Week van de koloniale geschiedenis

Moraal in de (koloniale) geschiedschrijving

De historiografie van het koloniale tijdperk lijkt over het zogenaamde ‘goed/fout-perspectief’ heen. Niet langer wordt bijvoorbeeld de Ethische Politiek gezien in termen als ‘nuttig voor de lokale bevolking of instrument van imperialisme’, maar wordt deze onderzocht als ‘cruciale drijfveer of aspect van laatkoloniale staatsvorming’. (1) Verwacht wordt dat het publieke debat over het koloniale verleden deze analytische benadering zal volgen. (2) Zo is bijvoorbeeld het Van Heutz-monument in Amsterdam Oud-Zuid blijven staan, maar heet het nu het ‘Monument Indië Nederland’, als symbool voor de gehele geschiedenis van Nederlands-Indië.

Deze samenhang tussen het wetenschappelijke- en het publieke debat is belangrijk om in ogenschouw te nemen als men de historiografie in het algemeen bestudeerd, maar vooral als het om de historiografie van het koloniale tijdperk gaat. Wesseling stelde al in 1979 vast dat ‘de groeiende interesse in de koloniale geschiedenis en de veranderende benadering ervan, nauw verbonden zijn met de sociaal-politieke context waarin de historiografie plaatsvindt’. (3)

Als we kijken naar een voorbeeld in dezen, de historiografie van Molukkers in Nederland stuiten we hierbij juist vanaf 1979 op problemen. De historiografie vanaf die tijd schetst een beeld van een moeizaam verlopen, maar uiteindelijk succesvol integratieproces. De Molukkers kenden een valse start, doordat hun verblijf eerst ‘tijdelijk’ werd geacht. De sociaal-economische achterstand die zij hierdoor opliepen kwam tot uitbarsting in de gewelddadige acties die de tweede generatie pleegden in de jaren zestig en zeventig. Na de succesvolle integratiepolitiek die volgde zouden Molukkers vervolgens ‘stilzwijgend ’zijn geïntegreerd. Hier hoorde een pacificering bij van het streven naar een onafhankelijke staat, de Republik Maluku Selatan (RMS, Republiek der Zuid-Molukken). (4) Waar in de historiografie de rol van het gedachtegoed achter de RMS is gemarginaliseerd, lijkt in de publieke opinie bij veel Nederlanders de idee te overheersen dat de Molukkers in de steek zijn gelaten door Nederland. ‘Wij’ hadden hen de RMS beloofd en die hadden zij ten onrechte niet gekregen. (5)

Is de publieke opinie voor een historicus een erg glibberig studieobject, de historiografie behoort juist tot de wezenlijke bouwstenen van het historisch wetenschappelijk bedrijf. En de historiografie van de Molukkers in Nederland lijdt aan een te eenzijdige, anti-RMS lezing van de geschiedenis. De centrale stelling van dit artikel is dat historiografische kennis over de drijfveren achter de RMS-beweging noodzakelijk is om werkelijk over de ‘goed-fout’-discussie in de geschiedenis van Molukkers in Nederland heen te stappen, en dat deze casus een bezinnende werking heeft op de historiografie van het koloniale tijdperk, dat recent nog ijverde voor een nieuwe conceptualisering, de ‘New Dutch Imperial History’. (6)

- advertentie -

Hiervoor zal eerst zal ik uitleggen hoe het komt, dat we tegenwoordig zo weinig weten over de drijfveren achter de RMS. Dit zal ik doen door de historiografie in het perspectief te zetten van de algemene historiografie van de koloniale geschiedenis. We zullen zien dat de sociaal-politieke context van de jaren zeventig een grote invloed heeft uitgeoefend op het ontstaan van het historiografisch hiaat in de geschiedschrijving van Molukkers in Nederland. De debatten rondom de zogenaamde ‘Molukkersnota’ van 1978 zijn een belangrijke factor van invloed hierop. Het kwam in dit debat niet tot een synthese tussen voor- en tegenstanders van de RMS, die de weg naar een neutraal geschiedbeeld vrij maakte. Sterker, de argumenten van de aanhangers van de RMS werden met niet-inhoudelijke argumenten opzij geschoven, waardoor, om met kamerlid Verbrugh (GPV) van destijds te spreken ‘er altijd een principieel verschil van mening zou blijven bestaan als het gaat om het beantwoorden van de vraag naar het hoe en waarom van de aanwezigheid van de Zuid-Molukse minderheid in ons land’. (7)

Historiografisch hiaat

“Er was in Nederland in 1978 één partij, die pleitte voor erkenning van de RMS: de GPV.”

