Hoe achttiende-eeuwse schrijvers het vaderland vormden: drie tijdgenoten van Petronella Moens

9 minuten leestijd
Petronella Moens
Petronella Moens - Pentekening door Vera Anna Mae Polkamp / Fixdit
historische klassiekers podcast
 
We komen bij de laatste drie bonusauteurs van de serie Historische Klassiekers: Clara Feyoena van Sytzama, Margareta Geertruid van der Werken en Adriana van Overstraeten. Twee van hen maken deel uit van een “nieuwe” stroming binnen de letteren: de jeugdliteratuur. Met de patriottenstrijd komt ook het verlangen naar het kneden van de jeugd op: zij zijn immers de leiders van later. En de moederrol krijgt daardoor een grotere waardering. Niet alleen worden (vooral) moeders aangesproken op hun pedagogische kwaliteiten, maar ook worden kinderen rechtstreeks aangesproken. Gedichten worden leermethoden die kinderen zelf kunnen lezen, of die aan hen worden voorgelezen, zodat zij leren wat deugdzaam is en wat niet. Zo dicht Petronella Moens over Katootje die een appel uit een mand met appels wil pakken, maar moeder heeft het haar verboden, net als Eva geen appel mocht plukken van de boom. Er komt geen duivel voor in het gedicht, geen slang die Katootje toesist als een slang, nee, Katootje gaat bij haar eigen geweten te rade: mag ik deze appel pakken ja ofte nee? En dan besluit ze van niet en neemt afstand van haar verlangen.

Net als Moens proberen ook Van Sytzama en Van der Werken jonge kinderen de juiste moraal bij te brengen. Het is al in eerdere stukken gezegd: weer beperken deze auteurs zich niet tot maar één genre; bijna alle achttiende-eeuwse vrouwelijke schrijvers waren alleskunners. Moens is daar misschien wel het opvallendste voorbeeld van, maar deze drie blinken daarin zeker ook uit.

Tijdgenoten

Clara Feyoena van Sytzama: ook vrouwen zijn van belang in het domein van de geleerdheid

De wereld waarin Clara Feyoena van Sytzama (1729-1807) leefde was sterk gebouwd op rang, godsvrucht en vrouwelijke bescheidenheid. Dat was niet het milieu om luidkeels van je af te bijten of in opstand te komen, maar evengoed was Van Sytzama zich bewust van haar eigen intellect. Net als bij Juliana Cornelia de Lannoy (aflevering 8) en Betje Wolff (aflevering 9) schemert dat bewustzijn juist door in de momenten waarop zij zich kleiner maakt.

Clara Feyoena van Sytzama
Clara Feyoena van Sytzama
Wanneer Van Sytzama in 1794 terugblikt op haar vroege poëzie, noemt ze dat “kreupele verzen”. Dat lijkt een achteloze zelfcorrectie van een oudere dichter, glimlachend over haar jeugdige uitspattingen en ambities. Maar vrouwelijke auteurs moesten voortdurend balanceren tussen ambitie en bescheidenheid, dus zulke zelfvernedering was in de achttiende eeuw ook een literaire strategie. Want wie te nadrukkelijk geleerd was, liep het risico hoogmoedig of nog erger – een savante – gevonden te worden. Zelfs vrouwen gingen tekeer tegen de geleerdheid van vrouwen, zoals Betje Wolff, die afgaf op savantes, waarschijnlijk uit angst dat ze daar zelf voor versleten werd. Van Sytzama moest haar geleerdheid dus verbloemen.

Dat ze geleerd was, blijkt niet alleen uit haar omvangrijke oeuvre met gelegenheidspoëzie, religieuze liederen, natuurlyriek en historische teksten, maar ook uit de intellectuele citaten en verwijzingen daarin. In “Aan een wijsgeer” dicht ze hoe een bevriende denker haar onderwijst in de filosofie van Leibniz en Wolff (auteurs waar ook Christina Leonora de Neufville zich in verdiept had, zie hier de bonustrack bij Elisabeth Maria Post en het artikel over haar op Historiek). Vervolgens stelt Van Sytzama een vraag die veel verder gaat dan brave dichterlijke beleefdheid:

Ach! waarom heeft natuur geen maagden toegestaan,
Op ’t mannelijke spoor in Pallas’ koor te gaan?

