De ronde tempel bij Camelon, Arthur’s O’on
Een van de ongemakkelijkheden voor de Engelse en Schotse oudheidkundigen was het feit dat in Groot-Brittannië, behalve de twee linies van Hadrianus en Antoninus, nauwelijks (sporen van) monumentale Romeinse gebouwen bewaard waren gebleven. Inigo Jones had in 1655 geprobeerd om dit manco te verhelpen door de stenen cirkels van Stonehenge als de resten van een Romeinse tempel te presenteren. De geometrie van deze cirkels en de technische perfectie waarmee de stenen onderling verbonden waren, konden niet anders dan Romeins zijn, want, zo meende hij, de oude inwoners van antiek Britannia waren hiertoe niet in staat geweest.
In Schotland stond echter wel een vrijwel intact stenen monument uit de klassieke oudheid, en dat was het ronde gebouw bij Camelon dat in de volksmond werd aangeduid met Arthur’s O’on, ‘de oven van koning Arthur’ (omdat de naam Camelon in de middeleeuwse legenden ook verward werd met ‘Camelot’, het legendarische kasteel van koning Arthur, werd ook dit bijzondere monument soms met diens sage verbonden).
Het ronde gebouw was opgetrokken in keurig op maat gehouwen ronde natuurstenen blokken die zonder specie op elkaar gestapeld leken te zijn. Het had een beetje de vorm van een bijenkorf, met een koepelgewelf waarvan het centrum open was gelaten (zie openingsafbeelding red.). Het geheel was zo’n 6,6 meter hoog en de inwendige ruimte had een doorsnede van bijna 6 meter. De muren waren onder vrij dik, zo’n 1,2 meter maar naar boven toe werd de wand steeds dunner, tot 75 cm bovenaan. Er was een deuropening en daarboven nog een kleine vierkante vensteropening. De ronde vorm, het vakmanschap van het natuursteenwerk en de opening bovenin waren opvallende kenmerken die (met goede redenen) aanleiding waren om te denken dat dit Romeinse architectuur moest zijn. Omdat er aanwijzingen zijn dat in het midden hiervan een beeld had gestaan, is het mogelijk dat het inderdaad een tempel was of een monument ter ere van Romeinse overwinningen kort voor de bouw van de Wal van Antoninus.
Verschillende verklaringen
Het ronde gebouw trok al sinds de negende eeuw de aandacht, toen het beschouwd werd als een overwinningsmonument ter ere van de tegenkeizer Carausius. In latere teksten wisselden de ideeën over de stichter en de functie voortdurend. John of Fordun beschreef het in de veertiende eeuw als rotundam casulam (een ronde kamer), columbaris ad instar (in de vorm van een duiventil). Volgens hem had Julius Caesar het laten bouwen. Ook volgens Boece (1527) was het een huis van Julius Caesar geweest. Buchanan beschouwde het als een tempel die de Romeinen als triomfmonument ter ere van de god ‘Terminus’ aan de uiterste noordgrens van hun rijk hadden opgericht.
William Camden gaf in zijn Britannia de verschillende opvattingen weer, maar het meest waarschijnlijk leek het hem dat het door Agricola was gebouwd toen hij hier de grens versterkte. Uiteraard schonk ook Robert Sibbald in zijn Historical Enquiries van 1707 ruim aandacht aan dit opmerkelijke antieke monument. Hij citeerde hier niet alleen grote delen van oudere teksten, maar corrigeerde die ook naar aanleiding van zijn grondige bestudering van het gebouw ter plekke. Zo zag hij nog enkele resten van beeldhouwwerk aan de buitenzijde, een adelaarskop en een gedaante met vleugels, mogelijk de resten van een Victorie-figuur, zoals hij zelf opperde. Al met al was ook hij ervan overtuigd dat het een Romeins gebouw moet zijn geweest:
…de kunstige constructie, de stevigheid ervan, evenals de resten van het beeldhouwwerk, bewijzen dat het een ‘Romeins’ werk is.
De regelmatig gehouwen steen en de bijzondere constructie die zelfs zonder kalkmortel de eeuwen heeft kunnen doorstaan, dat allemaal verschilde totaal van de bouwwijze van de antieke Britten waarvan men meende dat die alleen eenvoudige houten huizen konden bouwen.

