Vanaf halverwege de twaalfde eeuw was de familie die zich ontwikkelde tot Clan MacDonald de machtigste van westelijk Schotland en de Hebriden. Onder leiding van de stamvader der MacDonalds, een veldheer van nog geen twintig genaamd Somerled mac Gillebride, nam de clan de touwtjes in de Atlantische wateren stevig in handen. De MacDonalds en talloze min of meer verwante sub-clans behoorden tot het nieuwe ras der Gall-Ghaeil, Foreign Gaels, van gemengd Noorse en Iers Gaelic afkomst. Hun voertaal was Gaelic.
Parallel aan de opkomst van de Gall-Ghaeil in het westen klommen twee families in zuidelijk Schotland gestaag omhoog in de baroniale rangen. Ze waren afkomstig uit Bretagne en Normandië en hadden na de Normandische invasie van Engeland in 1066 de oversteek gewaagd. Door een onderling huwelijk samengevoegd tot de Stewarts bestegen ze de troon van Schotland en gaven die gedurende drieënhalve eeuw niet meer uit handen.
Botsingen tussen beide machtsblokken konden niet uitblijven. Ze verschilden te veel van elkaar. Het maritiem ingestelde westen met z’n wortels in de Keltische heroic age stond haaks op het modernistische oosten, dat na de Normandische invasie in toenemende mate feodaal geregeerd werd. Beide blokken waren ambitieus en genadeloos. De ambitie van Edinburgh was om het Keltische westen in te lijven. Die van Clan Donald was het verdrijven van de feodalen uit de hoofdstad. Hun grote kans kwam in 1461.
Rex insularum
Somerled – van het Oud-Noorse sumarlidi, ‘zomerreiziger’ – deed zijn Vikingnaam eer aan. Hij verdreef de Noren uit de zuidelijke helft van hun Kingdom of Man and the Isles, en riep zichzelf er brutaalweg over uit tot Rex Insularum, King of the Isles, in het Gaelic: rí Innse Gall, koning van de eilanden der vreemden. Hoewel het door het Schotse bewind in (toen nog) hoofdstad Dunfermline minachtend ‘een verafgelegen heerlijkheid van eilanden en bergachtig vasteland’ genoemd werd, kwam Somerleds boodschap hard aan.
Gezien zijn verdere acties was het niet het einde van zijn ambities. In 1153 verwoestte hij de stad Glasgow, zeventig kilometer van de hofstad. En er volgde meer.
Maar van een koning Somerled van Schotland kwam het uiteindelijk niet. Een invasie in 1164, waarbij Somerled met een leger van zevenduizend strijdlustige Gall-Ghaeil verdeeld over 160 galeischepen de Clyde opvoer, werd na enkele kilometers al afgebroken toen bij het stadje Renfrew aan wal gegaan werd. Tijdens een veldslag met niet meer dan een honderdtal op Normandische leest geschoeide ruiters van koning Malcolm IV werd Somerled gedood. Op de geharnaste moordmachines die sinds 1066 in zwang waren geraakt, waren de eilanders niet voorbereid. Malcolms kleine cavalerie achtervolgde ze op hun massale vlucht terug naar de rivier en de veiligheid van hun schepen.
Uit Carmen de Morte Sumerledi, Lied van de Dood van Somerled, een enkele jaren na de Slag van Renfrew geschreven gedicht:
Wounded by a spear, felled by a sword, Somerled died
And a furious wave wounded thousands of fleeing men
Many were cut to pieces, both on land as in the waters,
climbing into their ships from the bloody waves
And none of those fighting against them was killed or wounded
Rex Scottorum
Het legertje ridders stond onder leiding van Walter fitzAlan, High Steward of Scotland, de hoogste feodale bestuursfunctie na de koning. De oorspronkelijk uit Bretange afkomstige Fitzalan bezat landerijen rond zijn vesting bij Renfrew aan de Clyde. Het was Somerled ter ore gekomen dat FitzAlan koning Malcolm influisterde om Galloway, gelegen op de vaste wal in Zuid-Schotland maar bewoond door Gall-Ghaeil, in te nemen. Dus is het heel goed mogelijk dat het Somerleds plan was om onderweg naar Dunfermline eerst Malcolm’s bevelvoerder uit te schakelen en zijn kasteel en landerijen in Renfrew in te nemen.
Een andere reden om juist bij Renfrew aan wal te gaan is er niet. Het plan verliep rampzalig en verschafte FitzAlan als beul van de Gall-Ghaeil groot aanzien. Als beloning werd de titel High Steward of Scotland erfelijk aan de FitzAlans toebedeeld. Ze veranderden hun naam in Steward, later Stewart en Stuart.
FitzAlan was een edelman van Bretonse afkomst. Hij was lid van een familie waarvan het hoofd als zogenoemde dapifer – ‘de brenger van het vlees’ – de aangelegenheden van de bisschoppen van Dol in Bretagne bestierde. Hij kwam dus beslagen ten ijs in Schotland en zijn nazaten hebben het hoogste bestuurlijke ambt in Schotland met verve vervuld.