Historici in de jaren na de Tweede Wereldoorlog schreven de koloniale geschiedenis nog bijna volledig uit ‘Hollandocentrisch’ perspectief. Dat wil zeggen: de ontwikkeling van de VOC, het Cultuurstelsel, het vestigen van het Nederlands gezag en de Ethische politiek stonden centraal, bezien vanuit de Nederlandse (veelal ambtelijke) bronnen. (8) Impliciet en expliciet drukte deze geschiedschrijving de juistheid van de Nederlandse aanwezigheid in ‘De Oost’ uit. Hoewel er ook uitzonderingen waren (9), kan worden gesteld dat deze geschiedschrijving in dienst stond van het Nederlandse koloniale beleid. (10) De soevereiniteitsoverdracht in 1949 doorbreekt deze samenhang en daarmee begint ook voor de historiografie langzaam een nieuw hoofdstuk. Immers, nu Indonesië onafhankelijk was geworden, had het weinig maatschappelijke relevantie meer om te schrijven over bijvoorbeeld de vruchten van het Nederlandse onderwijsbeleid vanaf de tijd van de Ethische politiek. Toch bleef de Hollandocentrische benadering wel dominant in de jaren vijftig en zestig.

Verscheidene publicaties van Stichting Door de Eeuwen Trouw (DdET) vormden de hoofdvertegenwoordigers hiervan. Deze publicaties staan samengevat in het door de secretaris van de Stichting –de Groninger Gerhard Knot – geschreven overzichtswerk De Zuidmolukse Republiek (1966). (11) De kern van dit werk vormt de aanname dat Molukkers altijd trouwe bondgenoten van Nederland zijn geweest. Zij waren soldaten van het Koninklijk Nederlands-Indisch leger en waren oververtegenwoordigd als inheemse ambtenaren in het koloniale bestuur. Als één van de weinige bevolkingsgroepen in De Oost waren zij bovendien bekeerd tot het christendom. Tijdens de Japanse bezetting zaten zij met Nederlanders in de interneringskampen en zij vochten mee aan Nederlandse zijde tijdens de politionele acties. Molukkers waren voorstanders van een federatieve Indonesische staat, omdat zij zich een ander (Melanesisch) volk voelden dan de Aziatische Javaan en omdat zij graag zelf wilde bepalen in hoeverre de banden met Nederland zouden worden aangehouden. Volgens deze Hollandocentrische benadering was de RMS rechtmatig, dat wil zeggen: overeenkomstig de afspraken die tijdens de Ronde tafel Conferentie (1948-1949) hierover zijn gemaakt. Een belangrijk feit voor een organisatie als DdET was dat de meerderheid van de Molukse bevolking achter de RMS stond: het door de RTC-akkoorden verplicht gestelde plebisciet had zo beslist.

In de jaren vijftig waren er al historici als Jan Romein en Wim Wertheim, die een zogenaamde ‘Indocentrische benadering’ voorstonden en wezen op de marginale- en als dan toch – schadelijke rol die Nederland heeft gespeeld in de geschiedenis van de Indonesische volkeren. Molukkers gingen volgens deze visie het leger in, en dienden als ambtenaar onder het koloniale bestuur, omdat het ze macht en aanzien opleverde, niet uit loyaliteit ten opzichte van de Nederlanders. De bekering tot het christendom was niet zozeer een uiting van verwantschap aan de Nederlanders, maar eerder een manier om de adat, het Molukse gewoonterecht, te handhaven. Veel Molukkers waren Indonesisch nationalist en vochten tegen de Nederlanders tijdens de politionele acties. Zij waren hoe dan ook blij van de Nederlanders af te zijn, of dat nu binnen een federatie of een eenheidsstaat was. Zij voelden zich weliswaar meer Molukker dan Indonesiër, maar Indonesiër genoeg om van Nederland af te willen zijn. (12)

