De eerste zwarte arts van Suriname
‘In den donkeren en droevigen slaventijd van de kolonie Suriname, werd op den eersten Februari 1811, op een der plantages in een eenvoudige hut te midden van de smarten en bekommernissen des levens, uit slavenouders, afrikaansche ras geboren een welgeschapen wichtje, en wel een jongen,’ aldus een eerste biografie in 1908. Gravenberch kwam ter wereld op koffieplantage Nieuw Clarenbeek aan de rivier de Cottica. Hij kreeg de nogal wrange slavennaam ‘Winst’.

Als kind werd Winst uitverkoren om dresneger te worden. Het woord komt van het creoolse ‘dressen’, verzorgen, maar in het begrip weerklinkt ook de echo van de Afrikaanse ‘dresiman’ (medicijnman), die feilloos kruidenmengsels wist toe te passen voor allerhande kwalen. Volgens de overlevering zou Winst op zijn vijftiende naar Paramaribo zijn gegaan. Het ligt echter voor de hand dat hij eerst enkele jaren werd ondergebracht bij districtschirurgijn Johannes de Vries (1779-1832), die zijn praktijk had op Sommelsdijk. Winst was daardoor een van de weinige slaafgemaakten die kon ontsnappen aan de ijzeren greep van de plantage.
Bij de districtsheelmeester kregen toekomstige dresnegers enige scholing in de westerse geneeskunde. Ze leerden basale ingrepen zoals aderlaten, wondverzorging, purgaties (maag- en darmzuivering) en het spalken van eenvoudige botbreuken. De jongelingen kregen zo een vracht aan ervaring, maar ze werden ook ingezet als roeiers voor reguliere bezoeken van de arts aan de vele plantages in de omgeving. Na zijn stage verhuisde Winst naar Paramaribo, waar hij assistent werd van achtereenvolgens dokter Gottlieb August Steglich (1776-1838) en dokter George Cornelis Berch Gravenhorst (1812-1851). Al die tijd bleef hij eigendom van de plantage.

Een gekleurde elite
Winst arriveerde in Paramaribo in een van de spannendste tijdsgewrichten uit de geschiedenis van Suriname, uitstekend in kaart gebracht door Ellen Neslo in haar dissertatie Een ongekende elite. De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800-1863. In 1811 telde Suriname zo’n 55.000 inwoners (inheemsen en marrons niet meegerekend), waarvan 50.000 slaafgemaakten en slechts 5.000 vrije burgers. Opvallend genoeg bestond de meerderheid van deze vrije burgers toen al uit kleurlingen en zwarten, namelijk 3.000. Van de 2.000 witte burgers was het grootste gedeelte ‘israëlitisch’ (joods).
Naast wat Duitsers, Engelsen en Fransen telde men slechts 350 Nederlanders. Binnen de stedelijke burgerij bestonden er dus wel standsverschillen, maar die waren niet meer strikt geordend langs raciale lijnen. Hoewel racistische denkbeelden bleven bestaan, maakten ook gekleurde Surinamers carrière en nestelden zich in de (sub)top van de landelijke elite.

Gravenberch is een goed voorbeeld van deze gekleurde nieuwkomers in de Surinaamse elite. In 1842 kreeg hij zijn vrijheid (manumissie) en kon hij zijn slavennaam Winst verruilen voor een trotse, volledige naam: Adolf Fredrik Gravenberch. Die achternaam is een verhaspeling van ‘Berch Gravenhorst’ en daarmee tegelijk ook een ode aan zijn leermeester, dokter Berch Gravenhorst. En omdat Gravenberch een unieke naam is, zijn alle mensen ter wereld met die achternaam per definitie ook nazaten van stamvader Adolf.
Een eigen praktijk
Vanaf Adolfs manumissie kwamen de ontwikkelingen in een stroomversnelling. Allereerst kon hij sparen om in 1846 zijn vrouw en zes kinderen over te kopen en vrij te maken. Het is de vroegere biografen overigens ontgaan dat die kinderen afstammen van twee moeders. Daarna kocht hij een pand aan de toenmalige Wagenwegstraat B 167 (tegenwoordig J.F. Nassylaan 33) om een geneeskundige praktijk in te richten, een hospitaal.