Honderdvijftig jaar later, in 1314, vond de voor Schotland allesbeslissende Battle of Bannockburn plaats. Edward II’s geharnaste ridders op hun sterke en zware destriers leden in de meanderende, zompige boorden van de rivier de Forth een even verpletterende nederlaag als Somerleds mannen in de Clyde bij Renfrew. De Schotse koning Robert the Bruce, die de troepen aangevoerd had, werd vereerd als de bevrijder van het land van het juk van de gehate Engelsen en werd als Robert I de eerste Rex Scottorum, koning van onafhankelijk Schotland. De naam The Bruce is een verengelsing van het Franse de Brus, van het huidige Brix in Normandië.
Robert the Bruce was aanvankelijk Lord of Annandale in Zuid-Schotland en hij bezat ook over de grens met Engeland uitgestrekte landerijen. Hoewel er vele invloedrijke Schotse barons waren, dreven de machtigste, de The Bruces en de Stewarts als vanzelf in elkaars armen. Robert I’s dochter Marjorie the Bruce huwde Walter Stewart, zesde High Steward of Scotland, in wat gerust a match made in heaven genoemd kan worden. Hun zoon Robert Stewart besteeg als Robert II in 1371 de troon en was de eerste van de lange reeks Steward/Stewart/Stuart vorsten en vorstinnen, die met korte onderbrekingen tot begin achttiende eeuw voortduurde.
Regulo Herergaidel
Clan Donald zat intussen ook niet stil in de Gaidhealtachd, zoals de archaïsche naam van het Gaelic sprekende westen luidt. De naamgever van de clan, Somerleds kleinzoon Donald mac Ranald voerde naast de titel Rex Insularum ook die van Regulo Herergaidel, Lord of Argyll. Officieel waren Donald en zijn opvolgers schatplichtig aan hetzij de Schotse (voor de gebiedsdelen op de vaste wal) of de Noorse koning (voor de eilanden).
Na het Verdrag van Perth in 1266 waarbij de Noren zich in ruil voor een fors geldbedrag geheel uit de Hebriden terugtrokken, werden Clan Donald en de cadet clans weliswaar eigenaar van de eilanden, maar nu werden ze schatplichtig aan de Schotse koning. De Gall-Ghaeil trokken zich van al die hiërarchische structuren echter weinig aan. Ze voelden zichzelf een onafhankelijk volk, een oorlogszuchtig ras van maritime warriors in the heroic age. Bovendien meenden ze historisch recht op hun domeinen te hebben.
De naam Argyll/Herergaidel is hierin interessant. Die komt van ‘Airer Goídel’, Coasts of the Gael. Gaels waren de Keltische Ieren van voor de vestiging van Vikingen in Ierland eind achtste eeuw en de er op volgende vermenging der beide rassen, zoals die in de Hebriden en Galloway tot het ontstaan van de Gall-Ghaeil gevoerd had. ‘Kusten van de Gael’ verwijst dus naar een stukje pre-Viking Ierland in Schotland, of liever in Alba, zoals de toenmalige Schotse Hooglanden in Ierse kronieken genoemd worden.
En zo’n stuk Ierland bestond in Alba. De naam Herergaidel/Argyll verwijst naar het sinds lang verdwenen koninkrijk Dál Riata/Dalriada, een Ierse kolonie gelegen aan de zuidwestelijke kusten van Alba. De kolonisten die in omstreeks 500 na.Chr. de Ierse Zee overstaken waren Gaels uit een smalle kuststrook in Antrim, in het uiterste noordoosten van Ulster.
Argyll bestond dus al als een gebied met Gaelic roots, met een haast religieus vereerde oorsprong in de mist der tijd, die sterk tot de Keltische verbeelding sprak. En de vestiging van de twaalfde eeuwse Gall-Ghaeil in de regio voelde dus aan als thuiskomen. Dat sentiment zal ongetwijfeld meegespeeld hebben in de drang van Clan Donald naar onafhankelijkheid in ‘hun’ mythische rijk van kusten en eilanden.
Dominus Insularum
Op de punt van een landtong in de Sound of Mull genaamd Ardtornish Point, stond in de veertiende eeuw een hall-house van twee verdiepingen genaamd Ardtornish Castle. Het was gebouwd op de restanten van een fort van Somerled, mat eenentwintig bij twaalf meter en was kostbaar en gerieflijk ingericht.

