
In de achttiende eeuw – we constateerden het al eerder – nemen steeds meer vrouwen in de Republiek de pen ter hand. Niet als homogene groep, maar als schrijvers die ieder op hun eigen manier omgaan met de beperkingen en mogelijkheden van hun tijd. Tegelijkertijd profiteren ze, vooral tegen het einde van de eeuw, van verlichtingsidealen als vrijheid en gelijkheid. In zekere mate althans. In de bonusauteurs rondom Julia Cornelia de Lannoy zagen we al dat vrouwen daardoor in dichtgenootschappen werden toegelaten, iets wat ook voor Elisabeth Maria Post uit aflevering 10 van Historische Klassiekers geldt. Dat maakte hun werk veel zichtbaarder.
Tijdgenoten
In dat klimaat krijgen vrouwennetwerken en vriendschappen tussen vrouwen extra betekenis als een alternatief voor of aanvulling op het huwelijk. Zo schrijft Elisabeth Maria Post een hele roman in brieven waarin uitsluitend ongetrouwde vrouwen aan het woord komen (Het land, in brieven, 1788). Daarmee maakte ze vrouwelijke ervaringen tot belangwekkend onderwerp zonder hen in relatie tot mannen te beschrijven, zoals Aagje Deken en Betje Wolff met De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart hadden gedaan.

De inhoud van het werk is al even divers. Filosofische en maatschappijkritische beschouwingen gaan geregeld samen met persoonlijke en morele oefening. Bij Elisabeth Maria Post krijgt dat vorm in een combinatie van gevoelsreflectie en godsdienstige zelfbeproeving: het dagelijks toetsen van het eigen leven aan de vraag of men rechtschapen genoeg heeft geleefd om de dood met vertrouwen tegemoet te zien. Bij Katharina de With is die morele dimensie vooral verbonden met ziekte en de dood in herderszangen. Bij Christina Leonora de Neufville en Belle van Zuylen verschuift het accent naar filosofische reflectie en expliciete maatschappijkritiek. Zo ontstaat een breed veld waarin vrouwelijke auteurs uiteenlopende manieren vinden om zich tot de wereld te verhouden en bij de literaire stromingen aan te sluiten: van morele zelfdiscipline tot uitgesproken tegenspraak.
Katerina de With: literatuur als manier om het leven te verdragen
De Utrechtse Katharina de With (1691–1728) komt uit een gegoede, bestuurlijke elite en groeit op in een milieu waarin opleiding en culturele vorming vanzelfsprekend zijn. Toch wordt zij in latere literatuurgeschiedenissen opvallend vaak gereduceerd tot ‘vriendin van’, alsof haar betekenis vooral ligt in haar relaties met anderen. Dat ze daarbij nogal eens wordt weggezet als “dichteresje”, zegt vooral iets over de negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse maatstaven waarmee haar werk werd beoordeeld.
Wie haar teksten in hun eigen context plaatst, ziet iets anders. De With beweegt zich binnen de literaire cultuur van haar tijd en kiest daarbij voor aansluiting bij gevestigde vormen, net zoals Petronella de Timmerman dat had gedaan. Zo vertaalt zij het pastorale drama De getrouwe herderin (1719), een bewerking van werk van de zeventiende-eeuwse Venetiaanse auteur Francesco Contarini. Later, postuum uitgegeven, volgt Fillis van Scirus (1728) naar Guido Bonarelli. Dat zijn geen toevallige keuzes: beide teksten behoren tot de nadagen van de Italiaanse pastorale traditie, een genre dat in heel Europa begin achttiende eeuw opnieuw aanzien geniet. Tijdgenoten waarderen haar bewerkingen en verkiezen ze zelfs boven oudere Nederlandse versies. Haar ambitie ligt dus niet buiten, maar midden in de literaire norm.

