Indië-veteranen hebben heel wat egodocumenten nagelaten. Het recent uitgegeven dagboek plus een aantal brieven van Jan Steenbeek voegen daaraan toch iets toe, want ze zijn niet ‘doorsnee’. Misdragingen van Nederlandse troepen moffelt hij niet weg. Bovendien was Steenbeek in de Oost een bevoorrechte dienstplichtige. Daardoor leveren zijn teksten enkele mededelingen op waarmee historici misschien nog eens iets kunnen.
In 2015 putte Gert Oostindie voor zijn boek Soldaat in Indonesië 1945-1950, Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis uit liefst 659 egodocumenten (dagboeken, correspondenties en meer) van Indië-veteranen, bijna honderdduizend pagina’s aan getuigenissen. Kan nóg een boek, in dit geval gevuld met geschreven materiaal van Jan Wieger Steenbeek (1927-2002), dan nog iets toevoegen?
Jazeker, menen de twee samenstellers en bezorgers van Indië is een mooi land, maar men moet er niet als militair zitten. Ze wijzen er onder meer op dat auteur Jan Steenbeek ‘geen doorsnee-militair’ was. Daarover verderop meer. Die bezorgers van het boek zijn Jan Steenbeeks zoon Onno (hoogleraar risicomanagement pensioenfondsen aan de Erasmus Universiteit) en Hans Luijten, nu senior-onderzoeker bij het Van Gogh Museum en in 1983 student-assistent bij Jan Steenbeek, toen deze aan de Universiteit Utrecht werkte als hoofddocent Letterkunde van de Renaissance.
Geen schrijversnaam, boektitel of niet-Nederlands citaat – en daarvan wemelt het in Jan Steenbeeks dagboek – laten Onno Steenbeek en Hans Luijten zonder toelichting of vertaling. Heel soms slaan ze daarin iets door of slaan ze juist iets over. Als Steenbeek op 22 augustus 1949 noteert ‘Vol verwachting klopt ons hart’, melden de bezorgers in een noot: “Ironische toespeling op een Sinterklaasliedje’’. Zou er ook maar één lezer zijn die dat niet al zelf had bedacht?
Het omgekeerde zien we bijvoorbeeld als Steenbeek op 27 september 1949 opmerkt dat hij, tijdens een gesprek dat hem niet beviel, het ‘liever bij monosyllaben (had) moeten houden’. Hier geen noot, hoewel het best handig was geweest even uit te leggen dat monosyllaben éénlettergrepige woorden zijn, dus dat Steenbeek vond had hij zijn antwoorden beter had kunnen beperken tot simpelweg ‘ja’ en ‘nee’. Maar goed, dat zijn voorbeelden van kleine kanttekeningen die te maken zijn bij de overigens uitstekende bezorging van het boek.
Geen doorsnee jongen

Naar Indië
En toen riep de dienstplicht. Die betekende voor zijn generatie: uitzending naar Indië. Via een gesprek met een psychiater probeerde Steenbeek daar nog onderuit te komen, maar tevergeefs. Op 25 maart 1949 ging hij aan bood van het stoomschip Volendam, dat hem en zijn eenheid op 25 april afleverde in Surabaya (Oost-Java). De 42ste Zelfstandige Mitrailleur Compagnie waartoe Steenbeek behoorde, werd opgedeeld en Steenbeeks groep ging naar buitenpost Giringan in het berggebied bij de stad Madiun.
Nederlandse wandaden
De daarop volgende maanden beschrijft Steenbeek de voor een buitenpost in Indië gebruikelijke taferelen en activiteiten. Er is verveling, blijdschap als er post uit Nederland arriveert, er worden patrouilles gelopen, soms valt in eigen gelederen een slachtoffer en aan de andere kant worden slachtoffers gemaakt. Twee dingen springen er in Steenbeeks dagboekaantekeningen echter uit. Hij heeft een open oog voor wat van Nederlandse zijde wordt misdreven én hij koestert minachting voor gewone Nederlanders die niet, zoals hij, aan een universiteit hebben rondgelopen.
Om te beginnen over wandaden enkele citaten ter illustratie (Steenbeek noemt meer gevallen). Op 26 juni 1949 noteert hij:
Nieuwe koelies verhoord en vermoord: de I.V.G. (Inlichtingen- en Veiligheidsgroep, red.) is actief. (…) Niet van sommigen, maar van vrijwel allen worden hier de normen verwrongen, ook die van mij, zij het dan niet pijnloos.
En over 5 mei 1949 lezen we:
De luitenant is een kapitein Westerling-figuur: nooit kwartier geven (als tegenstanders zich overgeven, red.), alles naar zijn mallemoer; de kampong, waaruit gevuurd is, in de fik. ‘De legerleiding heeft dus twee gezichten’, vroeg ik na enige voorafgaande informaties; Christelijk-humanitair naar buiten, sadistisch naar binnen. ‘Ja’, zei de man, ‘zo kan men het inderdaad zeggen’.

