Hoe Shakespeare de geschiedenis van Richard III herschreef

13 minuten leestijd
tombe richard iii
Modern graf van Richard III in Leicester Cathedral, met rechts zijn motto Loyaulte me lie (‘loyalty binds me’). - CC BY-SA 3.0 - Isananni - wiki
De film The Lost King (2022) vertelt het verhaal van de herontdekking van het graf van Richard III. Auteur Kees Slings, gepensioneerd bioscoopoperateur en kenner van Engelse en Schotse geschiedenis, schreef naar aanleiding van deze film onderstaande beschouwing, over historische beeldvorming, Shakespeare en hoe eeuwenoude verhalen ons beeld van het verleden blijven bepalen.

Vijfhonderd jaar van Leugens

De film over de vondst van het geraamte van de ‘verdwenen koning’ Richard III in de Engelse stad Leicester in 2012 legt historisch revisionisme op twee vlakken bloot. Op microniveau toont het docudrama de schokkende wijze waarop de Universiteit van Leicester het jarenlange speurwerk van de Engelse amateur Philippa Langley (gespeeld door Sally Hawkins) naar de achtergrond duwt en de vondst van het geraamte onder een parkeerterrein in het centrum van de stad brutaalweg voor zichzelf claimt.

Filmposter van The Lost King
Filmposter van The Lost King
Dat is de dramatische kern van het verhaal over de door ME (chronisch vermoeidheidssyndroom) geplaagde werkende moeder uit Edinburgh. Op een avond neemt ze haar oudste zoon mee naar een voorstelling van William Shakespeare’s history play Richard III. De voorstelling over de meest verachte Engelse koning raakt een snaar. Ze wantrouwt deze weergave van Richard (gespeeld door Harry Lloyd) als een honderd procent slechterik. Het maakt haar nieuwsgierig naar Richards ware natuur. Met a new lease on life gaat ze op zoek naar de waarheid achter diens monsterlijke reputatie. Ze leest alles wat er over hem geschreven is en ontdekt gaandeweg hoe ‘geschiedenis geschreven wordt door de overwinnaar’. Dat is het macroniveau van historisch revisionisme dat de film blootlegt.

Richard, die tijdens de Slag van Bosworth Field nabij Leicester in 1485 gedood werd, was de laatste koning van het Huis van Plantagenet. Zijn opvolger Henry VII had er alle belang bij om zijn voorganger af te schilderen als een sadistische kindermoordenaar en fysiek afstotelijke hunchback. De Wars of the Roses woedden, het slepende conflict rond de troonsopvolging tussen twee takken van de Plantagenet familie die elkaar haatten. Aan de ene kant stonden de Yorkists van Richard III’s voorgeslacht en aan de andere de Lancastrians waarin via de vrouwelijke lijn de familie Tudor aan de macht gekomen was. Elkaar zwart maken was aan de orde van de dag. Richard schold Henry Tudor uit voor parvenu.

Schelden doet geen zeer, zou je denken. Maar de aantijgingen van de Tudors aan het adres van Richard III smeulden vijfhonderd jaar later nog steeds na.

Kindermoordenaar

De ergste zwartmakerij die hem ten deel viel en die door velen nog steeds voor waar aangenomen wordt, is het relaas van The Princes in the Tower. Richard, Lord Protector na de dood van zijn broer Edward IV, zou diens twee jeugdige zoontjes in de Tower of London opgesloten en uit de weg geruimd hebben. Niemand zag hen meer terug. De resten van beide jongens zijn nooit gevonden. Het was brute kindermoord door een kwaadaardige gebochelde, die z’n eigen kansen op het koningschap in gevaar zag komen. Een klassieke coup d’état van een usurpator, zo luidt de consensus. Maar het verhaal wordt door Philippa Langley vakkundig onderuitgehaald.

The Murder of the Princes in the Tower
The Murder of the Princes in the Tower, James Northcote, 1786. Negentiende-eeuwse verbeelding van de vermeende kindermoord die Richard III eeuwenlang is aangerekend.
Dat gebeurt tijdens een lezing in de universiteit van Leicester van een hoogleraar geschiedenis. Ze vraagt het woord – een beetje verlegen, ze is geen student – en legt uit hoe onlogisch de moordpartij op de beide prinsjes is. De kinderen waren volgens de laatste historische inzichten onwettig, niet omdat de Lord Protector ze middels een Act of Parliament onwettig verklaard had, maar omdat hun vader Edward IV voor zijn huwelijk met hun moeder Elisabeth Woodville al aan een eerdere huwelijksbelofte gebonden was. Een precontract zoals dit woog in die jaren zeer zwaar. Het had haast absolute wettigheid. De prinsjes konden als kroost uit een onwettig huwelijk onmogelijk aanspraak op de troon maken en vormden voor Richard dus geen bedreiging.