Het is een bijna terloopse vraag, maar over een dan nog steeds fundamentele kwestie: wie heeft toegang tot kennis? Wie mag denken, studeren, publiceren? Een vraag die De Lannoy al had gesteld en na haar ook Betje Wolff en Belle van Zuylen. En voor hen al anderen als Johana Hobius met haar Vrouwenlof in 1643 (aflevering 4).

Voor mannen uit de elite was geleerdheid een vanzelfsprekend onderdeel van het burgerschap. Voor vrouwen bleef intellectuele ontwikkeling vaak afhankelijk van toevallige omstandigheden: soms volgden ze de Franse School, groeiden op in een geletterde familie met toegang tot boeken of kregen privéonderwijs van een stimulerende gouvernante. Van Sytzama, behorende tot de Friese adel, viel een goede gouvernante ten deel, waardoor ze al op haar 12e haar eerste serieuze gedichten schreef. Drie jaar later publiceerde ze haar eerste gedicht en was haar vader zo trots dat hij een mannelijke leermeester voor haar inhuurde om haar verder te bekwamen (onvoorzien was dat de twee verliefd op elkaar raakten). Maar zelfs voor Van Sytzama bleef geleerdheid iets waarvoor ze zich als vrouw voortdurend moest verontschuldigen.

Achter de keurige façade van haar achttiende-eeuwse poëzie ontstaat echter langzaam een beeld van een vrouw die zichzelf serieus neemt als denker en schrijver. Dat zie je het sterkst in haar omvangrijke Heemse: Hof-, Bosch- en Veldzang uit 1783. Op het eerste gezicht lijkt het een typisch achttiende-eeuws hofdicht: een wandeling door lanen, velden en tuinen vol natuurbeschrijvingen en godsdienstige bespiegelingen. Maar in feite gebeurt er iets anders. Van Sytzama interpreteert het landschap als een intellectueel systeem vol betekenissen. Planten, bloemen en seizoenen worden dragers van morele en religieuze kennis – net als bij Elisabeth Maria Post (aflevering 10) en Petronella Woesthoven (bonusauteurs). De natuur is bij hen geen decoratie, maar onthult de betekenis van het leven zelf.

Dat sluit aan bij een ontwikkeling eind achttiende eeuw waarin mensen meer en meer leerden de wereld te bestuderen: de natuur, emoties, zelfs het eigen geweten, geschiedenis. Daarom schreef Van Sytzama ook een actueel politiek gedicht waarin ze verwijst naar de Nederlandse Opstand in de zestiende eeuw (“Op de Nederlandsche zege bevochten op de Engelschen in het zeegevecht van den 5 augustus 1781”), waarvoor ze duidelijk historisch onderzoek had gedaan.

Dat onderzoekende zie je ook terug bij beeldend kunstenaar Maria Sybilla Merian, die begin achttiende eeuw de metamorfose van rups naar vlinder uitvoerig had onderzocht en in beeld gebracht. En die bijvoorbeeld op haar reis door Suriname had ontdekt dat de vogelspin kleine vogels uitzoog, een ontdekking die toen werd weggehoond – men maakte haar uit voor een hysterische vrouw – maar later werd bevestigd als nauwkeurige wetenschappelijke waarneming. Achttiende-eeuwse literatuur raakte steeds sterker verbonden met opvoeding, kennisvergaring en morele training, waarin vrouwen bekneist waren, maar dus niet altijd serieus genomen.

Margareta Geertruid van der Werken leert jongeren wat gevoel is

Waar Van Sytzama behoort tot de hoge adel net als De Lannoy, staat Margareta Geertruid van der Werken midden in een parallelle achttiende eeuw: die van de opkomende burgerlijke opvoedingscultuur waarin Aagje Deken en Betje Wolff de kartrekkers waren. In die sociale klasse draait literatuur niet zozeer om lof, vriendschap of geleerd vertoon, maar steeds nadrukkelijker om de opvoeding. De vraag is wat boeken dóén met hun lezers. En vooral met kinderen.