De kist werd met touwen aan het dek verankerd. De roeiers namen hun plaatsen in en begeleid door een snerpende pibroch op de doedelzak zette het schip zich in beweging naar de westelijke toegang van de Sound, langs poortwachter Mingary Castle, en naar het eilandje Iona, gelegen voor de zuidwestkust van het eiland Mull. Daar lag naast Iona Abbey de koninklijke begraafplaats Reilig Odhráin – Oran’s Kerkhof, waar de Dalriadaanse koningen al begraven werden. De eerste twee van de vier Lords of the Isles liggen er, Iain- en Donald of Islay, die laatste net als zijn vader gestorven in het geliefde Ardtornish Castle. De laatste twee Lords of the Isles, Alisdair en Iain II, zijn niet op Iona begraven maar op het vasteland. En dat is veelzeggend.

The Lordship of the Isles, dat duurde van 1336 tot de verbeurdverklaring in 1493, vormde het hoogtepunt van de macht van Clan Donald in de Schotse geschiedenis. Net als Somerled beschouwden de Lords of the Isles zichzelf als autonome leiders van een onafhankelijk zeerijk, die op gelijke voet wensten te onderhandelen met leiders van andere naties, zoals Noorwegen, Frankrijk of Engeland. En daarmee onverbrekelijk verbonden was de drijfveer om de invloedssfeer te vergroten, zoals alle landen deden.

Aan die expansiedrift viel uiteindelijk de eenheid van Clann Dòmhnaill ten prooi. De Middeleeuwen liepen ten einde. De oude koningen, clanchiefs en warriors, begraven op Reilig Odhráin, raakten in de vergetelheid en hun graven overwoekerd met gras. Het archaïsche heiligdom Iona schoof naar de achtergrond toen de aandacht van de Lords zich verlegde naar het Schotse vasteland. Het uitgestrekte graafschap Ross in de noordelijke Highlands lonkte aan de horizon. En daarachter wenkte Holyroodhouse Palace in Edinburgh. In de woorden van de historicus John Bannerman uit 1977:
It is just possible that the concept of a MacDonald king of Scots may lie behind the grandiose scheme…
Governor of Scotland

The governor thought that his own sway and strength could carry everything according to his pleasure in the kingdom, still hoping for the crown, the true heir thereof, his nephew James I, being prisoner in England. History of the MacDonalds – Hugh of Sleat, geschreven rond 1680