Vervolgens beredeneerde Sibbald zeer uitvoerig dat het een tempel was geweest, maar niet van de Britten, ‘want hun antieke tempels bestonden alleen uit een opstelling van ruwe stenen, vergelijkbaar met obelisken’. Nee, het moest wel een Romeinse tempel zijn geweest en het bewijs daarvoor haalde Sibbald uit het zestiende-eeuwse commentaar van Philander bij Vitruvius’ De architectura, waarin hij stelde dat de Romeinen de voorkeur gaven aan ronde tempels omdat die de omtrek van het hemelgewelf volgden. Ook de opening boven in het gewelf wees volgens hem in deze richting, want het directe voorbeeld hiervoor was natuurlijk het Pantheon in Rome:
Het komt op de volgende punten met het Pantheon overeen: het gewelf wordt in beide gevallen niet door een steunpilaar ondersteund en hoewel het een gewelf is, is er geen sluitsteen die het in het midden bijeenhoudt. In plaats daarvan is er een rond gat in het midden dat open is, net zoals de top van het Pantheon.
De opdrachtgever voor dit prestigieuze monument aan de rand van het Romeinse Rijk was waarschijnlijk keizer Septimius Severus geweest.
Achttiende-eeuwse beschrijvingen
Enige tijd later volgden nog twee uitvoerige beschrijvingen van het ronde gebouw bij Camelon, voorzien van heel mooi gedetailleerde illustraties: in 1720 An Account of a Roman Temple van William Stukeley en in 1726 de nog veel exactere opmeting door Alexander Gordon in diens Itinerarium Septentrionale. Helaas zijn deze opmetingen nu de enige betrouwbare bron voor onze kennis van dit bijzondere antieke gebouw. Het stond op het landgoed van Stenhouse Castle van de adellijke familie Bruce. Het antieke monument in de tuin, op zichtafstand van het huis, zou in de zestiende en zeventiende eeuw een bijzondere waarde betekend kunnen hebben voor de toenmalige eigenaren, maar over hun ideeën hieromtrent is niets bekend. Het is opmerkelijk dat de achttiende-eeuwse eigenaar er in ieder geval geen enkele bijzondere culturele of historische belangstelling voor had – en dat terwijl zijn peers de kleinste en meest bescheiden resten van het Romeinse verleden koesterden en als kroonjuweel in hun landgoed opnamen.
Tot groot verdriet en woede van zijn tijdgenoten liet de toenmalige Lord van Stenhouse het 1500 jaar oude ronde gebouw in 1743 gewoon afbreken omdat hij de mooie natuurstenen blokken wilde gebruiken bij de bouw van een dam in de rivier. Die dam is niet veel later door een grote vloedgolf geheel verwoest, waarbij de stenen verspreid raakten over de rivierbodem en sindsdien onvindbaar zijn.
Een van de antiquaren die zijn boosheid over de moedwillige vernietiging van het topmonument uit de Romeinse oudheid in Schotland niet onder stoelen of banken stak, was niet verwonderlijk Sir John Clerk of Penicuik, de bouwheer van Mavisbank. In verschillende geschriften en brieven verafschuwde hij deze wandaad en noemde de aanstichter daarvan ‘a Gothic Knight’. Die man was in de ogen van Clerk een verderfelijke afstammeling van de Goten die het antieke Rome hadden verwoest.
Een replica bij Penicuik