Margareta Geertruid van der Werken
Margareta Geertruid van der Werken
In de tweede helft van de achttiende eeuw was dit een relatief nieuw idee. Juist dan wordt ook het kind langzaam een lezer. Die is niet meer slechts de onvoltooide volwassene die moet worden voorgelezen. Nee, de schrijver gaat zich empathisch in de gevoelswereld van het kind zelf verplaatsen, die gestuurd, gevormd en geoefend moet worden.

Van der Werken behoorde tot een van de belangrijkere schrijvers in die nieuwe ontwikkeling. Anders dan veel vrouwelijke auteurs uit haar tijd beschikte zij niet over adellijke status of een vanzelfsprekend cultureel netwerk. Vanuit Leiden werkte zij aan een status van beroepsauteur avant la lettre: ze schreef toneelstukken, gelegenheidspoëzie, vertalingen, moralistische teksten en pedagogische werken. En ze wist daarmee een groot publiek te bereiken.

Dat publieke succes is belangrijk. Vrouwelijke auteurs uit de achttiende eeuw worden vaak voorgesteld alsof ze vooral “voor huiselijke kring” schreven, alsof het klein werk was, maar Van der Werken was publiekelijk zichtbaar. Haar toneelstukken werden opgevoerd in de Haagse Schouwburg, ze werden herdrukt en besproken. Ze nam deel aan literaire genootschappen en won prijzen. Daarmee bewoog ze zich in dezelfde literaire infrastructuur als mannelijke auteurs en ontving daar dus ook erkenning.

Haar grootste succes werd het kinderboek De kleine Grandisson uit 1780. Daarmee sloot ze aan bij een van de invloedrijkste literaire trends van haar tijd: de pedagogische briefroman, die Aagje Deken en Betje Wolff hadden geschreven met De historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart. Het boek van Van der Werken was rechtstreeks geïnspireerd op Samuel Richardsons immens populaire roman The History of Sir Charles Grandison (1753–1754). Zij herschreef dat complexe verhaal voor en over volwassenen tot een begrijpelijk opvoedkundig verhaal voor kinderen. De jonge lezer volgt een keurige, gevoelige jongen die voortdurend leert hoe hij zich moreel correct moet gedragen.

Dat vinden wij al gauw verstikkend braaf. De achttiende-eeuwse opvoedliteratuur was dan ook diep moralistisch. Kinderen moesten leren gehoorzamen, hun impulsen beheersen, medelijden ontwikkelen, nuttig worden voor de samenleving. Maar recente onderzoekers hebben laten zien dat zulke teksten méér deden dan alleen discipline opleggen. Ze trainden ook emoties. Kinderen leerden niet alleen wat goed gedrag was, maar ook hóé je hoorde te voelen. Medeleven, schaamte, dankbaarheid en zelfreflectie werden actief geoefend via fictie. Van der Werkens werk is een soort “gevoelseducatie”; lezers leerden zichzelf observeren via verhalen. Het boek probeert niet simpelweg regels op te leggen, maar wil innerlijke moraliteit oproepen, net als het gedicht van Moens over Katootje. De ideale burger moest immers niet alleen correct handelen, maar correct wíllen handelen.

Dat idee hangt nauw samen met de politieke spanningen van de late achttiende eeuw. In de Republiek groeiden patriotse bewegingen, ontstonden nieuwe ideeën over burgerschap en werd opvoeding steeds vaker gezien als iets van nationaal belang. Literatuur kreeg daardoor een bijna politieke taak. Omdat vrouwen traditioneel geassocieerd werden met opvoeding en moraal, konden vrouwelijke auteurs juist binnen de pedagogische literatuur publieke autoriteit opbouwen. Niet ondanks hun vrouw-zijn, maar dankzij het culturele idee dat vrouwen bijzonder geschikt zouden zijn voor morele vorming. Van der Werken kon daardoor met haar kinderboeken, toneelteksten en moralistische werken haar plek claimen in het publieke debat over opvoeding, burgerschap en deugd. Dat maakt haar heel wat meer dan de “brave kinderboekenschrijfster”.