Nu het definitieve verkrijgen van Ross door Lord Donalds huwelijk met Mariota van Ross door Albany’s tegenwerking verre van imminent was, werd het tijd voor actie.
In het jaar 1411 verzamelde zich een vloot galeien voor Ardtornish Castle in de Sound of Mull. Een geschatte 10.000 MacDonalds en aanverwante clansmen waren klaar om de historische uitbreiding van het Lordship of the Isles op de vaste wal klaar te spelen. Net als in 1387 klonken bij het vertrek pibrochs. Maar ze waren minder melancholiek en de doedelzakken verklankten nu waarvoor ze uitgevonden waren: het oproepen tot strijd.
Die vond plaats tijdens de Slag van Harlaw – The Red Harlaw – later in 1411 in de buurt van Aberdeen tegen een leger van zo’n tweeduizend ridders. Aan beide zijden vielen talloze doden en de uitkomst was volgens hedendaagse historici onbeslist. Toen James I in 1424 eindelijk in Edinburgh arriveerde was het met de macht van z’n ambitieuze regent vlug gedaan. Robert Stewarts zoon en opvolger Murdoch werd geëxecuteerd, evenals diens zoons. Vervolgens richtte de aandacht van de even cultuurminnende als meedogenloze jonge koning zich op de Lords of the Isles in het westen.
I shall go and see whether they have fulfilled the required service; I shall go and I will not return while they default. I will chain them so that they are unable to stand and lie beneath my feet… James I
Balloch
Onder deze dreiging was de tijd rijp voor krachtig nieuw leiderschap. De derde Lord, Alisdair MacDonald, was te zeer verwikkeld in het politieke krachtenspel met James I om Clan Donald effectief te kunnen leiden. Verscheidene keren verbleef hij langdurig als James’ gevangene in Tantallon Castle aan de Noordzeekust.

In die leemte betrad een achttienjarige vechtjas het strijdtoneel, met de dolk tussen de tanden en de hand op de pommel van z’n claymore. Zijn naam was Donald MacDonald, bijgenaamd Balloch, sproetenkoning. Donald Balloch was de zoon van Iain Mór MacDonald, tweede zoon van Lord of the Isles Iain, en Margaret Stewart, dochter van Robert II. Deze Iain Mór, voluit ‘Big John’ of Dunyvaig and the Glens of Antrim, was kasteelheer van Dunyvaig Castle (Fort van de Schepen) op het zuidelijke eiland Islay. De veteraan van The Red Harlaw werd naamgever van de machtige Clann Eoin Mhòir, de Islay-tak van Clan Donald, ook wel Clan Donald South genoemd.
Toen Iain Mór in 1427 op instigatie van de koning op een afgelegen plek met diens afgevaardigde James Campbell in onderhandeling trad over het overnemen van het leiderschap van Lord Alisdair, weigerde hij verontwaardigd om het aanbod aan te nemen. Campbell, geïnspireerd door de nieuwe houding van James I tegenover de MacDonalds, overmeesterde en doodde de halsstarrige chief. Een daad die hem overigens de kop kostte.
Deze gebeurtenis had grote invloed op Donald Balloch’s houding tegenover de Stewarts, de familie van zijn moeder, en de Campbells. De sproetenkoning werd een geduchte tegenstander van the powers that be, waarin de immer koningsgezinde Clan Campbell sinds jaar en dag een hoofdrol vervulde. De tijden van Somerled, wiens carrière als leider van de Gall-Ghaeil volgens de legende ook op z’n achttiende begonnen was, leken weer te keren.

Goistidh an Tighearnais
Met Lord Alisdair opgesloten in Tantallon Castle en Iain Mór gedood, zag James I in 1431 een nieuwe kans om de macht van de MacDonalds te breken. Hij had genoeg van het eeuwige gekuip rond het recht op Ross. Hij had de enorme revenuen van het graafschap zelf nodig om zijn weelderige hofhouding, gekopieerd van dat in Windsor Castle, te bekostigen en zond een groot leger de westelijke Highlands in, waar het z’n tenten opsloeg bij Inverlochy Castle, vlakbij het huidige Fort William.