Om een zelfstandig chirurgijn te worden, had Gravenberch echter formeel toestemming (admissie) nodig van het medisch college. Gravenberch diende daartoe een verzoek in, gesteund door de aanbevelingen van enkele collega-artsen en de medewerking van gouverneur Von Schmidt auf Altenstadt. Laatstgenoemde was onder de indruk van Gravenberchs kundigheid en adviseerde positief over de toestemming.
Het medisch college vond echter dat iemand zonder theoretische opleiding niet kon worden toegelaten en legde het advies van de gouverneur naast zich neer. Daarop reageerde de gouverneur droogjes dat het negeren van een gouvernementeel advies gelijk stond aan het verzet tegen een koninklijk besluit. De hele kwestie leidde zelfs in Nederland tot vragen in de vergadering van de Staten-Generaal (dat zouden nu ‘Kamervragen’ heten).

Plantages
De nieuwe gekleurde elite schikte zich doorgaans in de bestaande structuren van de maatschappij. Zo kocht Adolf Gravenberch, net ontworsteld uit de slavernij, zelf ook slaafgemaakten als huishoudelijke hulp en ter ondersteuning in zijn heelkundige praktijk. Een aantal daarvan kocht hij ook vrij. Het moge duidelijk zijn dat het begrip ‘slaafgemaakte’ in deze veranderende context een minder negatieve lading had dan in de eeuwen daarvoor op de plantages. De nieuwe leden van de elite besteedden hun vergaarde rijkdom ook om te investeren in plantages. Dat werkte statusverhogend en versterkte hun onafhankelijke positie. Veel andere mogelijkheden om te investeren waren er trouwens niet: Suriname kende nauwelijks industrie of andere soorten bedrijvigheid. De gestage opmars van gekleurde planters droeg bij aan de afname van wreedheden op de plantages.

Gravenberch kocht samen met Willem en François Kenswil in 1853 de plantage Osembo, een houtgrond in het district Boven Para. Later kocht hij ook suikerplantage La Jalousie aan de Boven-Commewijne. In eerste instantie loonden de investeringen, maar na de Emancipatie van 1863 verdampte het familiekapitaal en werden al zijn bezittingen – waar onder ook enkele huizen in Paramaribo – publiekelijk geveild. Berooid moest Gravenberch zich weer toeleggen op zijn oorspronkelijke beroep: eerst als districtsgeneesheer op plantage Vossenburg, later als volksdokter in Paramaribo. Op 1 augustus 1880 vierde hij zijn vijfentwintigjarig jubileum als heelmeester. Van een speciaal samengestelde jubileumcommissie kreeg hij een ‘fraai doctors-rijtuig’. De laatste decennia kreeg hij ondersteuning van zijn jongste zoon Rudolf Johan Gravenberch. Adolf overleed op 16 november 1906.
Nalatenschap

In 1959 eerde de Surinaamse regering stamvader Adolf Gravenberch met een straatnaam in Paramaribo: de Gravenberchstraat. Ook zijn kleindochter Edna Gravenberch (1910-1994), een van de eerste vrouwelijke artsen van Suriname, kreeg later een straatnaam, de Edna Gravenbergstraat (vreemd genoeg met een g). De genen van Adolf maakten voorts de overstap naar Nederlands-Indië, in de persoon van zijn achterkleinzoon en KNIL-militair Jaap Gravenberch (1899-1986). En een andere nazaat, Ryan Gravenberch, maakt momenteel furore in het voetbalteam van Liverpool en het Nederlands Elftal.
Mogelijk gemaakt dankzij ondersteuning van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Import-Indiërs
De onbedoelde Surinaamse samenleving
Kolonel Valk en de Surinaamse staatsgreep
Pierre Jacques Benoit en zijn ‘Voyage à Surinam’