In de tweede helft van de twintigste eeuw werkten tientallen Nederlanders mee aan het ontwikkelen van de wereld. Het waren bevlogen mensen, die zich met hart en ziel inzetten voor hun medemens. Historicus Wim van den Doel schreef er een prachtig boek over. In Opheffers neemt hij de lezer mee in de geschiedenis van de ontwikkelingssamenwerking tussen 1945 en 1963.
‘Bij de Nederlandse hulp aan de minder ontwikkelde gebieden’, schrijft Van den Doel, ‘was er na de Tweede Wereldoorlog vooral sprake van verlicht eigenbelang in combinatie met ideële motieven gericht op het verwezenlijken van wereldwijde sociale rechtvaardigheid.’ Zijn vuistdikke boek beschrijft niet alleen de beleidsgeschiedenis van het ontwikkelen van armere landen, maar brengt deze geschiedenis tot leven aan de hand van acht karakteristieke ontwikkelingswerkers. In deze bijdrage richt ik me op één van hen, Charles Olke van der Plas (1891-1977). Prins Bernhard noemde hem in 1968 een ‘voorbeeldig dienaar van de ontwikkelingslanden’.
Koloniale voorgeschiedenis

Als ambtenaar zette hij zich in voor de verbetering van het leven van de Indonesische bevolking. Hij wilde armoede bestrijden, oogsten verbeteren en de bevolking ontwikkelen. Als gouverneur van de provincie Oost-Java (hij werd in 1936 aangesteld) had hij de macht om ook daadwerkelijk het verschil te maken. Lang zou dat echter niet duren, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij naar Australië waar hij de rechterhand van Huib van Mook zou worden.
In 1945 keerde hij terug naar Indonesië, maar zag toen hoezeer de bevolking zich van de Nederlanders had afgekeerd. In 1950 verliet hij net als vele andere Nederlanders de voormalige kolonie om zich in Nederland te vestigen. Hij zou zijn hele leven heimwee houden naar zijn geliefde Java.
Ontwikkelingswerker
Na de Tweede Wereldoorlog komt het idee op om in internationaal verband hulp te verlenen aan de minder ontwikkelde landen in de wereld. Politici, economen en onderzoekers schreven dikke nota’s en overlegden op congressen, mensen als Van der Plas gingen voortvarend aan de slag. Nederland nam vanaf het begin een belangrijke plaats in deze ontluikende ontwikkelingssamenwerking in, schrijft Wim van den Doel.
Het werk overzee werd meestal gedaan door Nederlanders met koloniale ervaring in Indië, Van der Plas is een voorbeeld van die koloniale connectie. Aanvankelijk richtte Nederland zich op Nieuw-Guinea, de Nederlandse Antillen en Suriname. Nadat deze landen autonoom waren geworden, zocht de regering naar andere plaatsen waar ze een bijdrage konden leveren. In 1957 werd daarvoor de NOVIB opgericht, de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand, die projecten startte in Soedan en Griekenland.

Charles van der Plas was al eerder, in 1951, aan de slag gegaan als ontwikkelingswerker voor internationale organisaties. Na een periode in Saudi-Arabië kwam hij in 1954 in Gambia terecht, waar hij onderzoek deed naar de sociale en economische situatie. Twee jaar later werd hij overgeplaatst, ditmaal naar Chrysoupolis, een stadje in Griekenland. Hij bouwde er aan irrigatiewerken en lokale economische initiatieven en probeerde internationaal steun te vinden voor de arme bevolking. Belangrijk vond hij het om met de bevolking op te trekken, niet om hen vanuit rijke landen allerlei maatregelen op te dringen. Zelf nam hij met weinig genoegen: de voormalige hoge koloniale ambtenaar woonde in een klein huisje met twee kamers en een wc.
Verenigde Naties
Tot hoge leeftijd bleef Van der Plas werkzaam. Foto’s tonen een grijze man die op het hoogste internationale niveau zich inzette voor zijn medemens. Hij was inmiddels 77 jaar geworden, maar doorkruiste in opdracht van de Verenigde Naties nog de binnenlanden van West-Afrika in een Citroën 2CV. De bevolking daar was getroffen door armoede en honger, waarop Van der Plas allerlei initiatieven startte om hen te helpen. In 1963 regelde hij internationaal gelden om scholen te bouwen voor volwassenen in Gambia. Hij leerde de bevolking lezen en schrijven. Belangrijker nog, de lokale bevolking leerde hoe ze de rijstproductie konden vergroten door nieuwe rijstvelden, dammen en bruggen aan te leggen.

Het is een voldoende voorrecht een zeer beschaafd, begaafd en in vele opzichten edel volk te dienen in zijn nood.
Dat Wim van den Doel deze unieke Nederlander zo’n grote plek heeft gegeven in zijn boek, is een geslaagde keuze. Zijn leven weerspiegelt een groot deel van de geschiedenis van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.
Ontgroening op zee in de achttiende eeuw
Soldaat onder kapitein Westerling
Toen beroemd, nu berucht: legercommandant Frits van Daalen
Europese vrouwen die met Indonesiërs trouwden: ‘verraadsters van de koloniale zaak’