Op 11 mei 1949 vertrouwde Steenbeek zijn dagboek enkele ferme uitspraken toe van een luitenant in gesprek met manschappen.
Enige van de kraste beweringen van dit heerschap waren: Er wonen in Nederlands-Indië 70 miljoen Indonesiërs, 70 miljoen teveel, geloof me maar jongens. Als ik een linke kampong moet zwiepen, dan neem ik een stel zwarten en laat die voorop gaan. Als commandant moet ik waken over het leven van mijn mannen. En wat doet zo’n bruine trekhond ertoe?
Tot slot van deze voorbeelden een dagboekaantekening van 10 juni 1949. “Een patrouille arresteerde een hoogst verdachte inlander, waarschijnlijk een belangrijke figuur. Hij hurkte bijvoorbeeld niet. Onze I.V.G.-ers (…) beproefden hun onervaren krachten. Geen stoel als slagwapen, geen electrische schokken haalden er iets uit. Ze sloten de kerel op en toen hij naar het dak ontsnapte, naar beneden sprong en al 20 meter weg was, knalden ze hem neer: auf der Flucht erschossen!’’
‘Ik kots van dit milieu’

Wat een vee is de massa toch, werkelijk de aandacht van de homo sapiens geen seconde waard.’’
Wat een voorrecht toch voor Steenbeek dat hij niet tot het ‘vee’ behoorde. Zoals hij in Indië in wel meer opzichten bevoorrecht was. Om te beginnen had hij de pure mazzel te behoren tot een van de laatste lichtingen dienstplichtigen die daarheen werden gestuurd. Het betekende dat hij op 25 april 1949 op Java aan land stapte en op 22 juli 1950 inscheepte voor de terugreis naar Nederland. Al met al hoefde hij dus maar vijftien maanden in Indië te dienen, beduidend korter dan de meeste uitgezonden dienstplichtigen.
Daar kwam nog iets anders bij. Zijn vader spande zich in om hem op een aangenamer plek te krijgen dan een buitenpost of een kazerne in Oost-Java. Dat lukte, waarbij overigens lijkt te hebben meegeholpen dat Jan op Oost-Java bij herhaling last had van malaria-aanvallen. Voor hem werd per eind november 1949 een kantoorfunctie geregeld in Bandung (West-Java). Dat baantje vond hij weliswaar dodelijk saai, maar het was er comfortabeler dan in Oost-Java.
Hoge omes
Vanaf de tweede week van december 1949 tot begin januari 1950 had hij zelfs de luxe enkele weken zeer gerieflijk te kunnen logeren bij de familie Van Diffelen in hun villa in Bandung. Roelof Willem van Diffelen was sinds november 1948 Commissaris van de Kroon voor de Indonesische deelstaat Pasundan. Zijn echtgenote was een goede kostschoolvriendin van Jan Steenbeeks moeder. Tienerzoon Gilles van Diffelen was op dat moment in de kost bij de familie Steenbeek in Amersfoort, waar Gillis op school zat. Zo waste de ene hand de andere.
De omgang met en logeerpartij bij Van Diffelen bracht Jan Steenbeek een poosje in aanraking met prominenten in Indië: “Hoge omes rijden af en aan.” Daaraan danken we enkele opmerkelijke mededelingen in zijn dagboek en een brief. Zo mocht soldaat Steenbeek op een avond mee op bezoek bij de familie Gerke. Petrus Johannes (Piet) Gerke was Algemeen Secretaris van het Gouvernement van Nederlands-Indië geweest en volgens Steenbeeks dagboek op dat moment ‘zoiets als Minister van Economische Zaken in (de deelstaat, red.) Pasundan’.