Adriana van Overstraeten: een pleidooi voor historische vrouwen

Adriana van Overstraeten (1756–1828) heeft een heel andere plek, over haar is ook veel minder bekend. Ze stond midden in de literaire netwerken door haar samenwerking met Petronella Moens. Dat maakt van haar minder een eenling, een stipje, zoals vrouwelijke auteurs vaak worden weggezet (en daardoor makkelijk in de literatuurgeschiedenis buiten beeld vallen). Maar tegelijk is ze dus een beetje overschaduwd door de veel zichtbaardere Moens.

Petronella Moens
Petronella Moens – Pentekening door Vera Anna Mae Polkamp / Fixdit
Van Overstraeten is lid van meerdere dichtgenootschappen in Utrecht, Amsterdam, Leiden en Den Haag en beweegt zich daarmee in een cultuur waarin literair succes wordt bepaald door talent, uitwisseling en institutionele erkenning. De ontmoeting met Petronella Moens vormt een keerpunt. Rond 1780 raken de twee vrouwen met elkaar verbonden in kringen die nauw verweven zijn met het patriottische intellectuele milieu. Samen publiceren ze bundels, epen en toneelteksten. Ze krijgen ook samen prijzen en medailles.

Hun bekendste gezamenlijke project, Esther, in vier boeken (1786), wordt zelfs bekroond door een Amsterdamse synagoge met “een groote gouden médaille”. Van Overstraeten laat, samen met Moens, De Lannoy en Van Merken zien dat vrouwelijke auteurs in deze periode ook toegang hadden tot de zogenoemde hogere genres: epos, tragedie en historiografische poëzie. Juist via het genootschapssysteem konden zij zich die genres toe-eigenen.

Opvallend is dat het oeuvre van Van Overstraeten zich grotendeels afspeelt binnen het domein van de geschiedenis en het “grote verhaal”. In gedichten over Jacoba van Beieren en Ruth sluit ze aan bij een grotere tendens binnen de patriottische literatuur: geschiedenis wordt een moreel repertoire. Het verleden reikt de vaderlandse voorbeelden aan op een presenteerblaadje. Vooral de historische vrouwen. Zij belichamen trouw, standvastigheid en morele zelfbeheersing: eigenschappen die juist aan het einde van de achttiende eeuw benadrukt worden. Voor een literatuur die zich steeds meer richt op opvoeding en nationale deugd, zijn juist deze vrouwenrollen uitermate geschikt als moreel voorbeeld.

Ruth, in vier boeken
Ruth, in vier boeken, titelpagina – Adriana van Overstraeten en Petronella Moens, 1786
Voor vrouwelijke auteurs komt daar nog iets bij. Deze auteurs schrijven niet alleen óver vrouwen, maar legitimeren mét die vrouwenrollen indirect ook hun eigen schrijverschap. Van Overstraeten, en ook veel andere vrouwelijke auteurs, vallen met hun keuze voor vrouwelijke hoofdrollen dus binnen de normen van hun tijd, maar versterken tegelijk hun eigen positie als auteur.

Van Overstraeten is relatief onzichtbaar gebleven, net als veel andere schrijvers die in de bonustracks van Historische Klassiekers zijn besproken. Er is nog weinig onderzoek naar haar verricht. We kennen haar naam doordat ze sporen heeft achterlaten via haar samenwerking met Moens. De manier waarop die bronnen zijn overgeleverd en bestudeerd, laat in ieder geval zien hoe selectief een historisch beeld tot stand kan komen. De achttiende-eeuwse literaire cultuur zelf was veel breder, socialer en minder hiërarchisch geordend dan de latere overlevering doet vermoeden.

In die zin is Van Overstraeten geen voetnoot bij Moens of een randfiguur van de genootschapscultuur, maar benadrukt haar lot iets fundamentelers: dat literatuurgeschiedenis altijd ook een geschiedenis is van selectie, toeval en institutionele zichtbaarheid. En precies daar heeft Historische Klassiekers verandering in willen brengen.

Dank voor al uw aandacht voor deze podcast-serie en deze artikelen-reeks.

×