De hoogleraar voelt zich door Philippa’s uitleg zo in het nauw gedreven dat hij zijn toevlucht zoekt tot het kleineren van dat amateuristische ‘lid van Richards fanclub.’ Ze gaat ‘op haar gevoel af,’ sneert hij. Richards reputatie is kennelijk in steen gebeiteld sinds de onaantastbare William Shakespeare er in zijn gelijknamige toneelstuk z’n oordeel over uitsprak. ‘A horse, a horse, my kingdom for a horse!’ zijn bepaald niet de laatste woorden van een waardig vorst.

‘Richards fanclub’ verwijst naar een landelijke beweging genaamd de Richard III Society, geuzennaam Ricardians. Philippa is lid geworden van de afdeling Edinburgh (in werkelijkheid was ze er de oprichter van) en voelt zich er spoedig als een vis in het water. Evenals zijzelf houden de Ricardians zich vooral bezig met speuren naar aanwijzingen aangaande Richards ware aard.

Het speerpunt van hun discussies, William Shakespeare, is een muur waar je als Ricardian steeds tegenaan botst.

Trailer van The Lost King:

Narratief

Heeft de toneelschrijver de geschiedenis van Richard III herschreven? Het antwoord is ja. Hij leefde in de Tudor-periode, tijdens de Renaissance. Gedurende Elisabeth I’s Golden Age maakten de kunsten een grote bloei door. Shakespeare was aldus sterk afhankelijk van machtige sponsoren zoals zij. Het benoemen van Henry Tudor’s pr-verhaal aangaande z’n voorganger als fake news, zou wellicht het einde van z’n carrière betekend hebben. Dus herschreef hij de geschiedenis voor Richard III onder echte of vermeende dwang van the powers that be, die het narratief over het Yorkist monster bepaald hadden.

Macbeth

Deed Shakespeare dat wellicht ook bij andere stukken? Bij Macbeth ligt het al iets anders. Hier is sprake van geschiedvervalsing om dramatische redenen. Shakespeare’s bron voor deze tragedie was de zestiende-eeuwse Raphael Holinshed’s Chronicles of England, Scotlande and Irelande, een encyclopedie van de Britse eilanden met bijdragen van auteurs uit de drie landen. De Schotse koning wordt er in afgeschilderd als een vorst die het land fair and just for seventeen years regeerde. Verre van een despoot dus.

Ook in Holinshed’s Chronicles staat het relaas van de nobele Schotse King Duff, die op bezoek bij zijn vazal Donwald (MacDonald) aangespoord door diens verraderlijke vrouw vermoord wordt. Shakespeare vermengde de twee verhalen tot een meeslepend geheel met prachtige teksten, zoals wanneer Lady Macbeth haar man influistert: ‘Look like the innocent flower but be the serpent under’t…’. Het gevolg was een eeuwenlange gitzwarte reputatie van een tamelijk verlicht vorst, de laatste Ard Righ, High King van Keltisch bloed die Schotland succesvol regeerde van 1040 tot 1057.

King Lear

Bizar wordt het bij The Tragedy of King Lear. Opnieuw geldt Raphael Holinsheds kroniek als de bron voor de tekst. Maar die kan de beschrijving van de koning van voor het begin van de jaartelling nergens anders vandaan hebben dan uit een twaalfde-eeuws boek genaamd History of the Kings of Britain (Historia Regum Britanniae) van de Welshman Geoffrey of Monmouth (ca. 1095 tot 1155). Het boek geldt als de eerste internationale bestseller en uitgaven ervan sierden boekenplanken in heel West Europa. Er bestaan nog steeds zo’n 215 originele kopieën van het manuscript, een unicum dat aantoont hoe immens wijdverspreid het destijds was.

Historia Regum Britanniae
Miniatuur uit een vijftiende-eeuws handschrift van Historia regum Britanniae. Scène met strijdende draken uit Geoffrey of Monmouths koningsverhalen.

Maar er zit een luchtje aan het geschrift. Er staan wel erg veel namen in die in geen enkele kroniek of andere bron genoemd worden. Historicus Marc Morris, schrijver van Edward I, A Great and Terrible King (2008), noemt het niet zonder bewondering ‘the most brilliant and audacious literary hoax of the Middle Ages, if not of all time.’