Volgens Steenbeek werd die avond ‘ontzettend geroddeld’, onder meer over de ‘grofheid’ van Huib van Mook, die tot begin november 1948 in Indië de hoogste gezagsdrager (luitenant-gouverneur-generaal) was geweest. Van Mook zou, in aanwezigheid van ook oudere vrouwen, eens hebben gefoeterd: “Kunnen er nu, g.v.d., op die cocktailparties nooit eens alleen vrouwen onder de veertig komen?’’ Gezien Van Mooks belangstelling voor vrouwen in die leeftijdscategorie – zie de door Tom van den Berge geschreven Van Mook-biografie (Bussum 2014) – valt niet uit te sluiten dat de Indische landvoogd op die uitspraak inderdaad is betrapt.
Ook opvallend is wat Steenbeek noteert over een avond toen Gerke, generaal Eduard Engles en hun echtgenotes bij de Van Diffelens op bezoek kwamen. Op zeker moment, noteert Steenbeek, kwamen anti-semitische praatjes los. Vooral Mary Engles-Quant raakte erg op dreef over het onderwerp joden en castratie, zo lezen we. “Ze leek wel dol’’, aldus Steenbeek, maar: “De mannen gierden’’.
Raymond Westerling
De laatste intrigerende mededeling doet Steenbeek in een brief die hij op 5 juli 1950 schreef aan zijn ouders. Om die te kunnen plaatsen moeten we even ietsje terug in de tijd. Op 27 december 1949 had Nederland officieel de soevereiniteit over de Gordel van Smaragd overgedragen aan Indonesië. In januari 1950 begon de beruchte oud-militair Raymond Westerling met zijn APRA (Angkatan Perang Ratu Adil, Leger van de Rechtvaardige Vorst) vanuit Bandung een (mislukte) couppoging tegen de Indonesische regering. Om diplomatieke complicaties te voorkomen hielp Nederland Westerling uit Indonesië te ontsnappen naar Singapore.

Wat we hierover aantreffen in Steenbeeks brief van 5 juli 1950 (twee dagen voor de zittingen van de Krijsraad te Velde begonnen) prikkelt de verbeelding. Hij schrijft over wat ene luitenant Grosheide hem vertelde. Deze was behalve militair ook advocaat en volgens de brief betrokken bij de verdediging van de APRA/ex-RST-militairen. Steenbeek schrijft: “Hij beweert zelf, dat zijn hele pleidooi hem kant en klaar uit Den Haag is toegestuurd.” Pardon? Zouden Haagse ambtenaren een pleidooi voor deelnemers aan Westerlings couppoging hebben geschreven, terwijl die zich moesten verantwoorden voor een Nederlandse Krijgsraad te Velde? Dat lijkt op het eerste gezicht nogal grotesk. Maar gezien de toenmalige Nederlands-Indonesische verhoudingen en verwikkelingen valt niet zomaar uit te sluiten dat er een grond van waarheid in zit. Voer voor historici!
Soldatenbrieven uit de koloniale oorlog (1946-1950)
Operatie Duck: de zuivering van negen kampongs (1946)
Een nieuwe visie op kapitein Raymond Westerling?
Het dagboek van Benno ter Berg
Zwitserse militair schetst ‘s-Hertogenbosch, 1815-1824
Anne Frank (1929-1945) – leven en dagboek