Uit de vijftiende eeuwse kroniek Scotichronicon van Walter Bower:
Meanwhile, in spite of all the endeavours by James, the highlands remained in a state of constant rebellion and savage anarchy.
Balloch droeg daar in niet geringe mate aan bij. Zijn agressieve opstelling vestigde zijn reputatie als militair leider en tot zijn dood in 1476 werd hij binnen Clan Donald vereerd als ‘Goistidh an Tighearnais’, Godfather of the Lordship.
Erll of Ross and Lord of the Yillis
Toen James I in 1437 alsnog werd vermoord voor het executeren van de Albany Stewarts, keerden de kansen voor Lord Alisdair. Vrijgelaten uit Tantallon riep hij zichzelf uit tot Graaf van Ross. Het bleef stil in Edinburgh en Alisdair begon zich te profileren als de nieuwe machthebber in het noorden. Hij werd zelfs benoemd tot Justiciar of Scotland beyond the Forth, de hoogste gerechtelijke positie onder de koning. Dat maakte hem de nieuwe machthebber in Albany.

De cirkel was dus rond en het doel van de Lords of the Isles leek bereikt. Maar niet helemaal. De hoofdprijs lag wellicht nog ergens in het verschiet. Het was aan zijn zoon Lord Iain II om Somerleds oude droom te realiseren. Hugh of Sleat beschreef Iain II in zijn History of the MacDonalds als:
…a meek, modest man and a scholar, more fit to be a churchman than to command so many irregular tribes of people.
Kon zo’n jongeman in staat worden geacht om adequaat tegen de Stewarts op te treden? Of kon dat beter aan de man overgelaten worden die met zijn agressieve persoonlijkheid de militaire kracht van de clan personifieerde en die in steeds wijdere kringen als de nieuwe Lord of the Isles beschouwd werd, sproetenkoning Donald Balloch.
Balloch was sinds Iain Mór’s dood chief van Clan Donald South en heerste over Islay, Kintyre en The Glens of Antrim, tegenwoordig een Area of Outstanding Natural Beauty, die zijn moeder Margerie Bisset ingebracht had. Clan Donald South was in Ulster een invloedrijke partij geworden, wat de goede band tussen de Noord-Ierse clans en het Lordship of the Isles versterkte. Het was Dalriada in reverse.

De sproetenkoning was inmiddels veertiger en nog immer vervuld van de ‘Celtic spirit, keen, restless and eager’. De werkelijke Erll of Ross and Lord of the Yillis daarentegen resideerde van jongs af aan in Dingwall, hoofdstad van Ross. In Dingwall Castle tekende Iain ongeveer veertig oorkondes, tegen acht in het oeroude MacDonald hoofdkwartier Finlaggan op Islay. Twee oorkondes, van 10 en 19 oktober 1461, werden getekend in Ardtornish Castle. De macht lag dus eerder in feodaal Dingwall dan in Keltisch Finlaggan, maar er broeide iets aan de Sound of Mull…
Ceannas nan Gàidheal
Uit een brief van de Bisschop van Orkney aan koning Christian van Scandinavië, 28 juni 1461:
The Scotch and Irish caterans of the mighty and potent lord Iain, Earl of Ross and Lord of the Isles, our old great enemy, entered in great numbers in warlike manner the Earldom of Orkney and burned your lands, towns, houses, and buildings to the ground. They cruelly slaughtered your people of both sexes and all ages with the sword.
Deze uiterst agressieve aanval kwam niet uit de lucht vallen. Hij was onderdeel van een provocatieve campagne. De raid on Orkney volgde op het binnenvallen van de eilanden Arran en Bute in de Firth of Clyde. En eind 1461 nam een leger onder leiding van Balloch en Lord Iain’s zoon Angus Og de Capitol of the Highlands Inverness in en verklaarde het aan Ross grenzende district Moray en de crown revenues ervan tot MacDonald bezit. Lord Iain begon zich openlijk te gedragen als de koning van het noorden.
De brutale aanvallen waren het gevolg van een gesprek dat begin 1461 in Engeland plaatsvond tussen James Douglas, de laatste van een ooit zeer machtig geslacht in verval, en Edward IV van Engeland. De laatst overgeblevenen die Douglas steunden in zijn bittere machtsstrijd met James II waren Lord Iain en Donald Balloch, met wie Douglas een wederzijds respectvolle band had. Gevraagd naar de militaire status van het MacDonald Lordship in Schotland, roemde Douglas de enorme macht op land en zee die Lord Iain als drager van de archaïsche titel Ceannas nan Gàidheal, (Headship of the Gaels) op kon trommelen.