De realiteit is namelijk dat Geoffrey’s beschrijving van Britse koningen en koninginnen niets anders is dan een twaalfde-eeuwse Lord of the Rings. Geoffrey’s Gandalf figureert in een aparte groep hoofdstukken genaamd Prophetiae Merlini, die gewijd is aan de voorspellingen van Merlijn uit de verhalen rond de mythische koning Arthur.

Monmouth’s boek wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste bron van de Arthur-verhalen. Rondtrekkende minstrelen en troubadours declameerden ze aan de West-Europese hoven. Ze vormden een steeds uitdijend universum van spin-offs, met als bekendste titel Le Morte d’Arthur (De Dood van Arthur) van Sir Thomas Malory, een van de eerste gedrukte boeken in Engeland (1485). Personages zoals Lancelot en Guinevere, Sir Percival, Galahad, Morgan le Fay, Mordred, King Pellinore en The Lady in the Lake zagen het licht. Plaatsen als Camelot, Tintagel en het eiland Avalon verschenen op de wereldkaart in verhalen als de Ridders van de Ronde Tafel en de Zoektocht naar de Heilige Graal. Zelfs de van oorsprong Keltische legende van Tristan en Isolde schoof aan aan de Ronde Tafel.

Lancelot en Guinevere
Lancelot en Guinevere – Een romantische voorstelling uit de Arthurlegenden, door N. C. Wyeth, ca. 1922

Stunt

Het populaire boekwerk is tot diep in de zestiende eeuw voor historisch waar gehouden. Van de formidabele Edward I, bijgenaamd Longshanks, Conqueror of Wales en Hammer of the Scots, is bekend dat hij z’n afkomst claimde op grond van Geoffrey’s koningslijst. Maar zijn geloof weerhield hem er niet van het in te zetten als politiek wapen. In 1278 tijdens de nasleep van de bezetting van Wales, haalde hij een politieke stunt uit die illustratief is voor hoe vurig vooral daar in het bestaan van Arthur en de profetieën van Merlijn geloofd werd.

Tijdens een grootschalige ceremonie in Glastonbury Abbey werden de resten van Arthur en Guinevere, die een eeuw tevoren na een hevige brand op de abdijgronden door monniken ‘gevonden waren’, bijgezet in een glanzende zwart marmeren sarcofaag. De beide schedels werden er pontificaal bovenop geplaatst. Dit om de Welsh er weinig subtiel op te wijzen dat de voorspelling, gedaan in Geoffrey’s Prophetiae Merlini, dat Arthur ooit als een Messias zou wederkeren om de Engelsen voorgoed uit Wales te verdrijven, nu wel tamelijk ingewikkeld zou worden.

Stamboom

Bijna twee eeuwen later werd Henry VII er door Richard III van beschuldigd een parvenu te zijn, een pummel zonder ‘right, interest, title or colour, to the throne’. Henry beriep zich als antwoord op de lasterlijke aantijgingen met Historia Regum Britanniae in opgeheven hand op een stamboom die helemaal terugging tot de stichter van Brittannië in 1100 v.Chr.: Brutus, Graaf van Troje. Deze fictieve legerleider, afstammeling van de Griekse held Aeneas, kreeg na de val van Troje tijdens een visioen te horen dat het zijn lot was om naar een paradijselijk eiland in de westelijke oceaan te varen en er een natie te stichten die in een Nieuwe Tijd over de hele wereld zou heersen.

En Shakespeare’s King Lear? Helaas, net als Brutus en Arthur en verreweg de meeste van Geoffrey’s andere Koninklijke helden cq. tirannen, usurpators en verraders van Brittannië is ook deze tragische figuur, vader van de koppige prinses Cordelia, door een twaalfde-eeuwse J.R.R. Tolkien die gezegend was met een ongebreidelde fantasie en een groot literair talent, volledig uit de duim gezogen.

Richard III Shakespeare
Eerste pagina van Richard III, gedrukt in de Second Folio-uitgave van 1632.
Daar waren Britse historici inmiddels ook wel van overtuigd, evenals van de misvattingen over Macbeth. Het was de hoogste tijd dat het laatste bolwerk van Shakespeareaans revisionisme, de gebochelde horrorfiguur Richard III, uit zijn literaire inkapseling bevrijd zou worden. Het spreekt boekdelen dat daar een amateur uit Edinburgh voor nodig was, die ondanks haar slopende aandoening bereid was om de geachte dames en heren historici flink tegen de schenen te schoppen.

