Nederland verdiende ooit fors aan opium en cocaïne

Nieuwe WRR-studie schetst 150 jaar Nederlandse omgang met drugs
5 minuten leestijd
Cocaïnepoeder
Cocaïnepoeder. Nederland geldt tegenwoordig als een belangrijk doorvoerland voor cocaïne in Europa.

Volgens een nieuwe historische studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zoekt Nederland waar het gaat om de omgang met drugs al anderhalve eeuw een balans tussen economische belangen, tolerantie en internationale druk. De studie laat zien dat de Nederlandse staat in het verleden niet alleen drugs bestreed, maar er ook zelf financieel van profiteerde.

Nederland speelde in de late negentiende en vroege twintigste eeuw een opvallende rol in de internationale handel in verdovende middelen. Dat blijkt uit het working paper Een tegenstrijdig evenwicht. Tussen economie, tolerantie en diplomatie in de Nederlandse omgang met drugs (1875-2025), geschreven door Koen Hoogendoorn.

In de studie wordt de geschiedenis van de Nederlandse omgang met drugs over een periode van 150 jaar gereconstrueerd. Volgens Hoogendoorn kan de huidige positie van Nederland als belangrijk productie- en doorvoerland voor verdovende middelen niet goed worden begrepen zonder oog te hebben voor de historische ontwikkeling.

De auteur onderscheidt drie factoren die volgens hem door de tijd heen steeds een belangrijke rol hebben gespeeld: economische belangen, cultureel-normatieve opvattingen en internationale diplomatie. Deze factoren brachten volgens de historicus een ’tegenstrijdig evenwicht’ voort, waarin Nederland zich enerzijds pragmatisch en tolerant opstelde tegenover gebruikers, maar tegelijkertijd hard optrad tegen producenten en handelaren.

Opium en cocaïne

coca java
Arbeiders op Java verwerken cocabladeren voor de productie van cocaïne, begin twintigste eeuw.
De studie begint rond 1875, toen in Nederlands-Indië werd geëxperimenteerd met de teelt van cocaplanten. De Nederlandse staat raakte daarmee direct betrokken bij de productie van drugs. Nederland ontwikkelde zich vervolgens tot een belangrijke producent van cocaïne. In Amsterdam verwerkte de in 1900 opgerichte Nederlandsche Cocaïne Fabriek cocabladeren uit Nederlands-Indië tot farmaceutische cocaïne.

De fabriek, die in de jaren zeventig opging in Akzo Nobel, groeide uit tot een van de grootste cocaïneleveranciers ter wereld. Volgens Hoogendoorn was zij verantwoordelijk voor circa 30 tot 60% van de wereldwijde cocaïneproductie. In deze jaren was cocaïne overigens hoofdzakelijk bestemd voor de farmaceutische industrie. Het middel werd bijvoorbeeld gebruikt als verdovingsmiddel bij medische ingrepen. Ook cocaïnetandpasta was in die tijd populair. Na verloop van tijd werd het middel ook steeds vaker als recreatief middel gebruikt.

Anders dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten kende Nederland in de koloniale periode geen uitgesproken moreel verbod op verdovende middelen. Opium en cocaïne werden primair gezien als economische goederen. Hoogendoorn:

…Nederland had via de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC, 1602-1799) een eeuwenlange geschiedenis van opiumhandel in de koloniën. Tijdens de economische crisis van de jaren 1880 besloot het echter nog een stap verder te gaan.

opiumfabriek in Batavia
De centrale opiumfabriek in Batavia, waar opium voor de koloniale markt werd verwerkt, 1899 (KITLV 5965)

Via de zogenoemde Opiumregie verkreeg de Nederlandse koloniale overheid vanaf 1894 een monopolie op de invoer en verkoop van opium in Nederlands-Indië. Rond 1910 waren de opbrengsten uit de opiumverkoop goed voor ongeveer twintig procent van de koloniale staatsinkomsten.

De auteur wijst erop dat Nederland daarmee in een opmerkelijke positie verkeerde: de staat trad niet alleen op als wetgever, maar was tegelijkertijd ook producent, handelaar en exploitant van verdovende middelen.

