn excuses aanbood voor de slavernij. Ik weet nog goed dat we daar op Keti Koti op stoeltjes zaten bij het Slavernijmonument in het Oosterpark. Het was doodstil. Maar precies op het moment dat burgemeester Halsema die excuses uitsprak begonnen alle vogels in het Oosterpark te zingen. Wij keken elkaar aan en zeiden: “De voorouders zijn tevreden.” Het voelde duidelijk als een teken dat zij erbij waren.’

De herinnering aan dat moment ontroert haar. ‘Het was zo prachtig en bijzonder. Het is niet voor niks dat wintipriester Marian Markelo altijd een plengoffer brengt bij zo’n bijeenkomst. Bij al onze belangrijke gebeurtenissen danken wij Moeder Aarde dat ze ons draagt en vragen we de voorouders om erbij aanwezig te zijn.’

Suriname -  Coen Verbraak
 
Haar vader Johan Ferrier was degene die Keti Koti in 1955, toen hij minister-president was, uitriep tot nationale feestdag. ‘Mijn beide ouders waren van huis uit onderwijzer. Je moest echt wel halfdood zijn voor je een dag niet naar school hoefde. Maar mijn zus Cynthia vertelde mij dat hij, toen ze op de basisschool zat, op een dag haar haar aan het vlechten was en zei: “Vandaag hoef je niet naar school. Er is namelijk iets veel belangrijkers. Het is vandaag 1 juli, en de padvinderij” – waar hij een van de leiders van was – “heeft een optocht voor alle schoolkinderen georganiseerd. Daar ga jij vandaag naartoe. En als de juffrouw morgen vraagt: Waarom was je niet op school?, dan zeg je: Juffrouw, ik had iets belangrijkers te doen. Namelijk het vieren van de afschaffing van de slavernij.”’ Keti Koti is voor Ferrier nog altijd een bijzondere dag. ‘Die dag staat voor de menswaardigheid van iedereen. Op Keti Koti staan we stil bij wat er gebeurt als je een ander mens zijn of haar menswaardigheid ontneemt. We vragen ons af hoe de slavernij heeft kunnen ontstaan, en hoe we vandaag omgaan met die kennis en ervaring uit het verleden. Wat geeft dat ons mee voor de manier waarop we vandaag de dag met elkaar omgaan?’

Lees meer over

SurinameZuid-Amerika

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×