Gezuiverd

Gelukkig schuwt The Lost King de luchtigheid niet. Wanneer haar echtgenoot John (gespeeld door acteur/komiek Steve Coogan, tevens producent en mede-schrijver) een beetje genoeg van zijn geobsedeerde vrouw begint te krijgen en zijn heil bij een maîtresse zoekt, krijgt Philippa morele steun uit onverwachte hoek. Op zekere ogenblikken duikt de gestalte van de koning zelf in het straatbeeld op, gekleed in een lange fluwelen mantel, kaarsrecht, verre van gebocheld hoewel z’n rechter schouder iets hoger lijkt te zitten. Hij draagt een gouden kroon op zijn schouderlange zwarte haar.

De hallucinatie (eveneens gespeeld door Harry Lloyd) schenkt haar bemoedigende glimlachjes en goedkeurende knikjes wanneer ze zijn goede eer verdedigt. Hij kijkt met toegefelijk onbegrip toe als Philippa hem uitlegt wat ME is. Van William Shakespeare heeft hij ook nog nooit gehoord. Le Morte d’Arthur moet hem wel bekend zijn. Het verscheen in druk in het tweede en laatste jaar van zijn koningschap, waarin hij de verspreiding van gedrukte boeken actief bevorderde. Dat diezelfde drukpersen onder invloed van de Tudors en Shakespeare vervolgens vijfhonderd jaar lang leugens over hem verspreid hebben, zoals dat zelfs straathonden blaffend voor hem terugdeinsden, is ‘a bit harsh’.

Het is een goede vondst die het verhaal lucht geeft en voor droogkomische dialoogjes zorgt, waarin de komische pen van Coogan, bekend van sketches, series en films over menselijke interactie, duidelijk herkenbaar is. Tevens worden de gevoelens die ze langzaam maar zeker voor het doel van haar onderzoekingen gaat koesteren op efficiënte wijze weergegeven. Het moment van afscheid aan het slot van de film, opgenomen op het slagveld van Bosworth Field, is ontroerend en poëtisch. Richard bedankt haar voor haar inspanningen en galoppeert in vol ornaat met een handvol ridders het slagveld op, zijn ondergang tegemoet en die van Huis Plantagenet, maar in de wetenschap dat zijn reputatie ooit gezuiverd en hij in ere hersteld zal worden. Inclusief een schitterend nieuw graf in Leicester Cathedral en officiële erkenning door de queen.

1520 richard iii
Portret van Richard III (anoniem), ca. 1520. Vroegst bewaard gebleven portret van de Engelse koning, vervaardigd ruim drie decennia na zijn dood.

Heilige graal

Richards rehabilitatie verschuift naar de achtergrond als Philippa’s aandacht zich vestigt op een veel groter raadsel: waar bevinden zich zijn resten? Die zijn volgens de heersende opvattingen na de slag hetzij in Leicester in de rivier de Soar gegooid of ergens tussen het slagveld en de stad in een greppel gedumpt. De koninklijke botten terugvinden is onmogelijk. Het is een barricade die de Ricardians nooit zullen kunnen beklimmen. Veel meer dan onder het genot van een drankje in de kroeg over Richard kletsen doen de geachte leden van de society dan ook niet. Als Philippa verder wil komen is het tijd om zelf op onderzoek uit te gaan.

Via het internet maakt ze contact met lieden die evenals zij koppig op zoek zijn naar de heilige graal van Ricardians wereldwijd, de laatste rustplaats. In de National library of Scotland in Edinburgh stuit ze vervolgens op een kostbaar zestiende-eeuws boek genaamd Anglica Historia van de Italiaanse humanist Polydore Vergil. Hierin vindt ze een duidelijke aanwijzing aangaande het graf.

Naked of all clothing he was laid on horseback, the arms and legs hanging down on both sides. The body of King Richard was brought to the monastery of the Monks Franciscan at Leycester, a miserable spectacle…’

Hij werd begraven in Greyfriars Church…

…which, in 1538, closed down to be replaced by something which was replaced by something which was [insert 500 years of town planning here] replaced by something which was replaced by a carpark. Unruly, van historicus/acteur David Mitchell (2023)

DNA

Tijdens de lezing in Leicester trekt Philippa met haar kritiek op de heersende opvattingen over Richard de aandacht van historicus John Ashdown-Hill (James Fleet), die zich tussen het publiek bevindt. Ashdown-Hill is via de resten van Richards zuster Margaret of York, begraven in Mechelen, bezig met diepgravend onderzoek naar Richards mitochondrisch dna. Na afloop raken ze in gesprek en de historicus geeft haar een cruciale tip, die in combinatie met de tekst uit Anglica Historia van onschatbare waarde blijkt te zijn.