Opvallend is bovendien hoe ze zichzelf in haar poëzie observeert via die pastorale identiteit. Bijna net zoals Juliana Cornelia de Lannoy en Betje Wolff met hun ‘Aan mijn geest’ hadden gedaan, spreekt zij óver Lykoris en dus over zichzelf. In een gedicht over het ziekbed van haar moeder bezingt deze Lykoris de ontvangen moederlijke zorg en toewijding, waardoor persoonlijke betrokkenheid en literaire vorm samenvallen.
Dat neemt niet weg dat haar schrijven sterk ingebed is in een kleine sociale kring. De With produceert gelegenheidsgedichten – voor huwelijken, verjaardagen en sterfgevallen – en beweegt zich in een breed netwerk van dichtende en zingende vrienden en vriendinnen van Leiden tot Zeeland, als onderdeel van een gezelschaps- en vriendschapscultuur. In die zin staat zij dichter bij zeventiende-eeuwse voorbeelden als Anna Roemers dan bij latere, expliciet publiek opererende auteurs.
Binnen dat kader krijgt ook het vaak benadrukte motief van ziekte een andere betekenis. De With spreekt in haar gedichten over “bittere tegenspoed” en “felle koortsen”, en haar lichaam is “beklagelijk”. Waarschijnlijk had zij in Het nut der tegenspoeden van Lucretia Wilhelmina van Merken troost kunnen vinden, dat ook over het overkomen van ziekte en verlies gaat, maar dit werk verscheen na De Withs tijd. Ondanks haar ziekte vond zij de kracht om te dichten en was zij trots genoeg om die gedichten te delen. In plaats van zwakjes, zou je haar dus beter krachtig kunnen noemen.
Christina de Neufville en haar filosofische revolutie in dichtvorm
Ook Christina Leonora de Neufville (1713–1781) beweegt zich binnen de literaire cultuur van haar tijd, maar zij benut die op een heel andere manier. Waar bij De With de nadruk ligt op sociale inbedding en navolging, gebruikt De Neufville poëzie juist om zich te mengen in filosofische discussies. Haar bundel Bespiegelingen, voorgesteld in dichtkundige brieven (1741) laat zien hoe zij literaire vorm en intellectuele ambitie met elkaar verbindt.

Haar werk werd bewonderd, maar ook bekritiseerd. Sommigen vonden haar stijl te ‘savant’ (ofwel te wijs) voor poëzie; anderen zagen in haar voetnoten een keurslijf in plaats van een verrijking. Toch was haar invloed groot: Betje Wolff, later een icoon van de Nederlandse literatuur, noemde De Neufville (net als De Timmerman) in 1774 een ‘genie van de alleredelste soort’. Dat was geen loze vleierij: Wolff had De Neufvilles werk bestudeerd en liet zich inspireren door haar combinatie van rede en emotie, een balans die in haar eigen werk centraal zou staan. Bovendien was Wolff door schrijvers als De Neufville gaan dichten: zij was een lichtend voorbeeld voor haar geweest. Al zou Wolff zichzelf later juist afzetten tegen auteurs als De Neufville en Van Merken, die zij toen “de likkers” noemde: ze likten zich in in de mannelijke, retorische vormen en normen van de tijd. Wolff legde die normen naast zich neer en vroeg zich af waarom een man niet zou mogen praten over mode of het nut van waaiers en een vrouw niet over de filosofie van John Locke. Dat zou de literatuur aanzienlijk verrijken.
Christina de Neufvilles bijdrage aan de Nederlandse Verlichting is lang onderschat. Toch was zij een van de weinige vrouwen die filosofische systemen niet alleen begreep, maar ook toepaste om actuele vraagstukken te beantwoorden. Haar Bespiegelingen tonen aan dat de Verlichting niet alleen een mannelijke onderneming was, maar een gezamenlijke intellectuele beweging waarin vrouwen ook een rol speelden.
Belle van Zuylen
Omdat Belle van Zuylen (1740–1805) vrijwel uitsluitend in het Frans schreef, valt zij buiten de Nederlandstalige auteurs waarop de serie Historische Klassiekers zich richt. Toch kon zij niet volledig ontbreken: ze is een van de bekendste en meest intrigerende schrijvers uit de achttiende eeuw. Juist door haar internationale oriëntatie neemt ze een uitzonderlijke positie in binnen de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Haar intellectuele vorming en sociale positie brachten haar in contact met Europese netwerken van schrijvers en denkers. Die positie stelde haar in staat zich vrijmoedig uit te spreken. Haar beroemde uitspraak ‘Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid’, afkomstig uit een brief aan een geliefde, is een kernachtige formulering van een houding die haar hele werk doortrekt. In een samenleving waarin vrouwen juridisch en sociaal ondergeschikt waren en misogynie openlijk werd verwoord in spotdichten en satire, eiste Van Zuylen ruimte op voor intellectuele en persoonlijke autonomie. Tegelijkertijd bewoog ze zich in een milieu waarin vrouwen van haar stand relatief veel vrijheid kenden, vooral ook op seksueel gebied. Een paradox die door historicus Marleen de Vries in Verlicht en vilein treffend is beschreven:
…stel je de hippieperiode uit de jaren 1970 voor, projecteer die op de achttiende eeuw en je komt een beetje in de richting.
Van Zuylens persoonlijke leven weerspiegelt die spanning. Hoewel ze lange tijd weigerde te trouwen, mede uit afkeer van een conventioneel huwelijk, koos ze uiteindelijk toch voor een verbintenis met Charles-Emmanuel de Charrière, met wie ze naar Zwitserland verhuisde. Het huwelijk bleef kinderloos en lijkt haar intellectuele ambities niet volledig te hebben vervuld. In haar correspondentie en literaire werk blijft ze zoeken naar vormen van onafhankelijkheid, vaak in relatie tot anderen: geliefden, vrienden, leerlingen.
Die zoektocht is ook zichtbaar in haar denken. In haar vroege brieven sluit Van Zuylen nog aan bij het optimistische rationalisme van de Verlichting, waarin rede en natuur samenvallen in een harmonisch wereldbeeld. Gaandeweg maakt dat plaats voor een meer sceptische houding, soms aangeduid als fatalisme. In haar latere werk, zoals in de roman Trois femmes, ontwikkelt ze een complexere houding, waarin praktische levenswijsheid (het beroemde “il faut cultiver notre jardin”) wordt gecombineerd met een hernieuwd geloof in morele idealen. Je kunt in dit werk bovendien impliciete kritiek op filosofen als Kant vinden, die vrouwen uitsloten van morele autonomie.
Opvallend is dat Van Zuylen, ondanks haar scherpe blik en kritische houding, bepaalde kwesties ongemoeid laat. Zo sprak zij zich, anders dan tijdgenoten als Betje Wolff, Elisabeth Maria Post, en Petronella Moens niet expliciet uit tegen slavernij, hoewel zij economisch profiteerde van koloniale investeringen en verkeerde in kringen waarin dit onderwerp wel degelijk besproken werd. Ook dat maakt haar tot een complexe figuur: uitgesproken op het ene terrein, terughoudend op het andere.
Ook in de moderne literatuur blijft Belle van Zuylen tot de verbeelding spreken. In De liefde dus (2008) kiest Joke J. Hermsen slim voor een periode in Van Zuylens leven waarover we minder weten, aan de vooravond van de Franse Revolutie, en geeft die vorm in een gedurfde structuur van brieven, dagboekfragmenten en roman. Zoals ik eerder opmerkte in het Financieele Dagblad levert dat “prachtige draden op tussen heden en verleden”, waarbij de grenzen tussen historische bron en fictie nagenoeg oplossen in het uitdagende en trefzekere proza. Alsof je werk van Van Zuylen zelf leest.
Religie als politiek statement in de Republiek: vrouwen aan het woord
Wellust in vrouwenvriendschap: lesbiennes in de zeventiende eeuw?
Vrijheid, vriendschap en wetenschap: drie vrouwelijke tijdgenoten van Juliana Cornelia de Lannoy
Drie tijdgenoten van Tesselschade Roemers: Lubbers, Bourignon en Bruno