In de jaren vijftig en zestig staan beide benaderingen lijnrecht tegenover elkaar, maar domineert de Hollandocentrische visie via DdET de publieke opinie. (13) Pas in 1977 verschijnt het eerste werk dat zich tegen het werk van Knot keert: Ambon door de eeuwen , een journalistieke studie door Ben van Kaam. (14) Van Kaam spreekt het beeld van de ‘Molukker door de eeuwen trouw aan Nederland’ fel tegen. Een verzinsel van ‘conservatieven’, ‘reactionairen’ en ‘neokolonialen’, stelt hij. Tevens trekt hij de rechtmatigheid van de RMS in twijfel: het plebisciet had niet plaatsgevonden en de RMS werd gedragen door slechts een kleine minderheid van de bevolking. De nadruk die Van Kaam legt op de hierboven genoemde, als negatief bedoelde typeringen is een uiting van culturele veranderingen die vanaf eind jaren zestig in Nederland plaatsvonden: er barstte kritiek los op de gedeelde normen en waarden van de ‘oude generatie’ (15) en zo ook op het Nederlandse kolonialisme. De koloniale geschiedschrijving werd in deze sociaal- politieke context dominant ‘Indocentrisch’: de studies meer antropologisch, de thema’s minder koloniaal. Deze geschiedschrijving stond in verband met de toenemende nadruk die in Nederland op ontwikkelingshulp werd gelegd. (16) Nederland, zo was de consensus, had iets goed te maken en stelde zich op als het morele kompas van de wereld. (17)

Probleem is, dat de Indocentrische benadering teveel de historiografie ging overheersen. Historici als Fasseur, Baudet en de eerder genoemde Wesseling wezen hier nog wel op en stelden dat schrijven over de koloniale geschiedenis nu eenmaal onvermijdelijk met zich meebracht dat er veel vanuit het perspectief van de kolonisator werd bekeken. Dit perspectief teveel loslaten zou betekenen dat veel belangrijke feiten en inzichten over het hoofd worden gezien. (18) Voor zover ik heb kunnen en nagaan, en de betrokken wetenschappers van die tijd bevestigen dit (19), is deze ‘Europacentrische’ benadering nauwelijks opgepikt. (20) In de loop van de jaren tachtig zou vervolgens de huidige ‘neutrale’ benadering zijn ontstaan, en daarop volgend een steeds neutraler wordend geschiedbeeld in het publieke domein. De studie van Bosscher en Waaldijk over de Molukse casus uit 1985 zou hier een voorbeeld van kunnen zijn: hierin werden de argumenten van de voor- en tegenstanders van de RMS tegenover elkaar gezet. (21) Interessant is dat zij in deze studie stellen dat ermee alle feiten definitief op tafel worden gelegd en dat er hierna geen nieuwe meer boven tafel zullen komen. (22) Dit is onjuist. Tot op de dag van vandaag bestaan er onduidelijkheden, over bijvoorbeeld de rechtmatigheid van de RMS. Dit behoeft geen probleem te zijn: dergelijke onduidelijkheden vormen de hart van het vak geschiedenis. Des te opvallender is het daarom dat de historiografie vanaf Bosscher en Waaldijk de ‘Hollandocentrische’ interpretatie van dergelijke onduidelijkheden volledig los laat.