Na de lezing gaat ze in het oude stadscentrum op zoek. De tips volgend belandt ze op een oud parkeerplaatsje. En staande op een hoofdletter R, die lang geleden op het gehavende asfalt gekalkt is, ervaart ze het duizelingwekkende gevoel op Richards graf te staan. Het is ‘een gevoel,’ precies datgene waarmee de hoogleraar haar zo-even nog misogynistisch bespotte. En ook een parkeerwachter ziet het hoofdschuddend aan. Het is die gebeurtenis die de echte Philippa Langley van alles het diepst trof: ze wist het zeker, dit was de plek, de Heilige Graal.

Philippa Langley richard iii
Philippa Langley en historicus John Ashdown-Hill tijdens de herbegrafenis van Richard III, maart 2015, Leicester Cathedral (CC BY 2.0 – Peter Broster – wiki)

Bonenteller

Het lukt Philippa om een gesprek te regelen met Richard Buckley, als archeoloog aangesloten bij de Universiteit van Leicester (Mark Addy). Wat getouwtrek rond fondsenwerving leidt ertoe dat ze een eigen crowdfunding voor een Looking for Richard-project onder Ricardians wereldwijd start. Het zou op zich geen erg spannend deel van de film zijn, ware het niet dat in dit stadium de schurk van The Lost King geïntroduceerd wordt.

Karakteracteur Lee Ingleby, in Nederland vooral bekend als DI John Bacchus uit de serie Inspector George Gently, zet met overgave een bijzonder onaangenaam heerschap neer dat luistert naar de naam Richard Taylor, administrateur van Leicester uni en ‘een bonenteller in maatpak’. Tijdens een bijeenkomst van alle betrokkenen in het stadhuis laat hij z’n masker zakken zodra Philippa de zaal verlaten heeft. Het is zacht gezegd verre van verheffend en Ingleby toont weer eens zijn meesterschap in het spelen van rollen die geen acteur wil, maar die in drama soms noodzakelijk zijn.

Claim

De rest is geschiedenis. Op dag 1 van de opgraving wijst Philippa archeoloog Buckley op de witgekalkte R. Eronder worden een paar botten gevonden van wat volgens Buckley een Greyfriar monnik is die destijds buiten de kerk begraven is. Hij wil verder zoeken naar het koor van de verdwenen kerk, waar belangrijke lieden meestal begraven werden. Philippa zet hem onder druk om de monnik verder uit te graven. Ze is overtuigd van haar gelijk.

Skelet van Richard III
Skelet van Richard III (CC BY 4.0 – Richard Buckley e.a. – wiki)
Buckley gaat zwaar tegen zijn zin overstag – het is haar geld – en enkele uren later rollen de drukpersen wereldwijd en duikt Richard Taylor plotseling ook weer op. Tijdens scènes die ronduit schokkend zijn door hun peilloze hypocrisie wordt Philippa buitengesloten en claimt Taylor voor de verzamelde wereldpers het succes van de opgraving voor de universiteit, ‘op grond van eigen research van wereldklasse’. Haar theorieën over Richards misvormdheid en die over z’n ware aard worden bruut opzijgeschoven ten faveure van de door de universiteit aangehangen visie op grond van Shakespeare’s tekst. Het is van een diepe weerzinwekkendheid.

In 2015 reikte koningin Elisabeth II Philippa Langley voor het Looking For Richard-project een Member of the Order of the British Empire (MBE) uit voor haar inspanningen bij het opgraven en identificeren van Richard III.

In 2018 erkende het Britse koningshuis Richard III als Rightful King from 1483 to 1485. Dat staat ook op de kist in Leicester Cathedral, onthuld tijdens de herbegraving vol praal en koorzang, zoals die ter gelegenheid van de herbegraving van Arthur en Guinevere in Glastonbury Cathedral in 1278. Aanwezig waren alle hoogwaardigheidsbekleders die Philippa Langley tegengewerkt en buitengesloten hebben en haar haar werk ontstolen. Met bonenteller Richard Taylor glunderend in de spotlights.

×