Verpachting
In Frankrijk is de oesterkweek in 1853 bij wet geregeld; er wordt kennis opgebouwd voor een productieve teelt, waarvoor onder meer ook wilde Zeeuwse oesters worden geïmporteerd. Vermogende particulieren maken in de jaren 1860 plannen om in Zeeland eveneens nieuwe initiatieven te ontwikkelen. De investeerders baron O.F. Groeninx van Zoelen (Goes) en jonkheer J.L.H. Pompe van Meerdervoort (Ridderkerk) hebben connecties op de juiste plek. In oktober 1867 gaan ze op studiereis naar de gouvernementsoesterbanken in de Baai van Arcachon in Zuidwest-Frankrijk.

Terug in Nederland valt hun keuze mede op advies van Franse deskundigen op de Zeeuwse wateren, met name de Bank van Yerseke, als meest geschikte locatie. Pompe en Groeninx, nu gesteund door de jonkheren Ludon en Verschoor van Nisse, weten via de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid de overheid te bewegen tot verpachting van de oestergronden in de Oosterschelde, tot ergernis van de lokale vissers en de gemeente Yerseke.
Het systeem van verpachting van de percelen voor oesterkweek wordt bekrachtigd bij Koninklijk Besluit van 25 februari 1870. De gemeente Yerseke vreest dat gegoede pachters de overhand zullen krijgen. Ook de Thoolse vissers zijn niet blij; een van hen belooft aan de nieuwe pachters: ‘Wij zullen visschen totdat de schulpen in uw gezicht terecht komen.’
Oesterbaronnen en oesterputten
De bange verwachting wordt bewaarheid: een groot deel van de oesterpercelen komt in handen van rijke ‘oesterbaronnen’. In totaal worden in 1870 217 tot 260 percelen uitgegeven van doorgaans 5 of 10 hectare, en afgebakend met lange takken. Latere verpachtingen strekken zich steeds verder uit, tot in de Zandkreek, Eendracht, Mosselkreek en het Sloe (1879) en zelfs voor Westenschouwen (1881). Na 1886 bestaat in de Oosterschelde geen visserij meer op niet verpachte percelen; ook sommige ooit luidkeels protesterende Tholenaren bekeren zich tot het pachten.

Een eerste oesterput wordt in 1871 aangelegd. In deze ‘vloeiput’ worden pannen met oesterbroed en jonge oesters voor de winter opgeslagen, ter bescherming tegen ijsgang en storm. Firma De Groot en Bollier legt tussen 1873 en 1883 de huidige oesterputten naar Frans model aan; de aanvankelijke opzet is om hier jonge oestertjes gecontroleerd te laten opgroeien tot ze groot genoeg zijn om te verkopen. In nog geen decennium verandert de zeedijk van Yerseke (de huidige Havendijk) totaal van aanzien. Gaandeweg verandert de functie van de putten: van kweekplaats komen ze in gebruik voor tijdelijke opslag voor de handel.

Dakpannen
Na inwerkingtreding van het verpachtingssysteem worden ’s zomers in grote aantallen witgekalkte dakpannen op de banken in de Oosterschelde geplaatst. De oesterlarven, die eerst vrij rondzwemmen, zakken na tien tot twintig dagen naar beneden en hechten zich dan aan deze pannen. In de herfst vindt opslag plaats in buitendijkse bewaarputten. Het volgende voorjaar gaan de pannen de wal op om te worden afgestoken, waarna de oogst weer in zee gaat op met gaas overdekte ‘ziften’, zodat ze gevrijwaard blijven van krabben en zeesterren. De pannen krijgen intussen een nieuwe kalklaag. Na nog enkele selectie- en schoonmaakfasen zijn de oesters na twee tot drie jaar geschikt om verkocht te worden en worden in afwachting daarvan opgeslagen in de oesterputten.

De lagere prijs en status van de mossel, vergeleken met de oester, heeft met de minder arbeidsintensieve teelt te maken. Veel van de oogst wordt plaatselijk verkocht of in omliggende gemeenten uitgevent. De rest gaat naar handelaren uit Bruinisse, Philippine en Yerseke, of schippers varen zelf naar Antwerpen, Mechelen en Brussel. Opkopers staan daar vaak in rijen aan de kade te wachten. Deze reisjes genereren kleurrijke verhalen over kroeg- en bordeelbezoek, en voor sommigen nogal onaangename gevolgen in de vorm van geslachtsziekten.