Steijlen bijvoorbeeld, bestudeert de RMS als antropologisch verschijnsel, als vorm van nationalisme. (23)De pro-RMS argumenten die zo dominant waren in de jaren vijftig en zestig komen in zijn werk nauwelijks aan bod. En het overzichtswerk over de Molukkers in Nederland uit 2006 neemt de ‘spanning tussen integratie en identiteit’ als uitgangspunt en beschouwt de RMS vanaf de jaren vijftig al als onderdeel van een ‘culturele identiteit’. (24) Opvallend is de definitieve keuze om de RMS vooral te interpreteren als sta-in-de-weg voor integratie. Dit is precies de wijze, waarop de Nederlandse overheid de RMS altijd heeft bezien, een visie die voor het eerst expliciet tot uiting kwam met de Molukkersnota van 1978.

De Molukkersnota (1978)

Vlag van de RMS
Vlag van de RMS
Wat in de werken van Smeets en Steijlen teveel ontbreekt is de worsteling die vooral de Nederlandse overheid doormaakte met het politieke streven van de Molukkers in Nederland. Deze komt erop neer dat Nederland enerzijds de RMS niet kon erkennen vanuit de rol van voormalig kolonisator, maar tegelijkertijd kon het niet anders dan de feite onder ogen zien: de Verenigde Staten van Indonesië waren illegaal geliquideerd, en de RMS was een gevolg van deze gebeurtenis. Deze tweeslachtigheid leidt tot 1978 tot een halfslachtige negatie van de RMS. Wat ontbrak was een objectieve analyse, die de pro- en anti-argumenten tegenover elkaar zette, waarna een heldere conclusie kon worden getrokken. In de Molukkersnota komen de pro-argumenten echter nauwelijks aan bod en wel om twee redenen. Ten eerste zag de PvdA de RMS als een neokoloniaal product. Ten tweede stelden de VVD en het CDA de goede relatie met Indonesië, het geldelijk gewin, boven alles.

Er was in Nederland in 1978 één partij, die pleitte voor erkenning van de RMS: de GPV. Twee meer invloedrijke partijen wilden wel meer aandacht voor de Molukse politieke idealen: de PPR en de PSP. Beckers (PPR) maakte een juiste analyse van de situatie, toen zij stelde dat er twee ‘denklijnen’ waren die allebei evenveel gelijk hadden, maar vanaf 1950 ‘volstrekt uit elkaar lopen’. Om deze reden alleen al zou de Nederlandse overheid zich moeten inzetten voor de RMS, aldus Beckers. (25) De drie grote partijen vonden echter dat de Nederlandse overheid niets voor de Molukse politieke idealen kon betekenen. Volgens Molleman (PvdA) was het fanatieke RMS-streven van de tweede generatie Molukkers in Nederland meer symbool van verzet tegen zaken, die men niet wenst, dan uitdrukking van een onafhankelijkheidsbeweging of van een emancipatiebeweging. (26) Van Leijenhorst (CDA) stelde dat aandacht voor de RMS onzinnig was omdat ‘de Indonesische kwestie’ sinds 1974 van de agenda was afgevoerd’. (27) En Kappeyne van de Copello (VVD) tot slot, stelde dat het erkennen van de RMS zou betekenen dat de Molukkers juist niet werden geholpen: hiermee zou Nederland Indonesië alleen maar tegen de schenen schoppen, wat de Molukken aldaar geen goed zou doen. (28)

Namens het kabinet nam de vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken Hans Wiegel een zelfde standpunt in als zijn fractiegenoot Kappeyne van de Copello: opkomen voor het Molukse zelfbeschikkingsrecht zou averechts werken. (29) Op de inhoudelijke opmerking van Beckers over de verschillende ‘denklijnen’ reageerde Wiegel als volgt:

“Over deze probleemstelling kan de Nederlandse Regering geen uitspraak doen. (…) Zij kan haar beleid niet bepalen op basis van het feit dat die akkoorden op een gegeven moment verbroken zijn. Dat kan nu eenmaal niet in het kader van de besprekingen die daarover tussen Nederland en Indonesië zijn gevoerd.” (30)

Naar welke besprekingen Wiegel verwees en hoe deze de Molukse claim weerlegden, maakte hij niet duidelijk. Wel is duidelijk dat deze wat geheimzinnig aandoende opmerking toont dat de goede relatie met Indonesië boven alles ging: de deur tot de RMS-lezing van de geschiedenis en daarmee samenhangend de mogelijke inzet voor de RMS werd door de Nederlandse regering definitief dicht gesmeten.