De lovende woorden van Douglas moeten indruk op hem gemaakt hebben want half juli arriveerden James en z’n broer John Douglas en een aantal Engelse ambassadeurs via Antrim bij Ardtornish Castle. Balloch en Lord Iain gingen met Edwards ambassadeurs een geheim verdrag aan dat bekend is geworden als The Westminster-Ardtornish Treaty. Op 17 maart 1462 werd het verdrag door Edward IV en twee ambassadeurs van Lord Iain in Londen ondertekend.
Vastgelegd werd dat Lord Iain en James Douglas Edwards feodale vazallen zouden worden en tegen een jaarlijkse gage mee zouden strijden in Schotland en Ierland. In geval van een Engelse invasie werd het land ten noorden van de Firth of Forth – the reaume beyonde the Scottyshe See – MacDonald bezit, zij het schatplichtig aan Edward. James Douglas herkreeg zijn uitgebreide landerijen in zuidelijk Schotland en zeggenschap over de rest, in right of the coroune of Englande.
Linn nan Creach
Maar wat de vervulling van Somerleds droom moest worden, ging uit als een nachtkaars. Maria van Gelre was zo verstandig de relatie met Henry VI na korte tijd te verbreken en stuurde hem de grens over, waar hij in Lancashire gearresteerd werd en opgesloten in de Tower of Londen. Hij begon er ter verstrooiing gedichten te schrijven. Maria sloot vrede met Edward en het verdrag van Ardtornish werd zodoende een tandeloze tijger.
Toen het bestaan van het geheime verdrag in 1475 door het Engelse hof bekend werd gemaakt, reageerde James III, inmiddels volwassen, gepikeerd door Lord Iain het Graafschap Ross af te nemen. De laatste Lord of the Isles werd beschuldigd van hoogverraad. De negentiende eeuwse Schotse historicus Andrew Lang noemde het verdrag:
…a stab in Scotlands back with a Celtic Dagger.
In 1493 werd het Lordship of the Isles door James IV ontbonden. De titel Lord of the Isles verviel aan de kroon en wordt thans gedragen door Prince William van het Verenigd Koninkrijk. Het stuurloze Clan Donald Lordship viel uiteen in elkaar bestrijdende facties. Er volgden nog pogingen het in oude glorie te herstellen, maar geen ervan had succes. De Highlands en Islands vervielen in wat Linn nan Creach genoemd werd, de Tijd van Strijd en Plunder. Het was alsof Somerled nooit bestaan had.
Geschreven door Henry VI in de Tower of London:
Kingdoms are but cares
State is devoid of stay
Riches are ready snares
And hasten to decayPleasure is a privy prick
Which vice doth still provoke
Pomps, imprompt, and fame, a flame
Power, a smoldering smokeWho meant to remove the rock
Out of the slimy mud
Shall mire himself, and hardly escape
The swelling of the flood
– The Song of the Death of Somerled and the Destruction of Glasgow in 1153 – Alex Woolf
– History of the MacDonalds – Hugh MacDonald of Sleat. Edited by J. R. N. MACPHAIL, K.C. 1914
– Islay, the Land of the Lordship – David Caldwell
Dank: James Petre en Ronald Black van Society of Highland and Islands Historical Research
William Kidd (ca. 1655-1701) – Schotse kaperkapitein
De penis en de balzak eraf
Glasgow kreeg Nelson Mandelaplein om Zuid-Afrika te pesten
William Wallace – Schotse vrijheidsstrijder