Inderdaad zijn er in Schotland enkele zestiende-eeuwse duiventillen die in zo’n ‘bijenkorf’-achtige vorm zijn gebouwd, zoals die bij Newark Castle (St. Monas, Fife) en bij Elcho Castle, iets ten zuiden van Perth, daar waar de rivier de Tay zich verbreedt tot de Firth of Tay. Dit voorbeeld van Elcho dateert uit circa 1570 en lijkt zo zeer op de verdwenen ronde tempel bij Camelon dat men zich kan afvragen of dit niet ook al in de zestiende eeuw was bedoeld als een herschepping van dit antieke topmonument. De vorm is heel precies opgemetseld, met verschillende maten stenen, niet zo mooi regelmatig als de Romeinse tempel, maar wel in dezelfde strakke contouren, met twee rondgaande lijsten aan de buitenzijde (in de beschrijvingen van de tempel van Camelon worden steeds rondgaande lijsten aan de binnenzijde genoemd) en met een ronde opening bovenin. Elcho Castle was toen bezit van John Wemyss. Er is geen directe informatie over diens mogelijke belangstelling voor Arthur’s O’on of andere oudheden in Schotland, maar in zijn directe omgeving was het ronde gebouw goed bekend: zijn juridisch adviseur was Mr Henry Sinclair, een familielid van bisschop Henry Sinclair die in 1569 al uitvoerig over het ronde monument had geschreven, zoals Sibbald later wist te vertellen, precies in de tijd dat de duiventil bij Elcho gebouwd moet zijn.

De limes als cultuurgrens
Al met al hebben de herinneringen aan de Romeinse grens in het noorden van Brittannië een geheel andere uitwerking gehad dan die aan de grens langs de Rijn en de Donau. Anders dan op het Europese vasteland markeerde de antieke limes in Brittannië in de zestiende en zeventiende eeuw nog steeds een politieke grens tussen rivaliserende landen. De historische tegenstelling tussen de Romeinen aan de ene kant en de ‘barbaren’ aan de andere kant van die grens werden opnieuw in stelling gebracht om de problemen, tegenstellingen en rivaliteit van de eigen tijd historisch te legitimeren.
De Engelsen bleven tot in de achttiende eeuw aan dit beeld vasthouden, ook na de politieke unie met Schotland – de Schotse opstanden tegen de nieuwe koninklijke dynastie gaven een directe aanleiding daartoe. In Schotland zelf waren er twee tegengestelde stemmingen. De adel die nauwe contacten onderhield met het hof en het parlement in Londen, probeerde aan te tonen dat het zuidelijke deel van Schotland net zo’n rijk Romeins verleden had als Engeland. Schotten met een Highland-achtergrond wezen daarentegen op de onverzettelijke weerstand die de Picten aan de Romeinen hadden geboden. Zij gingen er prat op de ware afstammelingen van de antieke Britten te zijn die nooit voor vreemde heersers hadden gebogen. De sporen van de verlaten Romeinse legerkampen waren voor de ene partij symbolen van de glorie van de Romeinse suprematie, voor de andere de overtuigende sporen van de mislukte pogingen van de Romeinen om Caledonië in te lijven.

Dergelijke werken ontketenden in de tweede helft van de eeuw een ware ‘Agricola-manie’ waarbij alom gezocht werd naar resten van Romeinse forten van generaal Agricola. Zelfs in de Schotse Hooglanden meende men nu sporen van de Romeinse cultuur terug te vinden. William Maitland, bijvoorbeeld, beweerde in 1757 allerlei Latijnse woorden te herkennen in de taal van de Hooglanden, het Gaelic. De meest tastbare overlevering van de Romeinse civilisatie in de Schotse Hooglanden was volgens hem de traditionele Schotse kilt, die een voortzetting was van de Romeinse toga. Wellicht geïnspireerd door deze gedachte, liet Colonel William Gordon zich in 1765 in Rome portretteren met het Colosseum op de achtergrond en met zijn kilt gedrapeerd als een klassieke toga.

Deze meer romantische kijk op het Schotse verleden kreeg zijn weerslag in de architectuur van de zogenoemde ‘Baronial Style’, een vrije interpretatie van het laatmiddeleeuwse Schotse kasteel, met veel torens, torentjes en kantelen. De Romeinse oudheid daarentegen werd gaandeweg iets dat alleen museumdirecteuren en historici bezighield, en enkele verstokte lokale oudheidkundigen die in 1816 door Sir Walter Scott in zijn roman The Antiquary danig op de hak werden genomen.


De Picten, in strijd met Romeinen en Saxen
Romeins schip De Meern 1 en de bouw van museum Hoge Woerd
De Romeinse limes in Gelderland
De Romeinse limes – de grens van het Romeinse Rijk