Nieuw-Guinea is na Groenland het grootste eiland ter wereld en ligt in de westelijke Stille Oceaan. Het eiland is verdeeld tussen Indonesië in het westen en de onafhankelijke staat Papoea-Nieuw-Guinea in het oosten. De geschiedenis van het westelijke deel is nauw verbonden met die van Nederlands-Indië en later Indonesië.
Europese zeevaarders bereikten het eiland in de zestiende eeuw. Portugese en Spaanse ontdekkingsreizigers brachten delen van de kust in kaart en introduceerden de naam ‘Nova Guinea’. In de zeventiende eeuw verkende ook de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de regio, vooral vanuit haar machtspositie in de Molukken. Nieuw-Guinea bleef echter lange tijd een perifere regio binnen het koloniale netwerk.

Bij de onafhankelijkheid van Indonesië op 27 december 1949 werd Nieuw-Guinea niet overgedragen. Nederland behield het bestuur over het gebied, dat bekendstond als Nederlands-Nieuw-Guinea. In de jaren vijftig groeide het conflict tussen Nederland en Indonesië over de toekomst van het gebied. Onder internationale druk droeg Nederland het bestuur in 1962 over aan de Verenigde Naties; op 1 mei 1963 ging het gebied over naar Indonesië.
De benaming ‘Papoea’ verwijst zowel naar het eiland als naar de oorspronkelijke bewoners, die uit talrijke etnische en taalkundige groepen bestaan. Het westelijke deel van het eiland kende in de twintigste eeuw verschillende namen, waaronder Irian Barat en Irian Jaya. Tegenwoordig is het gebied bestuurlijk verdeeld in meerdere Indonesische provincies, waaronder Papoea en West-Papoea.
Op deze pagina vind je artikelen over de ontdekking, de koloniale geschiedenis, het conflict tussen Nederland en Indonesië en de overdracht van 1962–1963. De slotfase van het Nederlandse bestuur wordt afzonderlijk belicht in de informatieve reeks Laatste jaren van Nieuw-Guinea van historicus Jan de Vetten.
Reeks: Laatste jaren Nieuw-GuineaNederlands-Indië