Vrouwen

Ook verschijnen tal van toeleverende bedrijven van ‘pannenboeren’, zeilmakers, kalkblussers, timmerlui, kuipers en dergelijke, en kleine neringdoenden die iedereen van dagelijkse benodigdheden en diensten voorzien. Aan de Damstraat verrijst in 1877 een kloek postkantoor. De nieuwe oesterbaronnen ontvangen belangrijke gasten in het in 1872 geopende hotel De Oesterbeurs middenin het Zuid-Bevelandse dorp. De voldane gasten worden met een rijtuig naar het spoorstation teruggebracht. De nabijheid van het station is sowieso een belangrijk element voor de nieuwe dynamiek; niet in het minst voor het vervoer van de vaten oesters naar de klanten.

‘Een verwildert uitzigt’
Bij de ‘vreemde’ oesterbaronnen voegen zich als perceelpachters al snel lokale notabelen. Zoals burgemeester (tot 1881) en boer W. van Oeveren en zijn opvolger Kakebeeke, maar ook gewone burgers en neringdoenden. Ze onderscheiden zich van het toegestroomde arbeidsleger: mensen die niets bezitten en wonen in kleine huisjes aan smalle steegjes. De hygiënische toestanden zijn daar abominabel, een woning bestaat vaak alleen uit een kamer met twee bedsteden voor de ouders en een vliering waarop het talrijke kroost zijn nachtrust moet vinden. Voor zichzelf laten de oesterbaronnen riante onderkomens optrekken aan de Damstraat en elders in het dorp.
Van de nieuwe buurtjes is ‘Polen’ tussen Yersekendam en Yerseke de bekendste, spottend ‘de rijke buurt’ genoemd. De dicht opeengepakte huisjes staan pal onderaan de Varkensdijk, daarvan gescheiden door een smal paadje; licht valt amper binnen. In 1878 wonen hier al twintig gezinnen. De ongeplaveide straten staan regelmatig blank, een probleem waarmee men ook elders in het dorp kampt. Sloten om de huisjes fungeren als open riool en drinkwater wordt uit tonnen betrokken die als regenbak dienstdoen. Een tijdgenoot beschrijft de typische vader des huizes hier als gekenmerkt…
…door ’n groote, forsche gestalte, met meestal een flinke bos, ongekamde haren op ’t hoofd, ruige, niet onderhouden baard en of snor wat sommigen hunner een verwildert uitzigt gaf.
In 1873 is de waarde van een huisje 75 gulden, twintig jaar later is de prijs wegens de toestroom van inwoners opgelopen tot 260 gulden. Bij de dijkverzwaring van 1959 moeten veel huisjes wijken, in 1960 wordt begonnen met de bouw van acht woningwetwoningen langs de Varkensdijk. Van het oude Polen verdwijnt elk spoor.

Klondike aan de Oosterschelde
De snelle toename van de bevolking bedreigt de sociale structuur van Yerseke. De meeste migranten komen uit andere Zeeuwse plattelandsgemeenten. Met de arbeidersgezinnen stromen ook veel gelukzoekers binnen. Men spreekt over de decennia vanaf 1870 wel van het Zeeuwse ‘Klondike’, wegens de wilde toestanden in Yerseke, die met gevoel voor effect vergeleken worden met de goudkoorts in Alaska en Canada.
Het dorp wordt een ruig oord met straten vol vreemd werkvolk, kroeglawaai, kermisoproer en messentrekkerij: ‘nachtelijke burengeruchten, rustverstoringen en vechtpartijen’ heet het in 1878. Drinkgelagen en incidenten rijgen zich aaneen. Op kerstavond 1876 bijvoorbeeld hebben de vissers Flip Pekaar, Jan Schot en Johannes Mieras zo de hoogte dat ze poedelnaakt een dansje op het biljart van Het Wapen van Zeeland uitvoeren; de kerkelijk gezinden betitelen hun Yerseke in deze tijd afkeurend als ‘Sodom en Gomorra’. Ook oesterdiefstal en -sluikhandel bloeien.

Twee rijksveldwachters en één gemeenteveldwachter slagen er niet in de orde te herstellen. Gemeenteveldwachter Koster is een notoir drankorgel. Hij loopt vaak urenlang dronken door het dorp, nagejouwd door inwoners. Gehandhaafd uit medelijden met zijn kinderschaar, krijgt Koster er in 1885 een collega bij: Johannes Bles, die al snel net zo ongeschikt blijkt. En de onrust groeit alleen maar. Een besluit om de kermis af te schaffen leidt eind september 1888 tot een volksgericht tegen raadsleden en wethouder Lemson, en tot rellen die met politie van elders en vertoon van karabijnen moeten worden bedwongen. Het plan om de kermis af te schaffen, aldus een speciaal gecomponeerd kermislied…
…wijst op ezelsooren, Op echte dwingelandij, Wat leed is ons beschoren, Door deze “heerschappij”!
Koster, die al wordt verdacht van een kraak in het gemeentehuis, wordt medeplichtigheid aan de rellen aangewreven. Pas in 1897 wordt hij na 35 jaar dienst ontslagen – er is intussen een derde gemeenteveldwachter aangesteld – nadat hij onder meer op een nacht in 1890 onzichtbaar blijkt, als het Leger des Heils het doelwit is van weer een ander volksgericht. Meer dan honderd Yersekenaren trekken brallend en zingend door de straten, omsingelen en mishandelen heilsaanhanger Johannes Mieras en gooien zijn ruiten in, hetgeen nadien wordt herhaald bij een andere woning van heilsoldaten.
Tegenkrachten
Er zijn natuurlijk tegenkrachten om de rauwheid te bedwingen. De bevolkingstoename noopt tot de bouw van enkele scholen. Het religieuze leven wint, behalve met het Leger des Heils, eveneens aan diversiteit – enerzijds een teken van pogingen om de beschaving te bevorderen, maar anderzijds ook van een rusteloos zoeken dat juist een gevolg is van de sociaal-culturele ‘deining’ die Yerseke in haar greep heeft.
De Afgescheiden gemeente Kruiningen-Yerseke begint in een schuur in 1836; in 1865 komt er een eigen kerk op een stuk bouwland. Ook een zelfstandige Vrije Evangelische Gemeente komt al vóór 1872 op verschillende plekken bijeen. Deze krijgt in 1890 een eigen kerkgebouw. De katholieken van Yerseke gaan nog ter kerke in Hansweert, tot in 1893 kapelaan J.B.A. Diekman de parochie van de H. Anna sticht.
Yerseke krijgt in 1885 zelfs een eigen krant, de Ierseksche en Thoolsche Courant. Vijf jaar later wordt ook een telegraaflijn in gebruik genomen. Naast aandacht voor landbouw, handel en nijverheid gaat de krant zich richten op berichtgeving over de oesterteelt. De ondertitel luidt dan ‘weekblad, gewijd aan de belangen van oesterteelt, landbouw, enz.’. In 1932 verandert de naam weer in Thools(ch)e Courant. Het blad stopt er in 1950 mee.
Op de bres voor belaagde vrouwen

Neeltje geeft lezingen, schrijft brochures en in 1914 zelfs een roman over een dienstbode die door ‘een heer’ in de steek wordt gelaten; in 1907 gaat ze zelfs op audiëntie in het Paleis op de Dam. Neeltje Lokerse is geen ‘echte’ feministe. Om ongehuwde moeders en dienstbodes te beschermen vindt ze dat prostitutie moet blijven bestaan. Ook meent ze dat voor een ongehuwde moeder het huwelijk beter is dan alimentatie. Haar zoon, die ze niet heeft kunnen opvoeden, blijft haar steunen. Tot haar dood in Voorburg in 1954 blijft Neeltje haar Bevelandse dracht trouw.
Spiritistische beroeringen
Het zoekende, roerige karakter van Yerseke uit zich ook in het spiritisme, dat als een soort modeverschijnsel door Nederland waart en Zeeland niet overslaat. In Yerseke bestaat sinds 1885 een spiritistische kring. We weten dit uit dagboekaantekeningen van Jeanne E.C. Muller-Vermaas, dochter van de hervormde predikant in het dorp, die zelf enkele seances bijwoont.
Er worden aan de opdoemende geesten allerlei vragen gesteld, die met tikken en kloppen worden beantwoord. Jeanne: ‘Af en toe moest ik lachen, maar dan werd ik onverbiddelijk als storend element verwijderd.’ Griezelig vindt ze het, wanneer iemand in trance raakt:
Plotseling begint het medium met armen en benen te slaan, de ogen gingen draaien, zodat men alleen het wit zag. Iedereen zweeg en zat doodstil te wachten tot het medium rustig werd en met diepen stem aankondigde: “ik ben gereed, vraag maar”.
Allerlei vragen over overledenen worden gesteld, waarop het medium met een grafstem ja of nee antwoordt, of alleen met het knikken van het hoofd.
In januari 1886 manifesteert zich naar verluidt de geest van de in 1870 gestorven ds. Budding, een prominente voorganger van de Afscheiding van 1834, in het Vrij-Evangelische kerkje van Yersekendam. Via de voorganger brengt de ontslapene enige geschreven, weinig zeggende boodschappen door, zoals ‘God is liefde’. Ook bij Yerseker gezinnen thuis manifesteren zich geesten. Een verslaggever: ‘Hoe komen zoveel menschen op eenmaal in een zielstoestand, die aan krankzinnigheid grenst?’ Zelfs de apostelen Petrus en Paulus ‘verschijnen’ in Yersekendam. De spiritistische beweging verloopt hier echter even snel als zij is opgekomen; in de loop van 1887 is het alweer gedaan.
Veel van de berichtgeving over deze gebeurtenissen danken we aan de charismatische D.P.M. Huet, die in 1878 in Goes als predikant is bevestigd en in 1885 het spiritisme aanvaardt. Hij is hervormd, maar hoort naar de geest meer thuis bij de vrij evangelischen, die net als hij de strenge calvinistische leer van de predestinatie als strijdig met de christelijke liefdesleer afwijzen. Ook Huet komt tijdens seances naar zijn overtuiging in contact met de geest van Budding. In 1890 zweert hij het spiritisme af als zondig, hoewel hij de realiteit van de verschijnselen staande houdt.
Recessie en stabilisering
Elke boom wordt op zeker moment gevolgd door een recessie; in de oestersector van Yerseke vindt die plaats vanaf 1885, na een herverpachting van de percelen in 1882. De huren zijn sterk verhoogd, de marktprijs van de oester is met meer dan de helft gedaald en dat hangt behalve met het grote aanbod ook samen met sterfgevallen als gevolg van het eten van besmette oesters. Veel kleinere oestervissers kunnen de fors gestegen pachtsommen niet meer opbrengen. Bedrijven sneuvelen; werknemers, kleine ondernemers en neringdoenden verlaten Yerseke gedesillusioneerd. Veel vrouwen gaan bij eb noodgedwongen clandestien krukels (alikruiken) en oesters rapen, wat veel boetes oplevert.

Ook beroepsvissers komen wegens schemerige activiteiten op andermans percelen in conflict met de strenge visserij-opzieners, wat in sommige gevallen op fysiek geweld uitdraait. Tientallen gezinnen slikken hun trots in en doen een beroep op ondersteuning door de kerken en het burgerlijk armbestuur. Veertien families emigreren in 1889 naar Argentinië, anderen komen terecht in Sayville (nu een voorstad van New York).
De hogere echelons lijden eveneens onder de crisis. Zelfs de zeer invloedrijke Pompe van Meerdervoort, onder meer directeur van zijn eigen Nederlandsche Maatschappij voor Kunstmatige Oesterteelt en sinds 1885 ook lid van het Bestuur der Visscherijen, trekt zich na aanzienlijke verliezen in 1891 terug uit de sector.
Familiebedrijven
De ontwikkelingen leiden tot een verkwijning van het speculantenwezen; hechte familiebedrijven treden weer op de voorgrond. Sommigen, zoals de gebroeders Sandee, hebben eerst hun expertise in dienst gesteld van ‘baronnen’ als Pompe van Meerdervoort en Clifford. De oestermalaise zorgt ook weer voor toename van het aantal mosselvissers in Yerseke, zo’n negentig rond de eeuwwisseling.

Isaac Beeckman – Nederlandse inspiratiebron van René Descartes
‘Zoo is het mogelyk in een zoo naauw vertrek 200 slaven te bergen’
Duitse executies in Zeeland in 1944
De Chinese Muur van Zeeland