Hotel Wartburg
‘Ik heb de film nooit meer gezien’, schrijft Louise van Santen, dichteres en vertaalster van Emily Dickenson, over de film noir van haar arrestatie en de verhoren. Ze was amper negentien, ging zonder ster door de stad. Haar ouders zaten ondergedoken. Het staat me tegen haar te vragen of het waar is, dat hij een occulte gave had, hoe Oelschlägel sprak, het cliché dat hij zijn arrestanten onder hypnose bracht. Ze vertelt over de eerste weken in Einzelhaft, augustus-september 1943, de verhoren in de kamer van Gestapo-chef Willy Lages, zuchtend, ‘ik loog erop los’. De spiegelwand en het donkere kastje in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Ze zit voor een gordijn. De ‘jongens’ moeten een voor een kijken en zeggen wie ze is. Ze wordt door haar Sachbearbeiter meegenomen naar het cellenblok.

Ze herinnert zich het moment dat Oelschlägel haar het nieuws bracht over de dood van Gideon, begin oktober 1943. Hij stapt haar cel in, doet laconiek over de executie en komt met een voorstel. Ze begrijpt niet hoe hij het kan vragen, het voelt als verraad, alleen de gedachte al, maar als ik hier ooit weg wil komen, denkt ze, dan moet ik ja zeggen. Hij wordt hoffelijk. ‘Op zijn manier,’ zegt Louise. Oelschlägel vertelt over zichzelf, stelt zich voor als Herbert, zegt dat hij natuurstenen verzamelt, spreekt zijn talen. Op een dag neemt hij haar mee naar een kapper, blond haar is beter, vindt Herbert. Ze rijden naar de Jan Luykenstraat, achter het Rijksmuseum. In een groot huis, het nummer weet ze niet meer, ontmoet ze Duitse officieren en grijze muizen, Nederlandse vrouwen die als informant voor de Gestapo werken, V-frauen – de V van Vertrauen. Ze krijgt een kamer. Hij brengt een stapel foto’s mee, spreidt ze op het tapijt voor zich uit en kruipt op zijn knieën over de vloer. Uniformpet in de hoek.
‘Ik kende de één wel, de ander niet. Ik zei maar wat’.
Een tijd later – dagen, weken of maanden, de tijd krimpt als de jaren verstrijken – grijpt ze haar kans. Ze ontsnapt en duikt onder, voorjaar 1944.
Ze vraagt om een foto. Maanden later zal ik er een vinden, maar die dag in 2014 is Herbert Oelschlägel nog een schim. We kijken samen naar een groepsportret, geschoten voor het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei und Sicherheitsdienst in de Euterpestraat, najaar 1943. De fotograaf heeft ze in rijen opgesteld, wie voor, wie achter, groot en klein, wie naast wie. Op de eerste rij de hoogsten in rang. Ongeveer in het midden SS-Sturmbahnführer Willy Lages, hoofd van de Gestapo, handen in zijn schoot, knieën tegen elkaar, strak. Links naast hem zit SS-Hauptsturmführer Ferdinand aus der Fünten, los in de schouders, brutale blik, ontspannen, officier bij de Zentralstelle aan de overkant van de straat, verantwoordelijk voor de definitieve ‘emigratie’ van Joden uit Amsterdam. Ik zie Friedrich Viebahn en Emil Rühl, Abteilung IV A. Ze staan op de achterste rij. Louise twijfelt. ‘Beetje een Italiaan,’ zegt ze, drie stoelen naast Lages, de uniformpet met het zilveren doodshoofd boven de klep schuin op het hoofd, wuft bijna. Op de linkermouw, een paar centimeter onder de elleboog twee zilveren letters gestikt in een zwarte ruit, SD, het Feldgrau SS-uniform van de geheime inlichtingendienst en veiligheidspolitie.