Terug naar goed en fout

Tot 1978 bestonden er twee lezingen van de geschiedenis van de Molukkers in Nederland: van de aanhangers en van de tegenstanders van de RMS. De aanhangers domineerden de sociaal-politieke context tot en met de jaren zeventig. De tegenstanders waren dus in de reactie gedrukt. Dit is een interessante constatering, als men de kwalificatie van aanhangers door tegenstanders in ogenschouw neemt: hun steun aan de RMS werd ook wel ‘reactionair’ genoemd, als zijnde een uitingsvorm van verzet tegen de dekolonisatie van Indonesië. Het was in dit geval ‘progressief ’Nederland die de naoorlogse realiteit definieerde (31), maar ‘conservatief ’Nederland die de realiteit maakte. Met het werk van journalist Van Kaam bracht ‘progressief ’Nederland hier voor het eerst iets wezenlijks tegenin. Opvallend genoeg heeft de overheid, voor welke integratie begrijpelijkerwijs het speerpunt vormde, Van Kaams visie volledig overgenomen, maar –en dat is een kwalijke zaak, zeker daar het werk van Bosscher en Waaldijk een eerste goede aanzet gaf tot een objectieve analyse – de historiografie volgde de overheidsvisie. Hiervoor gaven de regeringspartijen naar eigen inzicht geen politieke argumenten voor; achteraf gezien zijn zij wel degelijk beïnvloed door de ‘Indocentrische’ benadering van de koloniale geschiedenis.

De Molukse casus geeft bezinning voor de recent voorgestelde nieuwe weg die de historiografie van de koloniale geschiedenis in zou moeten gaan, de ‘New Dutch Imperial History’.32De twee doelstellingen hiervan hebben relevantie, maar kunnen nog niet worden uitgevoerd. Van de eerste doelstelling, het verbinden van de Nederlandse en koloniale geschiedenis om meer in het reine te kunnen komen met ‘de gewelddadige activiteiten die tijdens het Nederlandse koloniale bewind zijn uitgevoerd’, is het eerste deel relevant – dat toont dit artikel ook. Maar om het tweede deel, het uiteindelijke doel, te kunnen bereiken, zal er eerst meer onderzoek moeten worden gedaan naar wat ‘we goed’ hebben gedaan in Indonesië. Dit vinden wij in Nederland moeilijk, omdat we, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk, veel minder een nationalistische traditie kennen. Wellicht dat wetenschappers aldaar er daarom ook minder moeite mee hebben om te benoemen wat werkelijk ‘fout’ was aan het Engelse en Franse koloniale verleden. Om de tweede doelstelling van de New Dutch Imperial History te bereiken, de verbinding met de postkoloniale theorie van de internationale historiografie, moeten we daarom niet alleen gaan inzien hoe ‘fout’ de Nederlandse regering handelde tijdens de politionele acties, maar ook tijdens de afwikkelingen van de soevereiniteitsoverdracht, en de morele schuld die Nederland nog steeds heeft te opzichte van vergeten groepen als de Molukkers en de Papua’s.

~ Joes Kuys

Noten

Pages: 1 2

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

1001 vrouwen in de 20ste eeuw - Els Kloek Napoleon - De man achter de mythe (Adam Zamoyski) De rechtvaardigen - Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde (Jan Brokken) Reconquista - Miquel Bulnes Leonardo da Vinci - Sprekende gezichten De bokser - 
Het leven van Max Moszkowicz (Biografie) 80 jaar oorlog - Gijs van der Ham / NTR Het goede leven - Annegreet van Bergen Hitlers Derde Rijk in 100 voorwerpen - Roger Moorhouse De Zonnekoning - Glorie en schaduw van Lodewijk XIV (Johan Op de Beeck)
Gelijk naar geschiedenisboeken over: