Heksenjacht
In 2023 kregen alle leerlingen van het eerste tot en met het zesde leerjaar van Basisschool De Parkschool uit Melle bij Gent de opdracht een heks te tekenen. Buiten het thema ‘heks’ kregen de leerlingen geen verdere omschrijving. Ondanks de vele kinderboeken die de laatste jaren zijn verschenen over lieve, goedaardige heksen, zoals Heksje Lilly, Foeksia, Lotje of Hennie, tekenden deze leerlingen allemaal, zonder uitzondering, het stereotype beeld van de boze sprookjesheks. Het vliegen, het boze, het vrouwtje, de kat en de ketel zijn allemaal present. Door te kijken waar dit beeld vandaan komt, zien we de creatie van een stereotiep vijandbeeld. Een zondebok die men de schuld kan geven van alles wat misgaat.
Een stereotiep beeld

Wat ook de exacte cijfers zijn, de psychologische impact van deze vervolgingswaanzin moet vele malen dieper zijn. Wanneer roddels razendsnel omslaan in verraad, creëren verdachtmakingen een claustrofobische atmosfeer waarbinnen een vervolgingswaanzin kan ontstaan. Zoals in elke complottheorie, ontstaat er een stereotiep beeld van het slachtoffer waarin bepaalde kenmerken uitvergroot worden. Het kadert in het mechanisme van het wij-zij denken. Zo worden bepaalde karaktertrekken benadrukt, denk maar aan de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog waarbij deze mensen steevast met grote neus en geld werden voorgesteld.

De heksenwaan creëert ook zo’n typisch beeld. Wellicht verscheen een lelijk, oud vrouwtje met een haakneus en een wrat voor uw geestesoog toen u daarnet de titel las. Liefst roert ze ook nog in een kookpot met vreselijke ingrediënten, heeft ze een zwarte kat en kan ze elk moment op haar bezem wegvliegen. Dat is ook waar de kinderen van de Parkschool aan dachten. Deze elementen zijn niet alleen beeldbepalend voor de iconografie van de heks, die beeldvorming is ook in onze gewesten ontstaan.
Dr. Renilde Vervoort, die in 2011 op dit onderwerp promoveerde, heeft aangetoond dat Breugel de eerste was die al deze, voor ons typische, elementen van ‘de’ heks samengevoegd heeft. Toch heeft hij het idee van de vliegende vrouw niet zelf bedacht. Er wordt al over geschreven in de negende eeuw. Vanaf de dertiende eeuw vinden we ook picturale weergaven van vliegende vrouwen in manuscripten en op kerkmuren. De bijdrage van Bruegel is dat hij al deze elementen heeft samengevoegd, ook de kat en de ketel. Zo heeft de schilder tot op vandaag het heksbeeld bepaald. Maar wist u ook dat dat iconisch beeld een kern van waarheid in zich draagt?
Tussen 1580 en 1680 is tachtig procent van de slachtoffers een vrouw (vergeleken met vijftig procent in de periode tussen 1300 en 1500 wanneer er ook al veroordelingen waren voor zwarte magie), is vijfenzeventig procent ouder dan vijftig jaar (wat bejaard was in die tijd) en is vijfenzestig procent alleenstaand (waarvan veertig procent weduwe). Het klassieke beeld van de boze sprookjesheks dus.
Complottheorieën en fake news

Ook vanuit de gemeenschap zelf worden de heksenverhalen verspreid. De theorie krijgt een extra betekenislaag doordat individuen op eigen initiatief verhalen en roddels beginnen te verspreiden. Bepaalde verhaalelementen evolueren daarbij zodanig dat ze in de ogen van de mensen die tijdens de heksenvervolgingen leefden geloofwaardig blijven. De demonologen weten de juiste snaren te raken. Zij distilleren uit het heidens volksgeloof die elementen, zoals de kat en de ketel, die bijdragen aan het vijandbeeld.
Ketel
‘Coopt eenen niewen aerden pot, daer inne doende ’t water (urine) van de betooverde persoon, scraepsel van nagelen, hayr van ’t hooft, drie hartgens van voegeltjens, seecker naelden ende spelden ende al samen cookt dat men bij sich selven seggen sal, dit cook ick in duvels naem.’ (Bekentenis onder tortuur van Grietgen Willems uit Amersfoort, 11 september 1595)HUA 642, Stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 7
In dit citaat bekent Grietgen Willems een magisch ritueel dat bekend staat als de heksenfles. Het doet wel erg denken aan de toverdrankjes brouwende heks uit de sprookjes. Het is geen ketel, wel een kruik en die wordt gevuld met een speciale inhoud: spijkers, naalden of spelden, aangevuld met een plukje haar, nagels en heel vaak ook een hart. Uit vergelijkbare Engelse bronnen weten we dat er een uit stof geknipt hart bij moet, maar uit de bekentenis van Grietgen leren we dat het ook om echte organen kan gaan. In dit geval vogelhartjes. Dit alles wordt overgoten met urine van de ‘betoverde persoon’ en hermetisch afgesloten. In tegenstelling tot wat we zouden verwachten, gaat het hier niet over hekserij maar juist om een beschermingsritueel of ‘onttover’.

Bepaalde mensen werden geacht over speciale gaven te beschikken. Grietgen moet zo iemand geweest zijn. Zij kon door de heksenfles te ‘lezen’ aanvoelen of iemand al dan niet behekst was. Cliënten deden haren, nagels of ‘hun water’ (urine) in de fles en brachten deze naar Grietgen. Als een soort medium kon zij dan ontdekken of ze al dan niet het slachtoffer zijn van kwalijke magie. Grietgen bekent dat ze mensen die zich betoverd waanden zo heeft geholpen.
Ook in Mechelen vinden we dergelijke bezweringsrecepten terug. ‘Om een tooveresse te doen comen’, wordt in een zeventiende eeuws document aanbevolen om ‘eenen nieuwen herdenen (aardewerken) pot’ te kopen en daarin ‘onghetelde naghelen’ te leggen, vervolgens moet alles overgoten worden met ‘soete melck voor de sonne ghemoelcken’ waarna de uitvoerder nog ‘nemt twee reptanden en lecht die int vier tot dat sy gheloeijende heet zijn en steckse jnde melck.’ De ‘reptanden’ zijn de scherpe punten van een vlaskam.
De geloofwaardigheid van bekentenissen van gefolterde personen blijft een heikel punt. Zo weten we natuurlijk niet in hoeverre Grietgen en al die anderen die magische praktijken bekend hebben, niet gewoon hebben herhaald wat hen door hun ondervragers is voorgezegd. Zijn die bekentenissen louter gedaan onder invloed van de angst en de pijn van de marteling? In hoeverre zijn de schilderijen van Bruegel en zijn volgelingen het resultaat van echte gebruiken, dan wel van verhalen?

Tot archeologische vondsten de magische gebruiken onderschreven moesten we het antwoord hierop schuldig blijven. In 2020 doet men een bijzondere ontdekking in Turnhout. Tijdens archeologische opgravingen op het Zegeplein vindt men een versierde kruik. Op zich niet zo bijzonder, maar tijdens de werken slaat een kraan er een barst in. Een geluk bij een ongeluk zo blijkt want door het gat droop een vieze substantie. En dat werd wel onderzocht. Uit de chemische analyse werd duidelijk dat er urine in de kruik zit. Daarnaast vinden de archeologen ook dierlijke of menselijke eiwitten die niet afkomstig zijn van vlees of melk, maar eerder bloed, haar, hoorn, en/of nagels. Omdat de eiwitten heel goed bewaard zijn, concluderen de onderzoekers dat de kruik kort na het vullen hermetisch werd afgesloten. De kruik zelf is vermoedelijk in het tweede kwart van de zestiende eeuw in de omgeving van Keulen geproduceerd.
Ook in Amsterdam, Arnhem en Drenthe zijn mogelijk heksenflessen gevonden, maar hard bewijs ontbreekt. Omdat de inhoud van de Nederlandse vondsten nooit chemisch geanalyseerd werd, wordt de Turnhoutse vondst, na vergelijking met Engelse vondsten, beschouwd als de eerste bewezen heksenfles op het Europese vasteland.
Vliegen
In een poging heksen nog meer te ontmenselijken en hen de absolute publieksvijand te maken, schrijven de demonologen dat ze lijkjes van ongedoopte baby’s in hun toverdranken mengen. Het zou zelfs één van de basisingrediënten zijn voor vliegzalf. Van vliegzalf zijn recepten bekend, die bestaan uit verdovende of zinsbegoochelende substanties. Het feit dat daar door de demonologen nu de meest ranzige zaken als dode kinderen aan toegevoegd worden, kadert in hun poging de heks te ontmenselijken. Iets wat in elk zondebokmechanisme voorkomt.

Het gebruik van ongedoopte babylijkjes als hoofdingrediënt voor de vliegzalf van de heksen is een gelijkaardige poging tot ontmenselijking van de zondebok. Eentje die lang nazindert. Tijdens de coronacrisis ontstond in Polen het valse nieuwsbericht dat het vaccin van Pfizer gemaakt zou zijn van geaborteerde foetussen. De coronapandemie heeft overal tot veel onzekerheid geleid. Veel diepgelovige christenen hebben zich afgevraagd of deze wereldramp de Apocalyps is waarover Jezus in de bijbel spreekt. Dat de angst voor de duivel nog altijd bestaat en nog toeneemt, laat zien dat we zelfs met alle kennis, logica en rede ook in de eenentwintigste eeuw waakzaam moeten blijven voor valse nieuwsberichten, de waan van de dag en zondebokfenomenen. Dit maakt de geschiedenis van de heksenjacht actueel.
Kat

Ook Grietgen Willems uit Amersfoort geeft volgens het getuigenverslag zeer gedetailleerde informatie over haar praktijken. Ze is niet alleen een bedreven tovenares die in haar ketel roert om allerlei vreemde recepten zoals dat van de inhoud van een heksenfles te produceren, ze gaat naar eigen zeggen ook naar de sabbat in de gedaante van een kat.

In de magische belevingswereld van de vroegmoderne mens is het gestommel of gehuil van een dier daarom al beangstigend. Zo hoorden Martijnken Braem en Magdaleene Anthuenis in de zomer van 1634 in Brugge ‘groot gheruchte (lawaai)’. Ook anderen dachten dat hun huis betoverd was door het lawaai ‘van een beeste’. Catheryne Bruggheman hoorde om middernacht katten rond haar huis zingen en meende dat het duivels waren die gezonden waren door een tovenares. In Roermond, waar de heksenwaan vierenzestig slachtoffers maakte, vertelde een zekere Frensken hoe een kat bij haar in bed was gekropen om met haar te vrijen. Ze had er een gescheurd nachthemd aan overgehouden.
The devil is in the detail
De theorieën over het vliegen, de kat en de ketel komen rechtstreeks uit de demonologische traktaten (verhandelingen over de leer van de duivel) die in de vijftiende eeuw algemeen verspreid zijn, maar vooralsnog zonder veel aanhangers. Dominicaan en inquisiteur Heinrich Kramer is in deze periode wel actief als heksenjager. Veel succes heeft hij niet. Men vindt de theorie over seksuele orgieën en duivelse achterwerken die gekust worden vooral amusant. Daar wil de monnik verandering in brengen. Hij dringt aan bij paus Innocentius VIII. Anders dan zijn naam doet vermoeden is deze paus schuldig aan de intensivering van de heksenwaan. Op 5 december 1484 vaardigt hij de bul (een pauselijke wet) Summis Desiderantes affectibus (Omdat we ten zeerste verlangen) uit. Op aangeven van Heinrich Kramer schrijft hij in deze bul dat hekserij beschouwd moet worden als een misdaad tegenover zowel de goddelijke als de koninklijke majesteit. Door het sluiten van een duivelspact heeft de heks immers het vernietigen van zowel de christelijke als de wereldlijke macht voor ogen en dat is de zwaarst mogelijke misdaad.

Angst
De vaak ranzige, dikwijls erotische en altijd beangstigende verhalen geven een boost serotonine. Wie wil er niet horen over naakte vrouwen die de aars van angstwekkende gehoornde gestalten kussen en op de vreemdste zaken door de lucht vliegen? En dat die aars niet naar pannenkoeken rook, wordt door fantasierijke boekverluchters duidelijk gemaakt. Beelden van heksen met bruine lippen en katten of bokken die aanbeden worden, verspreiden het idee van de heks verder.
Toch is het dan nog te vroeg om echt over een heksenwaan te spreken. De mensen zijn geamuseerd, niet bang. Pas wanneer het gevoelig slechter gaat, bij ons in de zestiende eeuw, ‘pakt’ de complottheorie en zullen de brandstapels hoog oplaaien. Angst is een voorwaarde voor vervolging. De late zestiende eeuw is een tumultueuze periode van oorlog, klimaatverandering, religieuze conflicten en hongersnoden. In tijden van crisis en onzekerheid zijn mensen vatbaarder voor irrationele verklaringen. Maatschappijen die door zwaar weer gaan zoeken zondebokken. Ze vinden die in deze periode bij vermeende heksen.
Opruiende traktaten waarin heksen als oorzaak van alle kwaad worden aangeduid, zijn dan al honderd jaar oud. Na opeenvolgende misoogsten en ziekte-epidemieën met een afname van de vruchtbaarheid van zowel de mens als de veestapel tot gevolg, worden de traktaten over de heksensekte anders bekeken. Door heksen de schuld te geven van alles wat mis gaat, worden misoogsten, ziektes, door stormen afgerukte daken of ander onheil niet enkel verklaard, er wordt ook een mogelijkheid geboden er iets aan te doen. Men heeft het idee dat de problemen beheersbaar zijn. Zo lang de vijand duidelijk zichtbaar is, kan er jacht op worden gemaakt.
De demonologie geeft de mensen zo de illusie dat ze iets aan hun situatie kunnen doen. Door jacht te maken op de heksen, die als de handlangers van de duivel verantwoordelijk worden geacht voor alles wat mis gaat, zal het beter gaan. Zo biedt de demonologie hoop in beangstigende tijden. Dit is één van de verklaringen voor de heksenjacht.
Geen feministen avant la lettre
De demonologie gaat ervan uit dat vrouwen irrationeler en meer tot zonde geneigd zijn, waardoor zij ontvankelijker zouden zijn voor de listen van de duivel, sneller met hem een pact sluiten en zo heks worden. Deze vrouwonvriendelijke theorie verklaart het hoge aantal vrouwelijke slachtoffers. Het is echter niet zo dat heksenvervolgers doelbewust onafhankelijke vrouwen, een soort feministen avant la lettre, wilden onderdrukken.
Uit bronnen blijkt niet dat sterke, onafhankelijke vrouwen vaker getroffen werden dan vrouwen die strakker in het patriarchale gareel liepen. We vinden slachtoffers van de heksenjacht in alle lagen van de bevolking en evengoed bij arme bedelaarsters als bij meer zelfstandige vrouwen. Bovendien gaat deze uitleg volledig voorbij aan het oprechte geloof in magie dat toen alomtegenwoordig was. Mensen leefden in een magische wereld. Grietgen Willems was er zelf ook van overtuigd dat haar heksenfles werkte tegen onheil. De manier waarop men naar de wereld keek, was fundamenteel anders.
Waar wij eerder rationele verklaringen zoeken, is de blik van de vroegmoderne mens magisch. Grote gebeurtenissen zijn voorbestemd, door god, maar ook door de duivel die constant op de loer ligt om mensen te overhalen om een pact met hem te sluiten. En hoe meer je over de duivel spreekt, hoe belangrijker hij wordt. In het magische universum van de vroegmoderne mens is de angst voor de duivel alomtegenwoordig. De heksenwaan kan niet verklaard worden zonder ons daarvan bewust te zijn.

Een iconisch heksbeeld
Het beeld van de kwade sprookjesheks blijft overeind in ons collectief geheugen. En dat is logisch, als je bedenkt hoeveel angst die hele vervolgingswaanzin teweeg heeft gebracht. Het kan niet anders of dat heeft zijn sporen nagelaten. Mensen praatten hierover. Zelfs tot lang na de vervolgingen. Het is niet voor niets dat boze, oude vrouwtjes zoveel voorkomen in volksverhalen en sprookjes. In een mondelinge vertelcultuur was dat de manier om informatie over te brengen.
In de negentiende eeuw worden enkele van die sprookjes op schrift gesteld, onder meer door de gebroeders Grimm en Andersen. Walt Disney pikt hier handig op in wanneer hij in 1937 een heks bij Sneeuwwitje tekent. Zo heeft dit beeld zich ook vastgezet in onze populaire beeldcultuur waarin de kat en de ketel twee iconische attributen van de heks zijn. Alle kinderen van de basisschool uit Melle aan wie gevraagd werd een heks te tekenen, tekenden zonder uitzondering deze attributen. Het zijn overblijfsels uit de rijke verteltraditie.

Ook katten hadden een kwalijke reputatie. Ook zij zijn voor het gerecht gedaagd, veroordeeld, verbrand, opgehangen of ingemetseld. Natuurlijk dachten die kinderen daar niet aan toen ze die heks met kat en ketel tekenden. Toch is het frappant. We vertellen onze kinderen nog steeds de visie van de vervolgers. Hoog tijd dus om een ander beeld van de heks te geven.
– Arts E., Zat het snor? Een geschiedenis van kat en mens in de Lage Landen, Sterck & De Vreese, 2020.
– Braekman W., Magische experimenten en toverpraktijken uit een Middelnederlands handschrift, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde (nieuwe reeks). Jaargang, 1966.
– De Cleene, M. Heidens, Volksgebruiken vandaag met sporen naar voorchristelijke tradities, Sterck & Devreese, 2024.
– Institoris H., De Heksenhamer, Malleus Maleficarum, ingeleid en vertaald door Ivo Gay, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2015.
– Mauz J., Ulrich Molitoris. Ein süddeutscher Humanist und Rechtsgelehrter, Vienna, 1992.
– Meder T., De staart van de pauw. Onderzoek naar variatie en continuïteit in betekenis, vorm en functie van het volksverhaal, 2016.
– Monballyu J., De heksen en hun buren. Heksenprocessen in de Lage Landen, 1598-1652, Standaard Uitgeverij, 2015.
– Spaans J., Toversters voor het gerecht. Enkele opmerkingen naar aanleiding van de Amersfoortse procesreeks 1590-1595, In: Kwade mensen. Toverij in Nederland, thema-nummer Volkskundig bulletin 12 (1986)), 31-49.
– van der Sanden W.A.B., ‘een zestiende eeuwse tinnen papkom uit orvelterveen, In: Nieuwe Drentse Volksalmanak 1 1 ( 00 ), pp. 18- 03.
– Vanhemelryck F., Heksenprocessen in de Nederlanden, Leuven, 1982.
– Vanhemelryck F., Het gevecht met de duivel. Heksen in Vlaanderen, Leuven, 1999
– Vanysacker D., Hekserij in Brugge, de magische leefwereld van een stadsbevolking 16de – 17de eeuw, Genootschap voor Geschiedenis, Brugge, 1988.
– Van Vilsteren V., Bij rituelen en toverij, Het secundaire gebruik van steengoed, In: Vormen uit vuur, nr. 198, 2007, ism Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam.
– Vervoort R., De heksen van Bruegel. Hekserijvoorstellingen in de Lage Landen tussen 1450 en 1700. Uitgeverij Van De Wiele, Museum Catharijneconvent Utrecht, Brugge Musea, 2015.
Archief
– Amersfoort, Stadsgerecht, 642, Vooronderzoek en verhoor van Grietgen Willems en dochter Adriana, fiche 7, 407-8.
Heksenhype in de Peel bracht 23 vrouwen op brandstapel (1595)
Heksen en hekserij in de kunstgeschiedenis
Johannes Wier: advocaat van de heksen
De Heksenhamer – Handboek voor de vervolging van heksen
Heksenwaag van Oudewater
Katten en hekserij: een duistere geschiedenis van angst en bijgeloof