Herbert Oelschlägel is vermoedelijk de man tweede van links (met hoed en regenjas)
Herbert Oelschlägel, haar Sachbearbeiter, is er niet bij. Ze zou hem herkennen. Klein, benig gelaat, donker haar dat hij strak naar achteren kamde, haakneus, borende ogen, staalgrijs, en die handen – zulke handen had ze nog nooit gezien: ‘hij veilde zijn nagels in punten.’
Een systeemkaartje uit de cartotheek van het Amsterdamse hoofdbureau van de Gestapo: Herbert Oelschlägel, ‘Polizei-angestellter, Sonderkommando (Gruppe II), Dolmetscher’. Zonder pasfoto.
Oelschlägel was tolk in dienst van de Duitse politie en bewoog zich in de groezelige krochten van een nazi-inlichtingendienst. Ik weet dat hij ‘V-Mann’ in Den Haag was. In een enkel dossier wordt hij vermeld als ‘SS-man’. Soms is hij Kriminalsekretär, een rang die hij formeel niet had, maar een Kriminalist was tevens SS-führer van zekere rang. Hij duikt in 1941 op bij arrestaties, schaduwt verdachten, is lid van een CPN-Sondercommando. In het voorjaar van 1943 is hij gezien bij een overval op de Haarlemse drukkerij van Johannes Hoogendoorn, drukker van De Vonk, een ondergronds communistisch blad. Een jaar later staat Oelschlägel in de deurpost van een woning in de Rubensstraat 26, uniform, getrokken pistool. Ik lees dat hij de auteur is van Dictionnaire technique des métaux précieux, des pierres fines, de la bijouterie et de l’horlogerie, een technisch woordenboek in acht talen, een baksteen van 722 bladzijden, uitgegeven in 1939 bij Mouton & Co.. Hij weet alles van parels en robijnen, het trekken van gouddraad en zilveren horloges.
HOTEL WARTBURG, hoek Anhaltstrasse 13/Wilhelmstrasse 107 – sober verblijf, negen Reichsmark. Tien maanden lang, van juni 1942 tot april 1943, steeds dezelfde kamer, nummer 22. Sommige weken slaat hij het ontbijt over. Later daagt het mij, die weken is Herbert Oelschlägel niet in Berlijn.
Hij houdt in die tijd een kasboek bij: postzegels, telefoon, verduisteringspapier, treinkaartjes, notitieboekjes, visa voor Zwitserland. Vanaf februari 1942 huurt hij een kantoor, Schmargendorfer Strasse 23, Berlin Friedenau, een vrijstaand huis in een lommerrijke straat met een postkantoor op de hoek. Vermoedelijk woonde Oelschlägel hier korte tijd met zijn vrouw Anne-Maria, geboren Kaufman. ‘Sekretärin’ in de boeken. En dan, in oktober 1942, een nieuw adres in het hart van de stad: Linkstrasse 13, dichtbij Potsdamer Platz, niet ver van zijn hotelkamer. Zijn rekeningen stuurt hij naar de Internationale Föderation von Industrie, Handwerk und Handel des Diamant-, Perlen- und Edelsteinfaches, BIBOA, een internationale vakorganisatie van edelsmeden, horlogemakers, juweliers en diamantairs. Noordeinde 1, Den Haag.

Carel Begeer is ‘president’ van BIBOA. Oelschlägel is zijn secretaris. Ze kennen de grote diamantairs van Europa, handelshuizen in goud en zilver, ateliers van horlogemakers in Basel, juweliers in Parijs. Een steenrijke wereld. Begeer is directeur van een familiebedrijf in zilver: de Koninklijke Begeer, een zilverfabriek en gelijknamige winkel aan het Noordeinde. Na de oorlog zal Begeer verklaren dat hij zijn secretaris nooit sympathiek gevonden heeft, dat Oelschlägel te ijverzuchtig was, ‘dat het beter geweest was als hij zich bij zijn werk als tolk gehouden had’. Begeer deed alsof hij weinig wist van zijn klerk, hem nooit in uniform gezien had, maar ze werkten lang samen. Oelschlägel stond sinds 1928 ingeschreven in het Haagse bevolkingsregister. Ze organiseerden congressen in Amsterdam, Bologna, Rome, Luzern, Londen, Berlijn, Parijs – begin september 1942 nog in München. Begeer deed inmiddels goede zaken met de Wehrmacht. Zijn fabriek leverde soldatenbestek waar geen zilver aan te pas kwam.
Oelschlägel reist in die tijd vanuit Berlijn naar Basel en Luzern, schrijft rapporten, volgt mensen, noteert in welke hotels ze verblijven, kamernummers, ontmoetingen, hoe ze zich gedragen, of ze wel of niet arisch of Deutschfreundlich zijn. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor mensen uit kringen van BIBOA, edelsmeden en diamantairs, maar ook anderen ontgaan hem niet.

De DKZ speelt een schimmige rol, controleert organisaties met internationale contacten en is verstrengeld met SS-diensten en het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda. Er is geen vakgebied of internationale samenwerking dat niet in het vizier ligt van deze Zentrale. In Berlijn worden duizenden dossiers aangelegd over congressen van tandartsen, feministen, bibliotheken, wiskundigen, gynaecologen, bankiers, een agentschap voor Palestina, organisaties voor hulp aan Joodse vluchtelingen, biologen, architecten, wijnbouw of kinderbescherming. Een immens kaartsysteem met informatie over organisaties, besturen, leden, deelnemers aan congressen. Organisaties in bezette gebieden worden ontmanteld door de Sicherheitsdienst, van linkse elementen gezuiverd en geariseerd. Archieven worden in beslag genomen. De nazi’s streven naar een nieuwe internationale orde voor wetenschap en cultuur, zonder communisten, Joden of andere vijanden van het volk.
Oelschlägel is een welwillende schakel in dit systeem. BIBOA is zijn perfecte dekmantel. Zijn reizen vallen niet op. En BIBOA doet ertoe voor de nazi’s. In deze kringen werken veel Joodse zakenlieden – in de nazi-verbeelding meer dan in werkelijkheid – er gaan vermogens in om en sommige onderzoeksgebieden zijn interessant voor de oorlogsindustrie. Daarom laten ze Begeer met rust als ‘president’ in Nederland maar werkt zijn secretaris sinds 1942 in Berlijn. ‘Der Niederländer Carel J.A. Begeer, geb 15.10.83 zu Utrecht ist arischer Abstammung, Sohn eines Edelmetallwaren-fabrikanten […],’ schrijft Oelschlägel in een van zijn rapporten, ondertekent als ‘Oe’, dezelfde paraaf als op rekeningen van Hotel Wartburg. ‘B. ist eine im Edelmetallgewerbe allgemein als neutral anerkannte Persönlichkeit. […] Anlässlich des Berliner Kongresses der BIBOA (1935) verlieh ihm der Führer den Roten Kreuz-Orden.’
Handelscorrespondent Oelschlägel huurt een kamer in het hart van het Prinz Albrecht-kwartier. Geen sterveling sluit zich na 1933 nog vrijwillig maandenlang op in dit Berlijnse huizenblok waar het wemelt van de Gestapo, SS-bureaucraten en schrijftafelmoordenaars. Een paar passen voorbij Hotel Wartburg, Wilhelmstrasse 102: de Berlijnse residentie van Reinhard Heydrich, zijn hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst. Op 9 juni 1942 hingen de SS-vlaggen hier halfstok nadat ‘de man met het ijzeren hart’ in Praag was opgeblazen in zijn gepantserde limousine. In het stadspaleis ernaast huisde een tijdlang de SS-inspectiedienst voor de concentratiekampen. Verderop de Abwehr, SS-contraspionage. En in de Prins-Albrecht-Strasse 8, in de voormalige kunstnijverheidsschool, het ministerie van Staatsveiligheid.
Tijdens de slag om Berlijn is Himmlers hoofdkwartier met de grond gelijk gemaakt. Nu is hier het studiecentrum Topographie des Terrors. In de hal staat een maquette van dit schuldige stukje Berlijn. Wanneer ik op een dag rond de glazen box met de maquette loop weet ik het zeker: dit was de ideale plek voor een ijverzuchtige SD-tolk met talent voor vuile zaakjes.
Twee jaar na mijn ontmoeting met Louise van Santen kom ik op het spoor van een foto. Luzern, 17 juni 1938. Een congres van BIBOA – rechts staat een man met een hoornen brilletje, spitse oren, zwart haar strak naar achter gekamd, kuiltje in zijn kin, aktetas. Een jaar later krijg ik een tip. Een tweede foto. Een man in een regenjas. Hij draagt een hoed. Temidden van een geüniformeerde Duitser en drie mannen in civiel. Gestapo, gefotografeerd in een loods ergens in Nederland, 1943 of 1944. De man in de regenjas is klein, geen bril, geen snor. Hij kijkt naar rechts. De man met de aktetas kijkt naar links.

Ik heb ze op mijn beeldscherm gespiegeld. Spits oor, benige kaaklijn, haakneus, rattenogen, het kuiltje bij zijn onderlip. De man in de regenjas en de man met de aktetas zijn identiek. Dit is hem: Gottlob Hermann Felix Herbert Oelschlägel, geboren op 6 januari 1908, zoon van een slotenmaker in Leipzich, SD-tolk en ‘internationalist’ bij de Deutsche Kongres-Zentrale, BIBOA-secretaris, dezelfde Gestapo-agent die volgens Gijs van Hall ‘veel wist en […] deze zaken behandelde’, die zijn broer in het vizier had, die sinds de zomer van 1943 in Amsterdam woont, Rubensstraat 26, een hoekhuis, eerste etage. Hij hoeft alleen de straat maar over te steken en hij is bij het hoofdbureau van de Gestapo.
In het boek zijn de paragrafen genummerd en voorzien van een gedetailleerde bronvermelding.
Verzet, verraad en een liquidatie in de Beethovenstraat (1943)
Gijs van Hall – Verzetsheld en burgemeester van Amsterdam
De gebroeders Temmes – ‘Wo ist der Bahnhof?’
De bauxietmijnen: Suriname als grondstofleverancier in WOII
Gemeente Amsterdam biedt excuses aan voor rol bij Jodenvervolging