Regulering

Poster van de Nederlandse matigingsbeweging
Poster van de Nederlandse matigingsbeweging, die waarschuwde voor de gevaren van alcohol en andere verdovende middelen, 1932
Vanaf het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwam internationaal wel steeds meer aandacht voor de regulering van verdovende middelen. In de Verenigde Staten kwam bijvoorbeeld een puriteinse, protestants geïnspireerde beweging op die streefde naar morele zuivering van de samenleving.

Middelengebruik – van alcohol tot opium en cocaïne – werd niet primair gezien als een volksgezondheidsprobleem, maar als symptoom van zedeloosheid en sociale onrust.

Dit leidde tot een reeks internationale conferenties en verdragen, zoals de Opiumconventie van 1912, waarin landen afspraken maakten over controle op opium, cocaïne en andere middelen. Door deze toenemende internationale druk moest ook Nederland zijn beleid aanpassen, wat veel invloed had op de keuzes die de overheid in de jaren daarna maakte.

Gedogen en ondermijning

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 verdween de directe Nederlandse betrokkenheid bij de productie van opium en cocaïne. Vanaf de jaren zestig en zeventig kwam de focus steeds meer te liggen op hoe Nederland moest omgaan met het groeiende drugsgebruik in eigen land. Steeds meer mensen, vooral jongeren, experimenteerden namelijk met middelen als cannabis en later ook harddrugs, wat leidde tot maatschappelijke problemen en politieke discussie aanwakkerde over de beste aanpak.

De studie beschrijft hoe in deze periode de basis werd gelegd voor het latere gedoogbeleid. Om grip te krijgen op de ontwikkelingen werden begin jaren zeventig verschillende onderzoekscommissies ingesteld, waaronder de commissies Baan en Hulsman.

Hun rapporten markeerden een omslag in het denken: niet alle drugs golden als even gevaarlijk, en de maatschappelijke schade van strafvervolging van gebruikers kon groter zijn dan het gebruik zelf. De voorstellen om onderscheid te maken tussen ‘harddrugs’ en ‘softdrugs’ en om ruimte te laten voor harm reduction – het beperken van (gezondheids)schade – waren internationaal uitzonderlijk, omdat de overheid daarmee een onderscheid maakte in de strafmaat. Waar andere landen drugsgebruik primair benaderden als een ordeprobleem dat via strafrechtelijk optreden moest worden bestreden, ontstond in Nederland het idee dat maatschappelijke schade beter kon worden beperkt door gebruik te beheersen en escalatie te voorkomen.
Xtc-pillen
Xtc-pillen. Vanaf de jaren tachtig groeide Nederland uit tot een belangrijke producent van synthetische drugs.

Vanaf de jaren tachtig groeide Nederland uit tot een belangrijk productieland van synthetische drugs als mdma en amfetamine. Tegelijkertijd kreeg Nederland internationaal waardering voor een beleid dat erop gericht was de negatieve gevolgen van drugsgebruik zoveel mogelijk te beperken, onder meer door methadonverstrekking, voorlichting en het testen van drugs.

Volgens de WRR staat het historisch gegroeide evenwicht sinds de jaren 2000 steeds meer onder druk. De relatief pragmatische aanpak van drugs zou er mede toe hebben bijgedragen dat de illegale drugsmarkt zich lange tijd relatief ongestoord kon ontwikkelen en professionaliseren. Met verschillende negatieve gevolgen, zoals aantasting van de rechtsstaat en het openbaar bestuur, meer drugscriminaliteit met soms ontwrichtend geweld en ernstige milieuschade door drugsafval.

Transparantie

Het WRR-rapport
Het WRR-rapport
De belangrijkste conclusie van het rapport is dat de zoektocht naar een compleet nieuw, perfect drugsmodel onnodig is. Veel belangrijker is het volgens Hoogendoorn dat er openheid komt over de keuzes die worden gemaakt, aangezien er altijd afwegingen zullen moeten worden gemaakt tussen botsende belangen. Als de politiek die tegenstrijdigheden niet duidelijk benoemt, blijft het beleid volgens de onderzoeker snel steken in incidentgestuurde reacties, bijvoorbeeld na nieuwe geweldsuitbarstingen of drugsincidenten. Cruciaal voor de houdbaarheid van het Nederlandse model is volgens Hoogendoorn dat beleidsdragers duidelijk maken welke offers worden gebracht en welke risico’s worden geaccepteerd om de zaak in evenwicht te houden.

×