Naar een nieuwe huwelijkswet?
‘De dame in sarong en kabaja – Naar Nederland teruggezonden’. Onder deze kop verscheen in mei 1932 een smadelijk stukje in de Sumatra Post. Het handelde over een ‘Europese dame’ die gehuwd zou zijn met een jonge Indonesiër afkomstig uit Medan.
De vrouw was in Nederland getrouwd geweest met een ‘revolutionair’ en in Indië stond ze onder politiezicht, volgens de krant. Het nieuwe huwelijk was in Medan gesloten door een islamitische geestelijke, die het huwelijk vervolgens weer snel ontbond toen bleek dat de dame nog niet officieel van haar vorige echtgenoot gescheiden was:
Mevr. Duchâteau is nu dus vrij, maar voor de overheid schijnen er nu redenen genoeg te zijn om haar het land uit te zetten. Zij is reeds naar de immigratieloods overgebracht. Denkelijk gaat zij Zaterdag scheep naar Nederland.

Het jonge paar werd de talk of the town. [De] blanke vrouw, die in sarong en kabaja innig gearmd met een inlander door Medan paradeerde…
Maria Duchâteau was met haar twee kinderen haar Sumatraanse geliefde, de drieëntwintigjarige Soetan Sjahrir – de latere eerste premier van Indonesië – nagereisd. [Duchâteau was eerst getrouwd met de bekende socialist Sal Tas, een goede en blijvende politieke vriend van Sjahrir red.] Hij had in 1932 zijn studie rechten in Leiden afgebroken om in zijn land van herkomst de sociale misère te peilen en zich volledig aan de nationalistische zaak te wijden.
Maria was zwanger geraakt van Sjahrir, maar zou terug in Nederland een miskraam krijgen. Ze scheidde van haar eerste echtgenoot, trouwde opnieuw met Sjahrir – nu met de handschoen – en pas vijftien jaar later zouden de twee elkaar weer terugzien. Ondanks hun intensieve briefwisseling was het huwelijk voorbij. Maria trouwde toen met een broer van Sjahrir (diens vader, een inheemse officier van justitie in ruste, had vijfentwintig kinderen bij drie vrouwen).

In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw maakte het aantal Europese vrouwen dat met een Indonesiër trouwde een relatief grote stijging door: van 2 procent naar 3 procent van alle Europese gehuwde vrouwen in Indië. Dat kwam in hoofdzaak doordat Indonesische studenten in Nederland relaties kregen met jonge vrouwen die soms ook studiegenoten waren. Deze jonge intellectuele Indonesiërs waren doorgaans van (zeer) goede huize en revolutionair gezind, net zoals hun politiek actieve Nederlandse vriendinnen.
Dat naar die relaties en de eventuele latere huwelijken met lede ogen gekeken werd door het Indische gouvernement zal geen verwondering wekken. Het lot van zowel Maria Duchâteau (pardoes uitgezet worden) als dat van Suzanne Houtman (vijf jaar cel na een willekeurige vervolging) had niet voor niets elementen van afstraffing en vergelding. Zó moest nog steeds worden omgegaan met verraadsters van de koloniale zaak, leek het.
Wat deze jonge vrouwen risicovol maakte was het feit dat ze de publieke aandacht trokken, of dit nu was door hun maatschappelijke bezigheden en Indonesische vrienden, hun uiterlijk of afkomst of, soms, door hun openlijke politieke activisme. Ze maakten daardoor het raciaal gemengde huwelijk zichtbaarder dan gewenst was. Misschien was het daarom dat het gouvernement zich in die tijd begon te beraden op het nadrukkelijk ‘beschermen’ van de Europese vrouw in een islamitisch huwelijk.

Inheems-zedelijke vernedering
Door te trouwen met een niet-Europeaan kreeg de Europese vrouw sinds 1896 immers de status van haar man, volgens de ‘Regeling op de gemengde huwelijken’. Dat betekende voor Europese vrouwen dat ook zij te maken konden krijgen met ‘inlandse’ zaken zoals polygamie, de talak (verstoting) en gedwongen uithuwelijking van hun minderjarige kinderen. Dat was in de ‘colonial mind’ een abominatie: dat ‘ze’ aan hun blanke vrouwen en dochters zaten was op zichzelf een onaangenaam feit, maar om hen ook nog eens inheems-zedelijke vernedering te moeten laten ondergaan – die herinnerde aan het blanke slavinnendom van de Ottomanen – ging te ver.
De koloniale man moest zijn seksuele gang kunnen gaan met de bruine vrouw, maar de bruine man mocht datzelfde niet met de blanke vrouw: anders zou dat overheerser en overheerste immers op gelijke voet brengen binnen de cruciale context van seks en voortplanting. Tegelijkertijd gold dat de ontwikkelde Europese vrouw die zich afgaf met een gestudeerde ‘inlander’ niet meer zedelijk te schande kon worden gemaakt – nu het immers niet ging om seksuele lust maar om intellectueel partnerschap – maar zij kon nog wel als naïeve dwazin worden afgeschilderd.

Hiermee kwam de regering tegemoet aan de wens van hoger opgeleide vrouwen uit de Indonesische elite, die overtuigde voorstandsters waren van de emancipatie van de vrouw. Vooral polygamie werd door hen als vernederend en ‘primitief’ gezien. Voorlichting en onderwijs moesten naast regelgeving in hun ogen zorgen voor een geleidelijk emancipatoir ontwaken van de massa. Verschillende nationalistische clubs voerden dezelfde agenda.
De reikwijdte van de beoogde regeling leek, wat Indonesische vrouwen betrof, echter bijzonder klein: alleen geëmancipeerde elitevrouwen zouden ervan kunnen profiteren, mits hun partner instemde. Maar ‘soesah’ [zorgen, red.] onder in principe alle trouwlustige inheemse vrouwen en hun aanstaande echtgenoten kon de ontwerpregeling wél veroorzaken: als de vrouw een (onverwacht) beroep zou doen op de voorwaarden zou al gauw disharmonie volgen. Dat was een verontrustend gegeven.
Njais [inheemse vrouwen red.], die nog steeds te vinden waren als ‘partners’ van mannen uit alle bevolkingsgroepen, hadden er ondertussen niets aan. Dit terwijl al jarenlang vanuit de nationalistische beweging juist om een wettelijke regeling van hún belabberde positie werd gevraagd. Maar met njais hield het gouvernement zich oudergewoonte niet bezig.
Eenmaal aangenomen zou de regeling in de ogen van Batavia als bijeffect hebben dat de moderne Indonesische elite wat losser kwam te staan van het gewone volk, iets dat de nationalistische zaak van binnenuit zou helpen verzwakken.
Zoals al opgemerkt was polygamie – die zich meestal beperkte tot twee echtgenotes – vanwege de kosten maar voor weinig mannen weggelegd, hoewel het in alle lagen van de bevolking voorkwam. Een veel groter probleem voor ‘gewone’ gehuwde vrouwen vormde de talak, de islamitische verstoting, die voor de man eenvoudig en met onmiddellijk effect uit te spreken was en die niet met financiële compensatie gepaard ging.
Talik, scheiden op initiatief van de vrouw
Uniek voor de islam was het gegeven dat er (waarschijnlijk) alleen in de Indische archipel voor vrouwen een mogelijkheid bestond om zélf een scheiding te entameren: de ‘talik’. Bij de huwelijkssluiting kon de man zijn vrouw het recht geven om een scheiding aan te vragen, mits aan enkele voorwaarden was voldaan. Vermoedelijk gaat het hier om een restant van de pre-islamitische gewoonte voor beide huwelijkspartners om makkelijk en in harmonie van elkaar af te kunnen komen, vooral op Java. Bij de islamisering van Java werd er door vrouwen kennelijk zoveel waarde gehecht aan deze echtelijke ‘ontsnappingsclausule’ dat islamitische geestelijken hier niet omheen konden en met een lokale theologische variant op de proppen kwamen. Iets vergelijkbaars was gebeurd op Ambon met de traditionele rituele besnijdenis van mannen, die in stand mocht blijven maar omgedoopt moest worden tot ‘magislam’.

Het bestaan van de talik als islamitische formule was in de loop der eeuwen onder inheemse (Javaanse) volksvrouwen echter grotendeels in de vergetelheid geraakt. Dat wil niet zeggen dat deze vrouwen en masse opgesloten zaten in ongewenste huwelijken: het gebruik om ‘gemakkelijk’ te scheiden was blijven bestaan. Ene mevrouw C. de Gruyter maakte in 1942, ergens op Java, aantekeningen over het huwelijksleven van haar bedienden:
[De] keukenmeid, een vrouw van zekere leeftijd met grote kinderen, is pas weer getrouwd. We merkten het ’s ochtends aan het [feestelijke] ontbijt.
– Ik ben getrouwd, zei ze om het uit te leggen. Maar kokki heeft al heel wat echtgenoten gehad in haar leven. Zoveel geluk in de liefde ontmoedigt de edelmoedigheid […]
En twee dagen later vertelt kokki me onverstoorbaar:
– Ik ben gescheiden…
De grote Javaanse deskundige op het gebied van traditionele Javaanse normen en waarden Franz Magnis-Suseno schreef (in 1981) dat voor beide partners ‘scheiding niet al te moeilijk te regelen is’. Over het hoge scheidingspercentage meldde hij:
Omdat het eerste huwelijk meestal gearrangeerd is door de ouders, passen veel partners niet bij elkaar. In zulke gevallen is er geen sociale druk het huwelijk voort te zetten. Een scheiding volgt, waarna beide partners kunnen trouwen met wie ze willen. Bijzonder is het, dat door hen over de scheiding gesproken wordt zonder schaamte, zelfs in aanwezigheid van anderen.
Toch pleitten de grote vrouwenorganisaties voor betere voorlichting over de talik en voor een verplichting voor islamitische geestelijken om bij iedere huwelijkssluiting tekst en uitleg te geven over deze optie. Mogelijk hing dit samen met de gestage sociaaleconomische emancipatie van Indonesiërs, door beter onderwijs en de trek naar de steden: van de dorpse, traditionele manieren van doen werd dan geleidelijk afscheid genomen. In tegenstelling tot de door Magnis-Suseno beschreven harmonieuze Javaanse scheiding waren de islamitische talak en talik ‘vijandige’ breuken.
Polygamie was voor de meeste gehuwde Javaanse vrouwen een heel harde dobber. In de autobiografische roman Buiten het gareel (1940) van Soewarsih Djojopoespito komt een passage voor waarin de vader van de jonge vrouw Soelastri na wekenlange afwezigheid zijn echtgenote opzoekt, omdat hun dochter (Soelastri) haar eerste kind heeft gekregen:

Vader nam ’t handje van de baby, vroeg hoe zij heette en zei toen terloops: ‘Moeder, ik ben net in Garoet met Ratna getrouwd,’ als had het niets te beduiden.
‘Wat? Versta ik het goed?’ Het bloed was uit moeders wangen en lippen weggetrokken. Soelastri stond als aan de grond genageld. ‘Ja, met Ratna getrouwd.’ Vader nam baby’s andere handje.
Vader geeft als reden dat hij het huwelijk van hun andere dochter, Marti, wilde redden, want diens echtgenoot was van plan om een buitenechtelijke relatie te beginnen met de jonge Ratna. Vader had al eerder een tweede echtgenote getrouwd: Ipah, een ziekelijke jonge nicht van Soelastri’s moeder. Soelastri realiseert zich met afschuw:
De drijfkracht tot al zijn handelen was immers paringsdrift die hij netjes omhulde met zedelijke motieven.
Indra Kamadjojo – De eeuwige ‘Oosterling’
Moraal in de (koloniale) geschiedschrijving
Alma Bimmermann, pionier in Nederlands-Indië
Verliefd op een Chinees uit Nederlands-Indië
Moederschap in de jaren zestig en zeventig
Lilian Posthumus-van der Goot speelde actieve rol tijdens vredescongres — maar haar naam haalde de annalen niet
‘Al klimmend opkomen voor je rechten’